Ik was soldaat van 8 R.I.

Het dagboek van dhr. J. Polman, ingedeeld bij de verbindingsafdeling van 3-II-8 R.I.


I. HET VOORSPEL

Voor de eerste oefening - zgn. voor mijn nummer - ben ik opgekomen 20 maart 1934 in de Menno van Coehoornkazerne te Arnhem en werd ingedeeld bij de verbindingsafdeling van het 8e Regiment Infanterie, lichting 1934-I. Van 4 t/m 9 juli werden wij geconsigneerd in de kazerne en waren alle verloven, avond- en nachtpermissies ingetrokken. De compagnie moest paraat zijn om zonodig op te trekken naar Amsterdam i.v.m. de uitgebroken Jordaanoproer.(zie o.a. het boek "De Magere jaren" van Beishuizen en Werkman). Eind juli liep ik met een detachement van 8 R.I. de vierdaagse afstandsmars van Nijmegen. Bij het eind van de diensttijd - einde eerste oefening - was ik "geoefend seiner-telefonist".

Klik hier voor een uitvergroting
Soldaat Jan Polman. (juli 1934)
De 1e september 1934 ging ik met "groot verlof" en vanaf dat moment was ik werkloos en zonder inkomsten want de regering Colijn had geen boodschap aan jongens die na en door dienst, aan het vaderland bewezen, hun werk waren kwijt geraakt. De vooroorlogse kabinetten (o.a. 5x Colijn) waren gevormd met medewerking of gedogen van de R.K. Staatspartij (later KVP),de AR, de CHU (de drie zuilen van het huidige CDA) en de Vrijzinnige Democraten (lib.). In het algemeen volgens het beginsel: zorgen dat de bezittende klasse rijk blijft en de niet-bezittende klasse tevreden; de werklozen komen vanzelf wel weer eens aan de bak, ze hebben nergens recht op (zie het boek "De Magere jaren"). Als ongehuwde kwam je ten laste van je ouders of de bedeling. Nadat ik 2 maanden werkloos was probeerde ik bij de Militaire Politietroepen te komen (destijds een soort Marechaussees van mindere orde). Ondanks veel voorspraak van kader en compagniescommandant lukte dat niet. Ik werd afgekeurd wegens een paar slechte kiezen (er waren plenty sollicitanten). Henny en mijn vader waren blij. Vader zei: "Dat is toch niets voor Jan" en "De tijd zal toch nog wel ééns beter worden". Hij kende tegoed mijn afkeer van de militaire dienst. In de dan volgende jaren wisselen perioden van werk en werkloosheid elkaar af.

Najaar 1937 opgekomen voor 17 dagen herhalingsoefening. Dan volgt in het voorjaar van 1938 het oproepen van de grensbataljons in verband met de internationale toestand. Men riep een aantal dienstplichtigen op, bij voorkeur werklozen - dat was het goedkoopst - om bewaking bij de landsgrenzen uit te oefenen. Ik kreeg een oproep om naar Panheel in Zuid Limburg te vertrekken. Maar op dat moment had ik al weer een tijdje werk en op grond daarvan kreeg ik vrijstelling van opkomst. Later bleek dat mijn militair dossier al naar Panheel was gezonden en niet teruggestuurd naar de regimentsadministratie.

Dan komt op 25 augustus 1939 de voormobilisatie. Nog denk je aan een schijnmanoeuvre, maar op 28 augustus hangen er raambiljetten en komen de kranten met extra edities; de volgende dag algemene mobilisatie. Die avond maken we tot een feestelijke met een gebakje en een snoepje, ten afscheid. 29 Augustus 1939 (dinsdag), 's morgens om 6 uur moet ik me melden aan de Menno van Coehoornkazerne in Arnhem. Als ik daar tegen die tijd verschijn, zijn er nog weinigen. Van het onderdeel waarbij ik ben ingedeeld t.w. 3e compagnie IIe Bataljon 8e Regiment Infanterie ben ik praktisch de eerste.

Klik hier voor een uitvergroting
De verbindingsafdeling op de binnenplaats van de Menno van Coehoornkazerne te Arnhem. (maart 1934) » meer
Ik kom terecht bij de sergeant-majoor-administrateur (SMA) Kieviet. De presentielijst wordt afgezocht maar mijn naam komt er niet op voor. Ik zeg: "Geen nood, ik ben direct weer weg". Maar dat ging niet. Uit verder onderzoek blijkt, dat mijn dossier nog steeds in Panheel verblijft. Maanden later komt dit pas weer bij de administratie terug. Toen had ik inmiddels een nieuw herkenningsplaatje gekregen en een nieuw oorlogszakboekje (zelf uitgeschreven). Deze duplicaten zouden in mei 1940 voor verwarring zorgen. Ik vertelde de majoor dat ik niet zonodig hoefde te exerceren enz. Dat bracht hem er toe mij te "eigenen" als soldaat-schrijver. Een functie die al lang geleden was afgeschaft. Niettemin ben ik tot de avond van 9 mei 1940 in dat baantje gebleven en daardoor bevrijd van het saaie leven bij de troep. 29, 30 en 31 Augustus bleef ik in de kazerne maar ik mocht nog enkele keren een boodschap doen voor de administratie en onderwijl even naar huis.

Vrijdag 1 september in alle vroegte appèl voor het gehele regiment en afmarcheren naar de mobilisatiebestemming. Dat ging geheel te voet. Lichte mitrailleurs werden gedragen; de zware gereden op kleine wagentjes door 4 man aan touwen voort getrokken, door 1 man aan de boom gestuurd. Ook het verbindingsmateriaal als seintoestellen, veldtelefoons, kabels enz. werd op zulke wagentjes vervoerd. Omdat ik nu bij de administratie behoorde, ging ik mee met de sleperswagen waarop de administratiestukken werden vervoerd. Ook een deel van de rustkamer (d.i. de kamer voor de uitrustingen) ging op deze wagen, die werd bemand door voerman (soldaat) en bijrijder (soldaat) en getrokken door 2 paarden. De oppasser van de rustkamer en ik konden met de wagen meerijden. Volgeladen reden we naar de kazerne-uitgang aan de Hoflaan. De knollen, die waarschijnlijk niet voor een wagen gewend waren en niet bekend aan de vreemde voerman, gingen op een hol de hellende weg af en door het hek. De voerman draaide geen remmen aan; beesten en wagen holden door. Niet meer te houden liepen de paarden hun kop te pletter tegen de muur van het tegenover de kazerne gelegen huis. Eén paard viel direct stil, het andere werd enige tijd later met een schot uit een politiepistool gedood. De wagen stond met gebroken boom voor de muur. Op het laatste moment was ik er af gesprongen. Ook de andere drie waren ongedeerd. Het duurde wel een uur voor er een andere wagen met paarden arriveerde en wij de spullen konden overladen. Dan ging het op weg naar Rhenen. Onderweg haalden wij de voortsjokkende troep in. De onderdelen soms honderden meters van elkaar verwijderd. Het was prachtig helder weer. Zonnewarmte en stof maakten de tocht voor velen een opgave.

Klik hier voor een uitvergroting
De verbindingsafdeling op de Paasberg in Arnhem met geheel links sergeant Smit. (april 1934) » meer
In Rhenen werden allen voor enkele nachten gelegerd in een niet meer in gebruik zijnde tabaksschuur en een stal. Op de vloer lag stro. Na korte tijd werden we ondergebracht in scholen en in particuliere huizen. Onze commandogroep te weten de verbindingsafdeling, de meester geweermaker, de meester schoenmaker en enkele hulpkoks kwamen terecht in een klein boerenhuis aan de Veenendaalseweg. Even noordelijker, op de hoek van de Acacialaan werd het compagniesbureau van 3-II-8 R.I. gevestigd. Daar verbleef ik de hele mobilisatie.

Waar het 8e Regiment gelegerd was, bleef niet lang geheim, want zondag 3 september kreeg bijna iedere soldaat afkomstig uit Arnhem of omgeving bezoek. Toen legering enz. geregeld waren - officieren en onderofficieren werden bij burgers ingekwartierd - werd een verlofregeling ingesteld. Telkens gingen 10 á 12 man van de compagnie met verlof en wel 2 dagen in een tijdvak van ongeveer 2 weken. De majoor vond het voor de dienst het meest geschikt dat ik in het weekeind ging, dus van zaterdagavond tot maandagavond. Uiteraard had ik daar geen bezwaar tegen.

Tengevolge van internationale ontwikkelingen (voorspel op het Venlo-incident?) werden dinsdag 7 november 1939 alle verloven ingetrokken en wij geconsigneerd. We mochten Rhenen niet verlaten, ook niet enige die dicht bij woonden en daar sliepen. Maar vrijdagavond 10 november kwam mijn vrouw verrassender wijze in Rhenen en bracht mij een nieuwe zelf gebreide slip-over. Geruchten van een (Duitse) aanval op Nederland deden de rondte, ik zei haar: "Als het in Arnhem te benauwd wordt, kom dan maar hier naar toe". Stel je voor! Doch de spanning ebde weg. Jaren later vernamen we dat bij Hitler inderdaad het voornemen heeft bestaan op 10 of 11 november Nederland binnen te vallen. Zijn bijgelovige geest zwichtte voor "waar"-zeggers en de inval werd uitgesteld.

Klik hier voor een uitvergroting
De verbindingsafdeling in de tuin van de Menno van Coehoornkazerne te Arnhem. (23 mei 1934) » meer
In de mobilisatiewinter waren sneeuw en ijs rijkelijk ons deel. In de loop der maanden hadden de manschappen in het terreingedeelte dat door onze compagnie in geval van oorlog verdedigd zou moeten worden loopgraven enz. aangelegd. Begin april kwamen er ruim honderd burger werklieden om de loopgraven, onderkomens enz. af te maken. Het geheel van deze voorzieningen werd aangeduid als de stellingen. Iedere dag moest ik op een dienstfiets het veld in en daar opnemen hoeveel mensen er die dag werkten. Vrijdags werden dan de loonlijst en de loonzakjes klaar gemaakt. Met majoor Kieviet ging ik mee naar Arnhem om geld te halen en kon dan ook even naar huis, want wij werden gereden met een militaire auto, die op afgesproken tijd en plaats weer vertrok naar Rhenen. Wij wisten toen dat Henny in blijde verwachting was van onze tweede. Het was fijn elkaar dan nog even gedag te kunnen zeggen.

Op de 3e mei was de laatste tocht naar Arnhem. 4 Mei ging ik met verlof en keerde maandag 6 mei terug. De volgende dag werden alle verloven en permissies ingetrokken. Het deed ons niet zoveel; er waren al een paar maal internationale verwikkelingen geweest die zulks veroorzaakten. We hoopten wel dat die "flauwekul" met Pinksteren - de aanstaande Zondag - over zou zijn. De avond van 9 mei gingen we rustig slapen, onbewust dat die nacht het einde kwam van de tijd "vóór de oorlog".

II. DE OORLOG

Vrijdag 10 mei 1940. Die morgen, om ongeveer kwart vóór vijf werden wij - vier kamergenoten - gewekt door een explosie, die direct werd gevolgd door nog een, en nog een. Behalve deze knallen, die, zoals later bleek, van het luchtdoelgeschut afkomstig waren, was het luchtruim vervuld van een gebrom alsof miljoenen hommels zich daar voortbewogen. Een eentonig gebrom met een bepaalde cadans. De kamer heeft voor de ramen vensterluiken. Wanneer we deze openen, zien we in het nog schemerige morgenlicht zover ons gezichtsveld reikt ontelbare vliegtuigen, die in rustige gang in westelijke richting vliegen. Alle in aaneengesloten formaties. Half aangekleed rennen we naar buiten. Hier en daar groepen al wat mensen bijeen, soldaten en ook burgers. Regelmatig klinken schoten. Het geheel ontlokt de uitroep: "Hebben ze godverdorie voor de Pinksterdagen een grote oefening op touw gezet". Even later zien we in zuidelijke richting, waarschijnlijk over de Rijn, een vliegtuig brandend naar beneden vallen. Dat gebeurt even later ook in westelijke richting. Dan dringt het tot ons door dat het geen oefening is, doch werkelijkheid. Al die vliegtuigen - we hebben nu geconstateerd dat het Duitse zijn - vliegen in westelijke richting, dus naar Engeland, denken we. Maar door dat overvliegen schenden ze Nederlands grondgebied en daarom schiet onze luchtdoelartillerie op hen.

Klik hier voor een uitvergroting
Een detachement van het 8ste Regiment Infanterie liep de 4-daagse afstandsmarsch in Nijmegen. (juli 1934) » meer
De luitenant Rijntjes komt uit het compagniesbureau bij onze Groep, die inmiddels sterk aangegroeid is: "Nou mannen het is zover, net een telefoontje gekomen van het bataljon. Bij de grens wordt gevochten. De moffen zijn op verschillende plaatsen ons land binnen gevallen". Oorlog is het dus! Oorlog! Waarschijnlijk niemand hier die kan bevatten wat er allemaal gebeurt en wat het betekent. Om half zes is de gehele compagnie op straat. Heftige of minder heftige gesprekken voerend, onder elkaar en met de burgers die zich ook in groten getale op straat bevinden. De kapitein Hakkert, zoals vaker zich richtend tot majoor Kieviet zegt: "Ik geloof dat het niet nodig is om reveille te laten blazen. Zo te zien is iedereen aanwezig". Er wordt sectiegewijs appél gehouden. Ik ben nu soldaat-schrijver af en hoor weer bij de verbindingsafdeling van de compagniesstaf. Dan volgt het bevel dat allen zich gereed moeten maken voor aftocht naar de stellingen en over driekwartier gereed moeten zijn om af te marcheren. In ons kwartier worden alle persoonlijke bezittingen ingepakt. De koffers worden ondergebracht bij de burgerfamilies waar de gemobiliseerde gedurende de afgelopen maanden één of meer vrije avonden per week gastvrijheid genoot. Wim Rutten en ik brengen de koffer bij de familie, Van den Berg. Bij dat laatste bezoek moet ik heel vreemd zijn geweest.

Na de oorlog vertelden de heer en mevrouw van den Berg dat ik lijkwit was, hen met heel grote ogen aankeek en gedag zei op een wijze die deed denken aan een afscheid voor immer. Het waren de gedachten aan vrouw en kind die nu zoveel dichter bij de grens, dus bij het gevaar zaten dan ik en die misschien al? Die gedachten, die angst zijn door mij niet te verwoorden. , Enkele persoonlijke dingen houd ik bij mij. De portefeuille waarin o.a. foto's van Henny en Trudy, mijn rozenkrans, zakboekje e.d. We nemen afscheid van de sergeant-majoor en de fourier die met de compagniesadministratie naar het westen zullen gaan. Dan klinkt een hoornsignaal bedoeld om allen naar de appélplaats vóór het compagniesbureau te bevelen. Niemand weet dat dit het laatste hoornsignaal is dat zal klinken in 5 jaar tijd en het laatste hoornsignaal voor 3-II-8 R.I. De sectiecommandanten en de commandant van onze afdeling brengen appélrapport uit bij de kapitein en dan volgt het bevel tot afmarcheren naar de stellingen. De sergeant Swijtink en zijn hulpen zullen met de keukenwagen wat later volgen. Stil en zoveel mogelijk verdekt bewegen de secties zich vanaf de Oude Veenendaalseweg door het Levendaalse bos naar de respectievelijke stellingen. Af en toe verschijnen er weer vliegtuigen (Duitse?) hoog boven het terrein. Voortdurend klinkt het geluid van vliegtuigen en explosies op afstand, uit oostelijke richting.

De secties installeren zich in hun stellingen. Met Wim Rutten, Martien Knipscheer en Jopie Schuilenburg blijf ik bij compagniescommandopost. De zon rijst hoger en het wordt warmer. Als die ellendige geluiden er niet waren kon je je voorstellen een dagje uit te zijn op het bosachtige schootsveld, waaruit lang niet alle gezichtsbelemmerende obstakels zijn verwijderd. Brood en boter worden verstrekt en stukjes kaas (voor de hele dag). Later op de dag komt ook de koffie. Voor zover dat mogelijk is, wordt nog wat aan de stellingen verbeterd.

In de commandopost is verbinding via de veldtelefoon met de commandopost van het bataljon en via deze met de regimentscommandant in de Koerheuvel, een hotel noordelijk van Rhenen. Via deze telefoonverbinding en later ook van ordonnansen krijgen we te horen dat bij de grens en met name in Limburg de Duitse troepen teruggeslagen zijn evenals bij Zevenaar en Lobith. Bij Gennep is een Duitse pantsertrein de lucht in gegaan. De Nederlandse gevechtsvliegers hebben veel Duitse vliegtuigen naar de grond geschoten. De Engelsen zijn met oorlogsschepen onderweg en Franse troepen staan al bij Breda. Al deze berichten - die later ten dele onwaar of sterk overdreven blijken te zijn - brengen een soort triomfalistisch optimisme bij ons te weeg. Denkend aan al die geslaagde invallen of overvallen gepleegd op het Rijnland, Tjecho-Slowakije, Noorwegen enz. zijn dan de hoopvolle kreten: "Hij (Hitler) kan dan nu wel 'ns zijn nek breken en weggevaagd worden bij deze inval". Alles ijdele hoop, zoals later zou blijken. Maar wat wisten wij?

De rest van de dag vergaat in een gespannen afwachten. Duitse vliegtuigen in grotere of kleinere formaties komen met onregelmatige tussenpozen overgevlogen, op vrij grote hoogte en zonder dat boordwapens worden gebruikt, voor zover wij kunnen waarnemen. Wel klinkt steeds het luchtdoelgeschut, dat op verschillende plaatsen staat opgesteld. Enkele malen komt een formatie Nederlandse G-I's overgevlogen en een gevecht van deze met een formatie Messerschmidts heeft voor de Nederlanders succes, want 2 Duitsers worden naar de grond gezonden; één brandend, de andere met motorstoring.

Klik hier voor een uitvergroting
De verbindingsafdeling bij Woeste Hoeve. (9 augustus 1934) » meer
In de late namiddag is waar te nemen, dat uit oostelijke richting de gevechtsgeluiden naderbij komen. Artillerie, zware mitrailleurs en pag (pantser afweergeschut). Rond vijf uur is het eten halen. Hutspot met een bal gehakt. Veel eetlust is er in het algemeen niet. Van het brood hadden de meesten nog wat over. Dan valt de avond; de wachten worden ingedeeld. De overigen zoeken in de stelling een plek om zich neer te leggen. Als hoofdkussen wordt de broodzak of - bij de tirailleurs de ransel - gevuld met "van alles". De overjas is deken. Er zijn er inderdaad die in slaap vallen. Het zijn er weinigen. Bij de meesten is het een hazenslaap of nog minder. Toch, in de loop van de nacht kwam over mij een soort versuffing. Tot dat - het zal half vijf geweest zijn - een knetterende slag allen deed opspringen. De slag werd direct gevolgd door een fluitend geluid en dan weer een slag. En weer die fluittoon, die slag, en, weer en weer. De adem stokte en het geluid van mijn hart was hoorbaar. Kapitein Hakkert wist te determineren: "het zijn artilleriegranaten die over onze commandopost worden afgevuurd en daar achter inslaan". Bij iedere inslag beefde de grond. "Gelukkig" hadden we nog voldoende vertrouwen in de constructie, vooral in de afdekking van onze onderkomens. We wisten immers niet wat zo'n granaatinslag kon uitrichten en daardoor voelden we ons nog redelijk veilig. Deze beschieting hield anderhalf uur aan. Gesproken werd er weinig. De gezichten waren verstard van spanning. Was dit nu de zogenaamde vuurdoop? De kapitein meldde via de veldtelefoon aan de bataljonscommandant, de majoor Jacometti, wat er plaats vond. Van die zijde kwam de mededeling dat, zodra het mogelijk was, met artillerievuur gepoogd zou worden de granaatschutters te verdrijven. Na anderhalf uur stopte het vuren. Inmiddels was de nieuwe dag, zaterdag 11 mei, begonnen. De nacht was verdreven. De zon, glorieus opgekomen, stond stralend aan een helder blauwe lucht. Door de spanning, het ontberen van slaap, weinig eten en drinken verkeerden de meesten in een rillerige, koortsachtige toestand. Door het prachtige weer en de nu weer heersende betrekkelijke stilte kwam daarin wat verbetering.

Van de secties in het voorterrein komen etenhalers en corveeërs naar de keukenwagen. Onder hen is de soldaat Gerrit Spann die aardappels moet jassen, maar zijn zakmes kwijt is. Ik geef hem mijn zakmes "te leen". Nooit zal ik hem meer terug zien. Korte tijd later wordt de beschieting van onze stellingen hervat. Dan, tegen negen uur, komt een ordonnans van zijn sectie mededelen dat de soldaat G. Spann is gesneuveld, getroffen door een granaatscherf. Het is de eerste van onze compagnie. In de vuurpauze hadden we ons buiten de stellingen begeven. Direct na de nieuwe inslagen waren we weer in de stellingen gegaan, ons verdelend over de geschutspunten van de loopgraven.

Het geweld van wapens en voertuigen komt steeds naderbij zonder dat wij iets van de veroorzakers zien. Op zeker moment ligt er ook mitrailleurvuur over onze stelling. Een verkenning wijst uit dat de schutters, slechts een klein aantal, tot de prikkeldraadversperringen, een paar honderd meter vóór de commandopost, zijn doorgedrongen. Enkele salvo's van onze mitrailleurs doen deze voorposten sneuvelen. Later op de dag blijkt dat een nieuwe golf aanvallers de eerste heeft opgevolgd. De voorsten hiervan hanteren kniptangen om het prikkeldraad te verwijderen. Als één door ons vuur wordt getroffen, wordt de kniptang direct overgenomen en verder gebruikt. En dat herhaalt zich steeds. Sommigen komen niet verder dan het oppakken van de tang of zelfs daartoe niet eens en worden kruipend over de grond, zonder dekking getroffen door het vuur van onze schutters. Wij kunnen dat niet begrijpen. De aanvallers zijn echter niet zeer talrijk en enkele gerichte salvo's van onze artillerie maakt het hele voorterrein (voorlopig) vrij van moffen. De aanvoerlijn naar de keukenwagen is blijkbaar verbroken. Er komt niets meer binnen en bijgevolg wij geen eten meer. Veel interesse bestaat daar ook niet voor. Er is nog wat brood en margarine en daar wordt matig van gebruikt. Wel komt er thee. Af en toe komt er een bericht van het bataljonscommando. Van het aanvankelijke optimisme is weinig meer over. Maar betreffende de stand van de gevechten in het land worden we niets wijzer.

In het voorterrein waar wat opgejaagde koeien dwalen, zie je soms een beest over de kop slaan, dood. Waarschijnlijk getroffen door Duits vuur. Want inmiddels gaat de beschieting van onze stellingen met granaten door met kortere of langere vuurpauzes. Duitse verkenningsvliegtuigen komen herhaaldelijk overgevlogen, prompt onder vuur genomen door ons afweergeschut dat een enkele maal doel treft. Meestal is de vlieghoogte te groot. De stemming in onze commandopost is vrij somber. En weer komt de avond en weer de nacht. Van echt slapen komt weinig. Van afmatting dommel je af en toe in, om wakker te schrikken als een granaatinslag weer 'ns dichter bij ons onderkomen plaats vindt. Of je wordt gewekt voor je beurt van wachtaflossing of van het wekken van een maat naast je. Het kontact met de secties in het voorterrein is niet intensief en dat geeft soms een gevoel van geïsoleerdheid, vooral in het nachtelijk duister.

Klik hier voor een uitvergroting
Vóór de kwartierwoning aan de Veenendaalseweg in Rhenen. (1939) » meer
In de nacht daalt de temperatuur behoorlijk. Ik krijg het koud. Wat lopen en bewegen moet dat verdrijven, wat ten dele lukt. Tegen het ochtendgloren komt weer een volledige vuurpauze, die lang aanhoudt. Dan is het in de omgeving erg stil. Slechts het gevechtsgeluid op afstand is te horen en nu uit vele richtingen. Nu zijn er ook weer wat vogels te horen. Tijdens het vuren van artillerie en mitrailleurs was er geen vogel te zien geweest. Er komt brood en koffie van de keukenwagen. Dat zal de laatste keer zijn maar dat weten we niet. Van de secties zijn er nu berichten van meerdere gesneuvelden en gewonden. Of en hoe deze worden afgevoerd vernemen we niet. De dag vergaat als die van gisteren, maar een grotere aftakeling wordt voelbaar. Ik weet niet of iemand in de stelling zich er van bewust is dat het zondag is en Eerste Pinksterdag. Tegen 12 uur is het schieten weer begonnen. Later hebben we vernomen dat bij deze beschietingen ook vaak gebruik werd gemaakt van zgn. pfeiffenpatronen. Wij wisten niet eens van het bestaan daarvan. De schaarse berichten die via telefoon of ordonnans binnenkomen, zijn verward en meestal weinig hoopgevend. Dan komt in de loop van de middag het bevel dat alles gereed moet zijn voor een grote tegenaanval. Deze zal geschieden onder leiding van majoor Jacometti, onze bataljonscommandant. Het zal tegen vijf uur geweest zijn dat de gehele commandogroep inclusief de kapitein en de sergeant-toegevoegd (sergeant Smit) bevolen wordt zich naar de meest oostelijke punt van onze stelling te begeven, waar gedeelten van de tirailleurssecties met majoor Jacometti aan het hoofd zullen aansluiten om de tegenaanval te ondernemen. Ver na de oorlogsdagen vernamen we dat het de bedoeling was geweest een veel grotere aanvalsmacht samen te stellen. Dat wordt uitvoerig beschreven in het boek van Majoor Brongers "Grebbelinie 1940", waarin ook vrij gedetailleerd de vaak chaotische verwarring in het gevechtsterrein is vermeld.

Als we 20 meter van ons onderkomen verwijderd zijn komt de sergeant Smit tot de constatering dat de commandopost met telefoon enz. toch niet geheel onbeheerd kan blijven. Ik krijg opdracht terug te gaan en daar de wacht te betrekken. Dan komen voor mij de meest enerverende uren van de oorlog. Moederziel alleen in of bij het onderkomen te verblijven. Luisterend naar ieder verdacht geluid. De karabijn schietgereed in de hand. Opmerkelijk is dat de granaatbeschieting op onze stelling is opgehouden. Maar des te meer geratel van machinegeweren - op enige afstand - is te vernemen. En dan vanuit het oosten en het noordoosten het hoorbaar, niet aflatend geweld. Natuurlijk gaan nu nog meer de gedachten naar de liefsten in Arnhem. In Arnhem? Zouden ze daar nog zijn? Zouden ze nog leven? Zullen? Dan, terwijl ik voor de zoveelste maal in het stuk loopgraaf vóór de commandopost loop, voel ik op mijn helm een tik. Dit tegelijkertijd met het geluid van een kort salvo van een lichte mitrailleur (waar ik het voor houd). Ik denk aan een wegspattend steentje van de loopgraafberm. Een minuut later aan het andere eind van de loopgraaf dezelfde ervaring. Maar nu ketsen twee kogels op mijn helm af en de rest van het salvo slaat in de rand van de loopgraaf. Dat het kogels zijn, realiseer ik me op dat moment en kan dan enigszins bepalen waar deze vandaan komen. Ik kwam tot de bevinding dat de schutter of schutters in de boomgroep moesten zitten, die op ongeveer 50 meter vóór de stelling in het veld stonden. Mijn natuurlijke reactie was bukkend dekking zoeken achter het aarden talud van de loopgraaf. Als ik dan, tegen de wand gedrukt, probeer de boomgroep in het zicht te krijgen over de taludrand, volgt prompt een salvo op die plaats gericht. De schutters zaten dus dermate hoog dat zij enigszins in de loopgraaf ter plaatse konden kijken. In het gebladerte waren ze voor mij niet zichthaar. Ik snelde naar de telefoon, bereikte vrij vlug het bataljonscommando en deelde mee dat de aanvallers via de bewuste bomenrij, onderdelen van de stelling onder vuur namen.

Korte tijd later kwam er vuur van onze artillerie door de boomgroep. Blijkbaar met succes want het schieten daaruit herhaalde zich niet meer. Inmiddels was het schemer geworden en daardoor werd het uitzicht op het veld moeilijker. Dan op een goed moment zie ik een hele groep door de loopgraaf naderen. Het is onze commandogroep die terug komt van de tegenaanval. Allen vuil van stof en wit van spanning en emotie. De tegenaanval is als het ware verzand in het niets. Eén van onze groep is gesneuveld. Jopie Schuilenburg, de meest vredelievende en naïeve jongen van onze groep. Ook majoor Jacometti is gesneuveld en van de secties meerdere soldaten en enkele sergeanten. Van Wim Rutten krijg ik naderhand het verslag hoe Jacometti met getrokken klewang, ongedekt op de moffengroep afging waarop de aanval werd gedaan, schreeuwend: "We zullen ze er wel even uitjagen". Bij de terugkeer zijn met onze groep twee kapiteins en enkele manschappen meegekomen, behorende tot het 11e R.I. Zij waren gelegerd achter de waterlinie en gezonden ter versterking. Ze zijn totaal onbekend met het terrein en de situatie. De stemming in de commandopost is na de mislukte tegenaanval gedeprimeerd. Gedurende de gehele avond en nacht worden onze stellingen beschoten door granaatvuur, dat vóór, achter en naast ons onderkomen terecht komt. Daarenboven is het niet aflatende geluid van gevechtshandelingen op afstand. De nieuw aangekomen versterking probeert de stemming wat op te monteren. Maar de voortdurende beschieting maakt ook hen murf.

Klik hier voor een uitvergroting
Vóór de kwartierwoning aan de Veenendaalseweg in Rhenen. (1939) » meer
Maandag 13 mei, 2e pinksterdag, 's ochtends weer een vuurpauze. De telefoonverbinding voor de zoveelste maal verbroken, wordt weer hersteld. Van de secties in het voorterrein wordt praktisch niets meer vernomen. Ook met de keukenwagen is geen kontact meer. Maar behoefte aan eten is er toch niet. Er is nog wel drinkwater voorradig. Als de morgen verder gevorderd is worden de beschietingen hervat. We hebben geen gevoel meer voor tijd. De granaatinslagen komen steeds dichter bij en af en toe brokkelt er iets af van de wanden tengevolge van de trilling in de grond. Met de artillerie in Achterveld hebben we nog één keer kontact en vragen hun nog eens dringend de voor ons onzichtbare vijandelijke stukken te bestoken. Dat gebeurt ook wel, maar de vijand is zo talrijk en goed gecamoufleerd, dat het resultaat niet veel betekent. De kanten van de loopgraven worden nu geraakt door granaten of scherven. Weer is de telefoonverbinding verbroken. Onze munitie raakt op. Wij zijn ingesloten door voortdurend vijandelijk vuur. Dan brengt iemand - sergeant Smit? - ik weet het niet meer - de gedachte te berde aan overgave. Eén der kapiteins van 11 R.I. wil er niet van horen. Kapitein Hakkert zegt niets. De beschieting wordt met het kwartier heviger. In het dak van het onderkomen wordt een klein gat geslagen. Weer komt het woord ergens vandaan: "Overgeven". De kapiteins overleggen samen en mede met instemming van de meerderheid van de aanwezigen wordt besloten tot overgave. Een in de stelling aanwezige proviandzak (of iets dergelijks) wordt opengesneden en op een paar staken op het dak van de commandopost geplaatst. Korte tijd later horen we van verschillende kanten het schieten met mitrailleurs naderbij komen. Dat groeit aan tot een hels lawaai. Dan schreeuwen de officieren, die de Duitse taal meester zijn: "Wir übergeben uns, wir übergeben uns"...

Twee handgranaten worden in het onderkomen gegooid. Deze exploderen maar wonderlijk genoeg veroorzaken de scherven geen verwondingen van betekenis. Ik krijg enkele schrammen aan de linkerhand. Dan klinkt een bijna dierlijk geschreeuw: "r'aus!, 'r aus!, 'r aus!" Wij komen uit het onderkomen, de handen hoog. We staan oog in oog met een troep wezens die meer op duivels dan op mensen lijken. Gezichten zwart; op de helmen takken van struiken en gekleed in camouflagepakken zoals wij nog nooit hadden gezien. Laarzen. Machinepistolen in de aanslag. Koppels met aanbengelende handgranaten. Ogen dronken van drank en moordlust. We worden gesommeerd uit de loopgraaf te klimmen en onze jassen uit te trekken. Alles wordt opgejaagd met allerlei kreten, en als het even kan schoppen onder onze kont.

Nu blijkt dat de aanvallers ook kleine stukken geschut meevoeren. Wij worden onder bedreiging met de pistolen gedwongen deze stukken geschut in stelling te brengen op een heuveltje in het terrein en te richten op de streek van waaruit door onze artillerie geschoten wordt. Dan volgt de ploertigste streek die ik in de oorlog mee maakte. We moeten naast de stukken een muur vormen, man aan man naast elkaar staand, met het gezicht naar de vuurrichting van onze artillerie gekeerd. Achter deze levende muur en liggend achter de heuvel bedienen de moffen nu de opgestelde stukken en vuren onophoudelijk. Zo staan wij bloot aan het vuur van onze eigen artillerie. Die geeft enkele salvo's. De man naast mij wordt door een scherf in de voet getroffen en valt kermend op de grond. Blijkbaar heeft men waargenomen wat er gebeurt want het schieten van onze artillerie stopt. Dan staken ook de moffen het vuren en het wordt stil op het slagveld. Voor onze oren, vervuld van die aaneenschakeling van geluid, zelfs heel stil. Met veel getier en gedreig wordt ons bevolen ons in marsorde in rijen van 3 op te stellen. Mijn korte jas is niet meer te vinden. Ik pak een lange jas die daar ligt, om tenminste iets aan te hebben. Dan gaan we, handen omhoog of, later, gevouwen in de nek. Aan weerszijden van de colonne een aantal moffen met het wapen in de aanslag. Via de Levendaalseweg en de Wageningse straatweg komen we onderaan de Grebbeberg bij het sluisje. Halverwege de berg doen de moffen hun gasmaskers voor. Ons bevangt de angst voor gifgas. Doch het blijkt een rookgordijn te zijn ontstaan door het verbranden van opstallen en hout. Wat we aan bebouwing passeren is kapot geschoten en deels uitgebrand. Voorbij het sluisje, in het vlakke terrein liggen verspreid gesneuvelden. Waar de weg naar het oosten ombuigt, hangt, geknield in de prikkeldraadversperring een Nederlandse soldaat, de handen ten hemel gevouwen als in gebed.

Die aanblik - een onvergetelijke - werkt als een schok en verlost mij uit een toestand van verdoving en automatisch handelen waarin ik, sinds het exploderen van de handgranaten in de commandopost, was geraakt. In snel marstempo wordt de tocht voortgezet. De stalen asperges (in het wegdek schuinstaande aangepunte balken) die wij passeren zien er gevaarlijk uit, doch in het licht van het oorlogsinferno belachelijk. In één van de eerste huisjes aan de linkerkant van de straatweg naar Wageningen werd ons rust gegund. Het huis was ingericht als verbandplaats en eerste hulppost. Ik herinner mij dat het huis een 20 meter van de weg af lag. Een kleine boerenwoning. Het dak toonde rode kruisen. De dakvlakken waren wit geschilderd met uitsparingen in kruisvorm van de rode dakpannen. We kregen vers, helder water te drinken, een weelde na bijna vier dagen strijd en ontbering. In vergelijking met de toestand op de Grebbeberg - toch slechts enkele kilometers hier vandaan - was het hier bijna rustig te noemen. Al klonk voortdurend gevechtslawaai op afstand. Aan de oostzijde grensde het huis aan een bongerd en daar stond onder de bomen een grote macht aan Duitse gevechts- en vrachtwagens.

Na een halfuur of daaromtrent werden we weer in marsorde bevolen en, lopend, weer handen in de nek, ging het naar Wageningen. Wat we daar te zien kregen, vervulde ons met verbijstering. Het centrum was één rokende puinhoop en behalve Duitse soldaten en auto's was er geen leven te bespeuren. Nu we via bioscoopjournaals en via de TV zoveel verwoestingen tengevolge van oorlogsgeweld hebben gezien zijn we met deze beelden helaas vertrouwd. Maar toen was het iets verpletterends. Voort ging het door Wageningen tot op het landgoed "Bel Monte", waar al veel krijgsgevangenen, gezeten op het gras, wachtten op wat gebeuren ging. Het zal ongeveer 5 uur geweest zijn, toen een aantal open vrachtauto's het terrein op reden, waarop wij moesten plaats nemen. Van onze commandogroep waren we met drie man bij elkaar gebleven, waar we wel erg blij mee waren. Met Wim Rutten en Martien Knipscheer kwam ik ook op dezelfde auto terecht, de rest van de groep op een andere wagen. De rit ging naar Arnhem en in vrij snelle vaart. Door de ingang aan de Vijverlaan gingen we het terrein van de Menno van Coehoornkazerne op. Bij het toegangshek stonden honderden mensen. Toen onze groep daar passeerde klonken over en weer wat herkenningskreten. Voor geen van ons drieën was er echter een bekende te zien. Veel later, na thuiskomst, vernam ik, dat mijn vrouw met Trudy daar eerder ook had gestaan en dat ze van Klaas Wichems - een oude bekende van ons - toegeschreeuwd had gekregen, dat ik ook krijgsgevangene was. Als dan enige dagen later het Rode Kruis thuis bericht dat mijn oorlogszakboekje en mijn herkenningsplaatje op de Grebbeberg gevonden zijn, dus dat ik tenminste vermist maar mogelijk gesneuveld ben, dan is die kreet van Klaas toch één van de dingen waarin mijn vrouw steun vindt om te blijven vertrouwen op mijn terugkeer. N.B. Zakboekje en plaatje zaten in mijn korte jas, die ik op de Grebbeberg moest uittrekken en waren bovendien duplicaten.

We werden die nacht gelegerd in het nieuwe kazernegedeelte zogenaamd "op de bult". Er was al een groot aantal krijgsgevangenen ondergebracht. Na enkele uren van onrustige slaap, werden we om 5 uur weer opgejaagd en op open vrachtauto's "geladen", waarna de rit naar Duitsland begon. De tocht voerde nota bene over de Johan de Wittlaan. En zo passeerde ik op honderd meter afstand ons huis in de Schimmelpenninckstraat. Met een snelle blik in de straat kon ik alleen constateren dat, voor zover te zien het huis onbeschadigd was. Verbleven daarin mijn vrouw en Trudy? Op elke auto zaten twee Duitse soldaten met het wapen in de aanslag. Van de auto afspringen betekende een zeker einde, maar de aanvechting was groot. Tegen 7 uur arriveerden we in Emmerich op een groot omrasterd terrein. Gedurende de hele dag kwamen hier groepen krijgsgevangenen binnen. Kennelijk was het hier een verzamelpunt. Het was helder weer, de zon scheen fel, de wind was hard en koud. Het gevoel van "het koud hebben" werd verhevigd doordat het gebrek aan slaap en eten steeds meer merkbaar werd. Tegen de avond werden we in goederen wagons "verpakt" en vervoerd naar Bocholt. Daar verbleven we 6 dagen in een tentenkamp. We sliepen op stro. Als hoofdkussen werden de schoenen er onder gestopt. Als deken diende de overjas. In de eerste dagen werden met Duitse "Gründlichkeit" onze persoonsgegevens verzameld en werden we een paar maal ingeënt. In het kamp stonden enige grote luidsprekers waaruit af en toe marsmuziek klonk en op vaste tijden snorkerige oorlogsberichten van de gevechtsfronten doorkwamen. Daaruit vernamen we o.a. de aftocht van onze regering etc. naar Engeland en aanstelling van de "Generaal-der-flieger" Christiansen tot "opperbefehlshaber" in Nederland.

We vernamen ook dat de Nederlandse bevolking zo "blij" was met de komst van de moffen, die hadden ons beveiligd tegen een Engelse inval! In die week kwamen we af en toe in gesprek met een Duitse onderofficier. Door het kamp "zwierven" enkele onderofficieren zonder daar enige functie te hebben. Blijkbaar werd het "Fronturlaub" door hen daar doorgebracht. De verhalen die deze heren ons vertelden over de successen van hun legers en van de Führer, gaven ons gevoel van verslagenheid en bracht velen in een stemming van: "wat een organisatie, geen wonder dat wij met onze uitrusting en opleiding daar tegenover niets of heel weinig konden uitrichten".

16 Mei, Henny's verjaardag en 19 mei onze trouwdag gingen meer nog dan de andere dagen mijn gedachten naar huis. Dinsdag 21 mei werden we weer in goederen- of beestenwagens geladen en op transport gesteld. De ventilatieopeningen in de wagon gaven enige gelegenheid om een enkele maal een naam te lezen van een station dat we passeerden. De zonnestand verraadde dat we in noordelijke richting reden. Matige snelheid; soms werd enige tijd gestopt. Tegen de avond veranderde de rijrichting en werd meer oostelijk. In elke wagen bevond zich 50 man. De noodzakelijke behoeften die elk op z'n tijd moest verrichten gebeurde in een van de hoeken. Begrijpelijk is dat zulks al gauw een smerige toestand veroorzaakte. Op zeker moment stopte de trein. Het was inmiddels donker. Maar het was een heldere avond; sterren flonkerden aan de hemel. Met ons beperkt zicht konden we toch vaststellen dat we ons op of bij een spoorwegemplacement bevonden. Later heb ik kunnen reconstrueren dat het waarschijnlijk dat van Bremen was.

Plotseling begon het hevig te onweren. Althans die indruk hadden wij. Spoedig begrepen we dat een donderslag uit heldere hemel ook hier een wonder zou zijn geweest en wisten we dat er met mitrailleurs werd geschoten en met luchtdoelgeschut. Kennelijk waren er Engelse (?) vliegtuigen boven ons. Wat die zouden doen, kon je alleen maar afwachten. Dan voel je je echt overgeleverd aan iets waar niet tegen te vechten is. Met 50 man opgesloten in een veewagon, waarboven wordt gevochten en misschien gebombardeerd en waartegen je op geen enkele wijze dekking kunt zoeken laat staan je verweren. Na verloop van een uur hield het schieten op en enige tijd later ging de rit verder. De rijrichting was in de nacht niet meer te bepalen. In de ochtend stopte de trein weer korte tijd en via het luchtrooster was een station te zien met de naam Rostock. Afgaande op de klank dacht ik, dat we in Polen waren, mijn aardrijkskundige kennis van die streek was niet zo groot. Door de nu opkomende zon bleek dat we verder in zuidelijke richting reden. Om een uur of elf stopte de trein weer. De wagens werden ontsloten. Dan volgde het bevel uit te stappen en op te stellen in marsorde. Alles gepaard met de bekende kreten waarvan de leiders en hun trawanten zo graag gebruik maken. Het bleek dat we op een geïmproviseerd perron stonden, een verlengstuk van het station Neu-Brandenburg. We marcheerden af onder begeleiding van een aantal soldaten van de "wehrmacht", natuurlijk met het schiettuig in de aanslag. De tocht naar het krijgsgevangenenkamp Stalag II was niet eens onprettig na een verblijf van meer dan een etmaal in een goederenwagen.

In het kamp werden we ondergebracht in houten barakken. Deze waren in verschillende groepen onderverdeeld. Later bleek één groep "bewoond" te worden door Poolse krijgsgevangenen, een andere door Franse. Maar wij, als zijnde van Germaanse stam, werden op enige afstand daarvan "gehuisvest". Dat betekent te slapen in kribben in lange rijen en boven elkaar geplaatst en in alle richtingen zo dicht op elkaar dat je er ternauwernood tussendoor kunt lopen. Enige honderden Nederlanders zijn daar reeds. Na enige tijd komt het bevel tot verzamelen op de appèlplaats, een groot kaal zandveld waar aan weerszijden manshoge luidsprekers staan opgesteld. De man die wordt aangeduid als kampcommandant houdt in het Duits een toespraak, zoals gewoonlijk voorzien van de nodige brallende woorden. Een Nederlandse onderofficier geeft de vertaling. Dan, terug in de barak komen de gamellen met koolsoep, die, door de inmiddels aangewezen barakoudsten wordt uitgeschept in de daarvoor verstrekte blikken schaal. Deze schaal dient ook als wasblik voor je uitwendige lichamelijke verzorging. De soep, waarvan we later nog vaak zouden "genieten" was een waterig geval waarin stukjes kool, sagokorrels en zelfs enkele minieme stukjes vlees dreven. Het geheel was snel in de hongerige magen verdwenen. Het blik afwassen ging makkelijk, want het vetgehalte van de soep was waarneembaar laag. Daarna begon de lange avond die doorgebracht werd met praten, zwijgen en op de krib liggen, waar een schaars beetje stro en een "paardendeken" het enige comfort verschaften. In die krib zou ik de komende nachten doorbrengen. Hoeveel nachten wist ik niet. Maar ze waren de grootste marteling van de krijgsgevangenschap door de onzekerheid en de angst omtrent vrouw en kind en het kind dat verwacht werd. Vragen over de dingen die stonden te gebeuren. Overdag had je je kameraden, waarmee je de Grebbeberg had meegemaakt en overleefd. In het kamp kreeg je nieuwe kennissen. Vogels van zeer uiteenlopend pluimage. Een marinier die bij Rotterdam had gevochten, een gevluchte grenswachter, een joodse jongen doodsbang - terecht - voor alles wat naar zijn verwachting komen zou. Praten, praten en nog eens praten over alles van de achter ons liggende dagen. Maar in de nachten viel je op jezelf terug. Het snurken, het rochelen en het soms hardop dromen van de barakgenoten was dan je enige gezelschap. Denken en bidden je enige bezigheden gedurende de tijd dat je niet kon slapen. Al of niet dromend over thuis, de tijd dat je sliep.

De eerste dagen was het telkens weer aantreden voor het opgeven van allerlei administratieve gegevens (al weer). De ochtend begint met een schop of een klap tegen de deur van de barakafdeling. Dan de enkele malen herhaalde kreet: "Aufsteh'n und jetzt gleich kaffee holen". Dan moet je zorgen bij de uitdeelplaats te zijn, waar je een stuk zure, Duitse kuch krijgt van ongeveer 4 sneden met soms een stukje plantenboter of een lik "Marmelade", dat is een soort gekleurde, zoetige aardappelmeelgelei. Dat brood is bedoeld tot de volgende morgen. De "Kaffee" is een bruingekleurde, min of meer drabbige vloeistof uiteraard gemaakt met gebruik van "Ersatz". Het middagmaal is meestal pellkartoffeln, al of niet met een groene brei, soepachtig, waarin ook wel eens een stukje vlees verdwaald is. Uit een etensblik is deze substantie moeilijk te verorberen. Ik heb in de volgende dagen met een zakmes een lepel gesneden van een stukje hout, gevonden in het kamp. De lepel is thuis nog lang bewaard. De pellkartoffeln worden door de etenhalers (onder begeleiding) in een grote kist van bijna 1 kubieke meter binnen gebracht aan twee draagstokken. De uitdelers doen hun best ieder de hun toekomende (5) aardappelen te geven. Maar die zijn natuurlijk niet allemaal even groot en daardoor oorzaak van conflicten. Als allen hun portie hebben, blijven in de kist wat resten en vellen achter. Daarom wordt een hevig gevecht geleverd door enkele zeer hongerigen. Naarmate het verblijf langer duurde, namen deze gevechten ergere vormen aan. Het gebeurde dat twee of drie man op hun kop in de kist doken om kruimels te vreten. Iedere avond om 6 uur moesten allen aantreden op de appèlplaats. Daar werden via de geluidsinstallatie alle nieuwe overwinningen en heldendaden rondgeschreeuwd. Vooraf gegaan door en besloten met marsmuziek. Hier "leerden" we: "Die Fahne hoch...." en "Wenn wir fahren gegen England" en hier werd geprobeerd ons te indoctrineren voor de heilstaat van Hitler. In de zogenaamde "weermachtsberichten" vernamen we ook enigszins wat er in Nederland gebeurde, al begrepen we dat een en ander naar believen gekleurd was.

Af en toe werden we ingezet bij het versjouwen van kampmateriaal: palen, balken enz. van de afrasteringswerken, die nog steeds werden verbeterd. Vele dagen scheen de zon en de schrale wind voerde overal de geur mee van koolteer of carbolineum waarmede het hout van de barakken was behandeld. Als ik na meer dan 40 jaar deze lucht waarneem, verhit door zonnewarmte, komt altijd het beeld van Neu-Brandenburg boven. Zeep was er niet, behoudens een klein stukje scheerzeep van Martien. Om je te wassen nam je een etens/wasblik water en daarmede werden de onbeklede delen enigszins gereinigd; soms met wat zand als schuurmiddel voor de handen. Drogen deed de zon of/en de wind. Scheren deden we ons de eerste drie dagen. Toen was het enige mesje zo bot, dat het niet meer ging.

Naarmate de dagen verliepen nam het hongerige gevoel toe. De keukenbarak stond enigszins centraal in het kamp, door een afrastering van de overige barakken gescheiden. Naast de zijgevel van de keuken stonden afvalbakken. Daarin werden onder meer de botten gegooid die na het soep koken overbleven. Het kwam voor dat jongens over de afrastering klommen en probeerden uit de afvalbakken weggeworpen zaken te bemachtigen om die te consumeren. Binnen de omheining was een bewaking door een bewapende soldaat vergezeld van een hond. Op het moment dat deze aan de achterzijde van de barak was, lukte het soms iets te pikken. Bij ontdekking werd hard opgetreden. Begrijpelijk werd de stemming met de dag meliger, maar de kameraadschap leed er niet onder. Martien had een nare handicap. Als hij een dag niets te roken had kreeg hij in hevige mate constipatie en werd daar ziek van. Na een paar dagen was de voorraad aan rookwaar praktisch verdwenen. Maar met allerlei helpers lukte het te zorgen dat Martien elke dag, al waren het maar een paar trekjes, te roken had. Soms was het tabakstof uit een jas- of broekzak, in een stukje gevonden papier. Na ongeveer een week kampverblijf werden briefformulieren verstrekt om naar huis te schrijven. Het was ons duidelijk dat de brieven mogelijk zouden worden gecensureerd, dus was voorzichtigheid geboden. Op de beperkte schrijfruimte schreef ik over velerlei zaken. Ik schreef ook: "Als het nodig is, vraag dan aan Gradus van Dalen het ledikantje af te maken". Daar was ik mee bezig in de mobilisatietijd op de dagen dat ik met verlof thuis was. Het was bedoeld voor Trudy als ons tweede kind geboren zou worden. Ik wist immers niet of en zo ja wanneer ik weer thuis zou komen. Van Dalen woonde dicht bij ons, was een goed vakman en vriend. De brieven werden verzameld. Ze zijn ongeveer 10 dagen later thuis bezorgd. Inmiddels werd er door de kampleiding gelobbyd voor werk buiten het kamp. Er waren inderdaad enkelen die er op ingingen. Deze vertrokken 's morgens onder gewapend geleide uit het kamp en keerden 's avonds op dezelfde wijze daarin terug. Dan kwamen de verhalen over het makkelijke werk in de fabriek, het lekkere eten dat ze daar hadden gehad enz. Maar het had niet tot gevolg dat er zich meer werkers aandienden.

De avonden in het kamp waren vervuld van heimwee en onrust. Soms werd dat nog verhevigd door gezang van bekende liedjes. In onze barak was een jongen gelegerd met een mooie tenor die zonder begeleiding van muziek zeer gevoelig kon zingen. "Ik hou van Holland" was één van z'n succesnummers. Maar ook bijvoorbeeld van Franz Lehar: "Es steht ein soldat am Wolgastrand". Menigeen kreeg dan een brok in zijn keel. Op één of andere wijze was ook een uit het Duits vertaalde roman in de barak terecht gekomen. Het boek over het leven van een paar armoedige mensen - de titel weet ik niet meer - ging van hand tot hand en werd werkelijk stuk gelezen. Het was het enige stuk lectuur in onze barak.

De tweede zondag in het kamp werd op de appelplaats een H.Mis opgedragen. De deelname daaraan was enorm. Het uitreiken van de H.Communie geschiedde door zo'n 20 personen die voor die gelegenheid "even" waren gewijd. Het was overweldigend. De 9e juni werden alle Nederlandse krijgsgevangenen op de appèlplaats bevolen en daar kwam de mededeling dat allen op korte termijn zouden repatriëren. De volgende ochtend reeds moest de helft vertrekklaar gereed staan. Meteen werd er een denkbeeldige lijn getrokken tussen alle aanwezigen die daardoor in twee ongeveer gelijke groepen werden gescheiden. Door één of andere omstandigheid stond ik op dat moment op enige afstand van Wim en Martien. Tengevolge daarvan gingen zij de volgende morgen weg en moest ik nog twee dagen wachten om met de andere groep mee te gaan. Die avond, de 9e juni dus, schreef ik een brief voor thuis. Hoe ik aan het papier kwam, weet ik niet meer, maar het was er. Wim nam de brief mee en heeft hem direct na aankomst keurig bezorgd. De volgende ochtend vertrokken mijn kameraden met het eerste konvooi. In het Nederlandse gedeelte van het kamp was het toen opeens veel stiller. De twee volgende dagen waren moeilijk door te komen, want er speelde de vrees dat misschien een kleinigheid het vertrekschema zou kunnen veranderen of zelfs geheel teniet doen. Ik besteedde de tijd om lichamelijk zo veel mogelijk fit te blijven. Ik poogde mezelf helemaal te wassen. Met het botte mesje werd geprobeerd de baardstoppels te verwijderen; het gaf meer pijn dan gladde huid. Kleren fatsoeneren ging vlug, het was alleen wat ik aan had. Een navrant voorval moet ik nog vermelden. Van degenen die buiten het kamp gewerkt hadden, waren er enkelen die het daar verdiende geld hadden besteed aan speelgoed voor hun kinderen thuis. Dat speelgoed bestond goeddeels uit nagebootst oorlogstuig: soldaatjes, tanks, luchtafweergeschut en zelfs kanonnen voorzien van een systeem met vuursteentjes, zodat bij het rijden "echt" geschoten werd. Ik was sprakeloos toen ik dat zag.

12 Juni 's morgens om 8 uur werden we "afgevoerd". Lopen naar het station en daar instappen in de gereedstaande trein van goederenwagens. Dat ging alles vrij vlot en dan begon de rit. Velen waren met mij echter nog steeds met wantrouwen vervuld aangaande de bestemming van de rit. Doch gaandeweg, spiedend door het ventilatierooster, was aan de hand van stationsnamen waar te nemen dat de tocht richting Nederland ging. De avond viel. Door het eentonige gedreun van de wagen en vermoeid door emoties dommelde ik af en toe in. Het meegenomen brood was genuttigd. Tegen het aanbreken van de dag kwam de ochtendkou in de bedompte ruimte, die niets beter was dan die waarin de heenreis werd gemaakt. Naarmate er wat meer bekend lijkende stationsnamen werden gesignaleerd, werd de stemming wat vrolijker.

Toen, om ongeveer half negen, passeerde de trein de grens en om negen uur stond hij stil op het station Westervoort. De schuifdeuren werden geopend "Aus steigen". Op het perron opstellen en in groepen van 40 man afmarcheren onder commando van Duitse soldaten. Buiten het station stonden vrachtauto's. Daarmee werden we verder vervoerd. De gecombineerde brug voor trein- en wegverkeer over de IJssel was in mei door onze soldaten opgeblazen, dus niet te gebruiken. De Duitsers hadden er een pontonbrug naast gelegd en daarover reden we naar Arnhem. Zodra we daar binnen de bebouwde kom kwamen, met name op de Johan de Wittlaan, zagen we ter weerszijden van de straat vele mensen die zwaaiden en ons toejuichten. Ter hoogte van de Schimmelpenninckstraat stond bij de menigte ook onze straatgenote Toos Janssen-Rijzewijk. Toen ze mij zag, riep ze uitzinnig van vreugde: "Jan, Jan! Alles is goed thuis". Het was een juichkreet en ik zal die nooit vergeten. De auto's reden naar het Velperplein. Daar was een vierkant gedeelte afgezet met paaltjes van 1 meter hoog waarlangs een touw was gespannen. Opgesteld in rijen en colonnes werd ons een welkom toegesproken door een of andere autoriteit. Opeens waren er geen Duitse soldaten meer en Nederlandse politieagenten regelden de opstelling. Aan het slot van de toespraak werd ons medegedeeld dat wij eerst naar het Sportfondsenbad zouden gaan voor reiniging (lees: ontluizing), voor ontvangst van eventuele ontbrekende kledingstukken en - minstens zo belangrijk - het nuttigen van een maaltijd. We zouden daar ook vernemen op welk burgeradres we die nacht moesten verblijven want dat mocht nog niet in eigen huis. De berichtgever was nog niet helemaal uitgesproken toen er ergens enige beweging ontstond bij de toeschouwers die in dichte rijen rond de afzetting stonden. Het was recht tegenover de plaats waar ik stond. Op dat moment werden mijn ogen getrokken naar die plek. Daar kwam, onder het touw van de afzetting door, een vrouw, mijn vrouw, als het ware gekropen, met een kind, Trudy op de arm. Op het zelfde moment rende ik uit de rij en met verachting van alle bewaking - die overigens niets deed - holden wij op elkaar toe en omhelsden elkaar. Dat was een zo emotionele ontmoeting dat ik die niet nader omschrijven kan. Van Toos had zij vernomen dat ik aangekomen was en zonder verder aan iets anders te denken, was ze met Trudy op de arm en onze tweede in haar schoot naar het Velperplein gesneld. Het gebeurde vond navolging. Het leek of er een ban doorbroken was. Op verschillende punten vonden ontmoetingen plaats tussen krijgsgevangenen en familieleden. Thuis vernam ik later dat Henny met Trudy in de kinderwagen uren had staan wachten op de Johan de Wittlaan en dat ze net naar huis was om Trudy doodvermoeid naar bed te brengen toen Toos kwam aanhollen met de mededeling dat ik net was gepasseerd. Na enige tijd was "de orde" hersteld en stonden allen weer in het gelid.

In het Sportfondsenbad werden we gereinigd, geschoren, gekleed en gevoed. De voeding afgestemd op onze magen, die wekenlang calorierijk voedsel waren ontwend. Na deze restauratie mocht ik naar huis tot 11 uur 's avonds. Een grote schaar familieleden en bekenden was thuis verzameld ter verwelkoming. Allen verkeerden nog in goede welstand. Oom Piet had voor een grote taart gezorgd. Een gewaarwording was het heerlijke blanke tarwebrood dat toen nog voldoende verkrijgbaar was. Op zich een delicatesse na wekenlang met zure kuch te zijn gevoed. Er waren veel dingen waar een krijgsgevangene na behouden thuiskomst blij en dankbaar voor was. Bij een familie wonende aan de Oude Velperweg, waar ik de nacht moest doorbrengen werd ik heel hartelijk ontvangen. Het slapen in een echt, zij het vreemd bed was een nieuwe belevenis. De volgende ochtend na een fijn ontbijt moest ik me afmelden bij een bureau in de Menthenstraat en dan naar huis voor enige dagen verlof. Bij het afmelden werd ik officieel gedemobiliseerd en werd mij het achterstallige soldij uitbetaald van de laatste zes weken, alsmede de vergoeding voor het verblijf in krijgsgevangenschap. Bij elkaar een bedrag van bijna dertig gulden. De kostwinnersvergoeding, die mijn vrouw gedurende de mobilisatie ontvangen had, zou nog 14 dagen worden doorbetaald. Dan niets meer. Maar als ik geen werk had en dus geen middel van bestaan, werd ik opgenomen in de Opbouwdienst (verplicht) in dat geval ging de betaling door als tijdens de mobilisatie het geval was geweest. Die Opbouwdienst, enigszins geformeerd als een militaire organisatie had in verschillende plaatsen van ons land groepen ex-soldaten bijeen gebracht. Deze werden ingezet om oorlogsobstakels of overblijfsels daarvan, opgeworpen door het Nederlandse leger, op te ruimen.

Klik hier voor een uitvergroting
Jan Polman. » meer
Ik kwam terecht in Loenersloot, bij een groep die gehuisvest was in een schoolgebouw. De commandant was een ex-adjudant-onderofficier van middelbare leeftijd met nogal bewondering voor Hitler c.s. Dat zat dus met de meeste jongens niet zo best. Allen waren we gekleed in oude militaire kleding zonder onderscheidingstekens. Dagelijks gingen we het veld in om prikkeldraadversperringen op te ruimen, loopgraven te dichten enz. Iedere 14 dagen mocht je 2 dagen met verlof. Natuurlijk probeerde ik er zo gauw mogelijk uit te komen. Eind augustus kreeg ik extra verlof "om mijn vrouw, die in verwachting is, bij te staan". Na 10 dagen kreeg ik bevel om naar Loenersloot terug te keren, maar toen had ik inmiddels werk gevonden bij de Amsterdamse Ballast Mij. Het betrof grondwerk voor wegenaanleg in de omgeving van Arnhem. Zwaar werk, maar ik was weer thuis en dus in de gelegenheid werk te zoeken en te vinden in mijn vak.

In mei 1943 kwam het bevel van de bezetter dat alle Nederlandse militairen terug moesten keren in krijgsgevangenschap. Dit was bedoeld als represaille tegen de onwil en het verzet van de bevolking tegen de bezetter. Met medewerking van de huisarts en een met haar bevriende psychiater ben ik toen ondergedoken in het Z.P van het Gemeente Ziekenhuis. De staf en het personeel daar was een bolwerk van goede vaderlanders. Het onderduiken bleek niet overbodig. In de Johan de Wittlaan en aanliggende straten werd op zekere nacht de omgeving afgezet door de grüne Polizei en huiszoeking gedaan naar enkelen die zich ook niet hadden gemeld. De avond daarvoor waren ze (gewaarschuwd?) net op tijd vertrokken met onbekende bestemming. Na verloop van enkele maanden was het ergste gevaar voorbij en werd ik uit het Z.P. "ontslagen". Voor alle zekerheid kreeg ik van de specialist nog een verklaring mee over mijn gestoorde geestelijk vermogen. Die verklaring is nog lang bewaard gebleven. Mijn militaire dienstplicht was ten einde.

Jan Polman.
(1983/1984)

Bron: dagboek van dhr. Polman
(overleden donderdag 9 augustus 2001)

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 1
(PDF, 13.65 MB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 2
(PDF, 38.71 MB)