Duitse schendingen in de Voorpostenstrook (de Nude)


1. Dienstplichtig sergeant L. Meijerink, 3e Sectie van 1-III-8 R.I.:

Datum: 11 mei 1940 Plaatsgehad tijdens of direct na gevechtsaanraking: Ja
    "(...) Zoo zijn wij afgevoerd naar Wageningen. Daar was een mijnenveld. De stoottroepman die ons begeleidde liep met een magneet te zoeken. We werden vooruitgestuurd op den weg, waar een plank lag over een greppel en waar men mijnen vermoedde. (...)"

2. Dienstplichtig soldaat A.H. Könning, 1e Sectie van 1-III-8 R.I. op 12 juli 1940:

Datum: 11 mei 1940 Plaatsgehad tijdens of direct na gevechtsaanraking: Ja
    "(...) Zaterdagmiddag ca. 14.00 uur zagen we de Duitschers vóór ons naderen. Plm. na 10 minuten stonden ook een man of 7 achter op de stelling: we hadden niet gedacht aan beveiliging van de stelling. Zij schoten in de stelling en alle aanwezigen behalve ik werden getroffen. (...) Ik ben de eenige overlevende: ze hebben mij de schuilnissen laten losmaken en gooiden daar handgranaten in. De stroozakken werden in brand gestoken. Ik heb me laten vallen en toen de Duitschers weg waren ben ik nog door de stelling gekropen, maar alle soldaten waren dood. Daarna ben ik weggelopen. De Duitschers hebben nog op me geschoten en ik ben aan de arm gewond geraakt. (...)"

3. Dienstplichtig soldaat J. van der Linden, 3e Sectie van 1-III-8 R.I. in zijn dagboek:

Datum: 11 mei 1940 Plaatsgehad tijdens of direct na gevechtsaanraking: Ja
    "(...) De toestand werd voor de eerste stellingen onhoudbaar, en de vierde sectie langs de straatweg begon zich terug te trekken, zich aldoor goed verdedigende, wat voor de mitraillisten het sein scheen te zijn zich ook maar terug te trekken. Want al gauw daarna stond de witte vlag op de stelling. Wat door de wacht in de ingang werd opgemerkt en aan de majoor gerapporteerd. Die vroeg ons of er een vrijwilliger was om hem er af te gaan halen en direct meldde zich G. Migchelbrink uit Varsseveld. Dat was een karwei waar moed bij te pas kwam, want het vuur der Duitschers was hevig, en om bij die stelling te komen moest men door het eindje boomgaard en dan door open terrein. Maar het werd door Migchelbrink schitterend volbracht. Hij haalde de vlag er boven af, en kwam heelhuids weer terug. Hij werd door ons met vreugde weer ontvangen. We hadden zoo veel mogelijk in de richting waar we het meeste gevaar verwachtten, wat de Majoor ons dan ook had opgedragen, geschoten om onze dappere makker te dekken. Hij kreeg dan van de Majoor ook een welverdiend pluimpje. Daarna werd door de mitraillisten weer gevuurd. (...)"
    "(...) Toen we daar stonden, gereed om gefusilleerd te worden, kwam daar een officier der vijand aanhollen, al maar schreeuwende en zwaaiende met zijn armen. Die vond schijnbaar dat onze taak nog niet volbracht was, want hij wees met zijn handen schuin achter onze stelling en vandaar naar de dijk waar nog stellingen van de mitraillisten lagen, die nog genomen moesten worden. En die moesten wij nu, voor de vijand uit, mee in gaan nemen. Voorwaarts ging het, achter ieder onzer een vijand met mitrailleur of geweer en ook met pistool, zoveel mogelijk achter ons gedekt blijvend. Maar gelukkig voor ons waren er geen Hollanders meer in de stellingen der mitraillisten, op drie man na, die durfden niet onder het vuur der vijand met de anderen terug te trekken, en waren in de schuilnis blijven zitten. Die moesten nu ook mee, weer verderop waar nog stellingen van de tweede sectie onzer compagnie lagen. En voort ging het weer, over heggen en prikkeldraadheiningen, en ook nog door een tankval. Dat moest allemaal in tempo gebeuren, dat nemen der hindernissen, want ging dat niet vlug genoeg dan kregen we een prik van een bajonet te incasseren, of we werden er door getrapt. (...) Vlak bij de stellingen der tweede sectie gekomen, moest Albers het opgeven, door zwakte en bloedverlies, daar ook die was getroffen met het uit de stelling komen, door een der vijanden die met een pistool hem een kogel in zijn lichaam joeg. De wond bleek wel zoo groot als een vuist te zijn toen Nagelhout hem verbond, wat door de vijand werd toegelaten. In de stellingen der tweede sectie was ook geen man meer te bekennen. We gingen nu naar de commandostellingen waar de commandogroep met de kapitein hadden gezeten, maar al lang gevangen waren genomen. Daar werden nogmaals de zakken gerold of er nog wat van hun gading bij was. We raakten de portemonnaie met inhoud kwijt en andere bruikbare dingen. Van Katholieke jongens namen ze de rozenkrans af en wierpen die met veel spotternij en pret in de sloot. Een Duitscher die mij de zakken rolde nam mijn knipmes, dat een goed ding was, maar gaf me mijn portemonnaie terug, lachende alsof 't ie de goedheid zelf was. Daarna begonnen ze weer met zijn allen te schelden van "Holländer Schweinehünde" en nog veel meer lieve benamingen, welke we ook gedwongen werden dat zelf te zeggen, en wel met het pistool op de borst. (...) Na nog wat getreiterd te hebben werd er bij de Duitschers appel gehouden, en er zullen er waarschijnlijk wel een paar ontbroken hebben. Daarna beraadslaagden er eenige officieren of ze ons dien dag nog zouden gebruiken om vooruit te jagen tegen de Grebbe in, zooals onze sergeant, die de Duitsche taal machtig was, ons dat zei. Die kon het best hooren, want ze stonden vlak naast ons. Maar het scheen te laat te worden om dien dag nog verder aan te vallen met ons voorop. Er werd een man of zes geleide aangewezen om ons naar achteren te voeren. Maar voor we weg gingen werden eerst onze namen genoteerd als krijgsgevangenen. Daarna moesten we de korte jas uittrekken en aan de kant neergooien. Ik probeerde nog mijn portefeuille te grijpen maar meteen was er weer zo'n zwartnek bij, al schreeuwende en de bajonet klaar om te moorden, dus liet ik mijn zaakje maar in de steek en ging maar weer in 't gelid staan. Daarna ging het voorwaarts, steeds met de handen omhoog, en met een stel geleide of er wel een partij leeuwen weggebracht moest worden. We gingen een uitweggetje over naar de straatweg, waar we, aan het einde gekomen, moesten stoppen. Want er was een motorrijder de lucht ingegaan met het over een mijn rijden welke in de straatweg zat. Daarvoor lagen nu een partij Duitschers te wachten op een paar snuiters welke aan het zoeken waren of er soms nog meer lagen. Ze schenen daarvoor een soort magneet in de vorm van een halve maan te gebruiken, waaraan een lange steel zat en die ze als een wichelroede boven de grond hielden. Maar dat duurde schijnbaar te lang, want toen ze, ons in 't oog kregen staakten ze dat en werd de majoor met het pistool op de borst gevraagd op schreeuwtoon of er minen lagen, waarop de majoor antwoordde dat er geen lagen. Daarna werden wij ook nog weer een voor een, met een pistool op de borst, beschreeuwd of er minen lagen, waarop wij antwoordden dat er geen meer lagen. Maar ze vonden onze woorden wel niet erg betrouwbaar, want daarna joegen ze ons er eerst overheen, terwijl zij in de sloot dekten. (...)"

4. Dienstplichtig soldaat M. Peters, 2e Sectie van M.C.-III-8 R.I. in zijn dagboek:

Datum: 11 mei 1940 Plaatsgehad tijdens of direct na gevechtsaanraking: Ja
    "(...) Op een moment riep een Duitser dat hij zes Nederlandse krijgsgevangenen moest hebben, De achterste zes van onze rij werden daar voor aangewezen en daar was ik dus ook bij. We werden met onze handen in onze nek en blootshoofds naar de Nude gedreven en daar gedwongen het lichte veldgeschut van de Duitsers richting Grebbeberg te trekken tegen het Nederlandse vuur in. We hadden de dood voor ogen en in die omstandigheden wist ik niets beter te doen dan een Acte van Berouw te bidden. Al spoedig werd één van ons zessen getroffen en viel. Duitsers en Hollanders zochten dekking achter een huis, dat langs de weg stond, de gewonde bleef op de weg liggen. Een Duitser schold ons uit dat we onze kameraad op de weg lieten liggen en een van onze onderofficieren wees hem er op dat wij hen hier niet geroepen hadden en alles hun schuld was. (...)"

5. Dienstplichtig soldaat W.D. Jagtenberg van M.C.-III-8 R.I. in zijn dagboek:

Datum: 11 mei 1940 Plaatsgehad tijdens of direct na gevechtsaanraking: Ja
    "(...) Door de sloten langs de weg bewogen zich lange rijen Duitse soldaten richting Grebbeberg. De krijgsgevangenen werden gedwongen hun lichte veldgeschut over de weg richting Grebbe te trekken. Als dat niet vlug genoeg ging schoten de Duitsers onder barbaars gekrijs tussen onze benen door, kennelijk om de angst er goed in te houden. Onze angst, woede en vernedering was groot. Dat er tijdens deze operatie slachtoffers vielen was onontkoombaar want van de Grebbe werd hevig geschoten. Ik kreeg een kogel dwars door mijn knie en tuimelde in de sloot midden tussen de Duitsers in. (...)"

6. Dienstplichtig soldaat I. van Dam, 2e Sectie van 3-III-8 R.I. in zijn dagboek:

Datum: 11 mei 1940 Plaatsgehad tijdens of direct na gevechtsaanraking: Ja
    "(...) Wij werden nu met de handen omhoog tegen de muur van het huis geplaatst en dachten dat we werden doodgeschoten. De Duitschers hielden er echter een andere mening op na. Nadat we enige tijd zo hadden gestaan, werden er vier van ons gedwongen met de pistolen in de rug een stuk geschut te trekken, wat veel met onze pag. (pantserafweergeschut) overeen kwam. Na een paar honderd meter te zijn opgerukt werd het stuk in de stelling gebracht tegen de laatste voorposten van de Grebbe. (...) Al die tijd moesten wij bij het geschut blijven, maar toen de laatste stelling was genomen mochten wij ons dekken tegen het moordende vuur vanaf de Grebbelinie en lagen in een sloot. (...) Wij werden weer met pistolen bedreigd en gedwongen het geschut verder te voeren. De Duitschers liepen gedekt door de sloten langs de straatweg, wij echter bevonden ons ongedekt op de weg in het eigen vuur. Steeds vlogen ons de kogels om de oren en ketste voor en achter ons op de straatstenen. Als door een wonder werd er niemand van ons zwaar gewond, een echter had een schot door de spierbal wat echter niet hinderlijk was. (...) Bij de grenspaal van de provincies Gelderland en Utrecht was door de Genie een stuk van de weg opgeblazen, en nu moesten wij onder het vuur van onze troepen het gat met puin en aarde vullen. Dit duurde blijkbaar te lang want na een poosje kregen we bevel om er een brug over heen te slaan. Met zware balken en planken was dit binnen tien minuten gebeurd. Het vuren hield echter niet op en als door een wonder zijn we gespaard gebleven. Hoewel er verscheidene Duitschers geraakt werden. (...)"

7. Luitenant-Kolonel J.M. Kolff (Commandant 46 R.I., Brigade B) schrijft in 1940 in zijn dagboek:

Datum: 11 mei 1940 Plaatsgehad tijdens of direct na gevechtsaanraking: Nee
    "(...) a) dat reeds den eersten avond (10 Mei) de groep Betuwe door de stelling terugtrok en medegedeeld werd, dat de Duitschers geen gevangenen maakten. b) dat den tweeden dag (11 Mei) de voorposten vóór de Grebbestelling met witte vlaggen voorop, teruggingen en meerdere vluchtende groepen, zwemmende of met bootjes (van het pontveer bij Opheusden) over den Rijn trokken, o.a. een afdeeling van ca. 50 man, waarbij een officier, die later bleek te zijn de Luitenant Lindeman D.H. van 1-III-8 R.I., gruwelverhalen vertellende, o.a. dat de Duitschers geen krijgsgevangenen maakten, maar óf de Nederlandsche militairen ontwapenden en voor zich uitdreven om dienst te doen als scherm óf hen te samen dreven in een schuilplaats en er dan handgranaten in wierpen. (...)"

8. G. Stoffel, Verbindingsafdeling Staf-III-8 R.I., bij majoor Voigt tijdens verhoor op 26 mei 1940:

Datum: 11 mei 1940 Plaatsgehad tijdens of direct na gevechtsaanraking: Ja
    "(...) Omsingeld door Duitschers met Hollandsche soldaten met handen omhoog voorop. Toen niet geschoten! Toen ze gevangen waren moesten zij in hemdsmouwen en voor de Duitschers uit de kanonnen trekken. Deze dekten zich wel geregeld, zij moesten doorloopen, anders werden zij beschoten. Een hunner kreeg een schot in de borst, dezelfde kogel doodde zijn voorganger in het hoofd. (...)"

9. Dienstplichtig soldaat Brugmans, M.C.-III-8 R.I., tijdens verhoor op 26 mei 1940:

Datum: 11 mei 1940 Plaatsgehad tijdens of direct na gevechtsaanraking: Ja
    "(...) Omsingeld en gevangen genomen. Door Duitschers ontkleed en vooruit gejaagd. Toen getroffen, ondanks wond, toch nog door. Zij mochten zich niet dekken, Duitschers wel. (...)"
222