Verklaring van reserve-eerste luitenant W. Hulshoff Pol

Verklaring van den Reserve 1e Luitenant W. Hulshoff Pol van M.C.-II-11 R.I., afgelegd
in de vergadering der Commissie Militaire Onderscheidingen d.d. 23 Juni 1947.
-----------------------------------

  Dr. Behr was Bataljonsarts bij II-11 R.I. Ik was Commandant van de 1e Sectie van M.C.-II-11 R.I. Wij waren Bataljonsreserve van de IIe Divisie. Onze Commandant was de Reserve Majoor Van Dijk.
  Zondagmiddag om 16.00 uur moest het bataljon afmarcheeren van den Amerongschen berg naar een punt op den Veenendaalschen weg bij Rhenen. De bedoeling was dat ons bataljon een grendelstelling zou innemen langs de spoorlijn Veenendaal - Rhenen. De M.C. werd 200 meter Zuid van het kruispunt Geertensteeg - Veenendaalschen weg afgezet met vrachtauto's. De tirailleurcompagnieën waren al eerder op hun rijwielen vooruit gegaan.
  Ik kreeg de opdracht mij aan te sluiten bij 1-II-11 R.I. De compagnie was opgemarcheerd Cuneraweg richting Achterberg. Deze compagnie is daarop weer teruggekomen, nadat zij was gekomen tot aan de poort bij paal 26. Ik kwam veel later aan en ben alleen op weg gegaan. De 3e compagnie kwam op rijwielen langs den Cuneraweg richting Zuid en ontving artillerievuur. Ik ben toen weer teruggegaan, omdat de 1e compagnie ook terugkwam en wel met den Commandant Reserve Kapitein Goossens. Wij zijn naar den Bataljonscommandopost gegaan, die nabij de jeugdherberg was. Om 21.00 uur is de compagnie weer teruggegaan naar de Geertensteeg. Zij had hiervoor opnieuw bevel gekregen. De Majoor had de bevelen slecht gegeven. 1-II-11 R.I. zou bij kilometerpaal 25 komen, de 2e compagnie aan de andere zijde van de spoorbaan.
  Ik heb met den Kapitein Goossens het terrein verkend. Het was echter zeer donker. Ik kwam tenslotte in stelling bij de tweede poort (tusschen paal 25 en 26). Daar heb ik mij ingegraven en een stelling gemaakt met front vuurrichting Zuidoost. De compagnie lag links van mij en had dus blijkbaar niet de juiste stelling ingenomen. Ik heb den Kapitein ontmoet in een boerderij ter hoogte van den Ruiterweg. Ik heb in mijn stelling het aanbreken van den dag afgewacht. De Duitschers begonnen zich in te schieten op de spoorbaan. Wij hebben toen een stelling ingenomen 50 meter Zuid van de korenmolen van Achterberg. Ik kreeg daar een opdracht van den Kapitein Goossens om vuur uit te brengen zoodra Duitschers oprukten uit het bosch Noord van den Grebbeberg. Op dat moment vond een aanval plaats van vier bataljons eigen troepen. Eén bataljon van 29 R.I. kwam door mijn stelling heen. Die aanval is mislukt. Om 13.00 uur kwam die troep vluchtende terug. Te 14.00 uur zagen wij zwaaien met zakdoeken door eigen troepen. Ik heb waargenomen, dat de Duitschers op 800 meter afstand van onze stellingen krijgsgevangenen van ons opstelden met de handen omhoog en tusschen hen door op ons vuurden (op snijpunt stoplijn - Cuneraweg).
  Er trokken allerlei Nederlandsche troepen terug. De Duitschers schoten met zware en lichte mitrailleurs. Ik had één doode en twee gewonden. De dienstplichtig soldaat Wesseldijk H. werd achter een stuk vandaan geschoten. De dienstplichtig sergeant Smaling C. werd door zijn arm geschoten. De helper Jansen kreeg een schampschot. Ik heb een nieuwe bediening voor dat stuk gecommandeerd en er is weer mee geschoten. Waarschijnlijk heb ik hierbij ook verliezen onder eigen troepen gemaakt. Het vuren van de Duitschers hield op.
  Tegen 15.00 uur waren er buiten mijn menschen geen anderen meer en dacht ik: wat moet ik hier nog doen. Ik heb toen onze mitrailleurkarren aan laten trekken van den Molenweg. Ik heb de stukken laten opladen en ben afgemarcheerd in de looppas door het dorp Achterberg, waar wij uit huizen beschoten werden. Op het punt kruispunt Ruiterweg - Achterbergsche Straatweg wilde ik den Ruiterweg opgaan. Daar kreeg ik een aanval van drie laagvliegende vliegtuigen. Ik was met zes karren onderweg. Op dat moment had ik de sectie niet meer in de hand. 18 à 20 mannen namen in paniek de vlucht en lieten de stukken in de steek. Eén patroonkar werd geraakt. Ik heb toen twee stukken onklaar gemaakt (slot eruit genomen), omdat ik er geen bediening meer voor had. Wij hadden door dezen aanval geen enkel verlies. Ik ben toen langs den Cuneraweg gegaan naar de spoorbaan. Mijn bedoeling was om terug te gaan naar den commandopost van den Majoor Van Dijk, maar ik werd onderweg tegengehouden door een Overste, dien ik niet kende. Deze beval mij met dit stuk een stelling in te nemen tusschen den Cuneraweg en de spoorbaan. Daar lagen wij mannetje aan mannetje. Wij werden daar door eigen menschen opgevangen, maar kenden er niemand van.
  De Overste was nogal zenuwachtig. Wij werden daar af en toe beschoten door Duitsche lichte handmitrailleurs. Wij hadden daardoor geen verliezen.
  Om 19.00 uur kreeg ik bevel om terug te trekken, van een majoor, die toen het commando nam over de ongeveer 500 man, die daar overgebleven waren. Ik meen, dat hij Commandant van I-20 R.I. was. Ik kwam in stelling rechts van den Cuneraweg, Noord van het verlengde van den Zuidenlijken Meentweg. Ik bleef daar tot het donker werd. Wij hebben daar nog gevuurd op willekeurige doelen. Wij werden namelijk voortdurend beschoten met lichte mitrailleurs.
  Om 21.00 uur kreeg ik bevel om terug te trekken richting Veenendaal. Op dat moment ontmoette ik Dr. Behr. Hij vertelde mij, dat hij had gezeten op den Bataljonscommandopost en toen die terugtrok, hoorde hij, dat er nog gewonden waren, die hulp noodig hadden, waarop hij antwoordde: "Dan ga ik daar naar toe". Hij vertelde ook, dat de Ritmeester Van der Voort van Zijp den vorigen avond den commandopost was binnengekomen en daar een woordenwisseling had gehad met den Majoor. Vervolgens had hij den Majoor zijn pistool afgenomen en hem laten opsluiten in een woonwagen onder bewaking van een Luitenant en zes man. Met deze handelwijze konden de andere officieren zich wel vereenigen. "De heele leiding van den Majoor leek mij niets" aldus Dr. Behr. Het bataljon was hierdoor volkomen uit het evenwicht geslagen! Ik vond de leiding van den Majoor Van Dijk ook steeds slecht. Deze was ondeskundig. Van lafheid zou ik niet durven spreken.
  Dr. Behr zei: "Ik blijf maar bij jou", want de rest van het 2e bataljon was weg. De bedoeling van onze 500 man was, naar ik meen, een oprukken van de Duitschers te vertragen, teneinde het stellinggedeelte bij Veenendaal te kunnen ontruimen, waarin o.a. 10 R.I. lag. Wij trokken terug tijdens het donker naar Veenendaal. Dat zal te 22.00 uur geweest zijn (in opdracht van den Majoor van I-20 R.I.). Ik liep aan de staart van de colonne. De Majoor pleegde overleg met Dr. Behr wat wij met deze doodvermoeide troep moesten doen. Onze menschen hadden gedurende langen tijd geen eten gehad, als gevolg o.a. van de slechte leiding van den Majoor Van Dijk. Wij hadden alleen ons eigen noodrantsoen. Dat hebben wij den avond van den 13en Mei gedeeltelijk opgegeten. De Majoor besloot de troepen te laten rusten in een soort rusthuis "Dennenoord", dat lag Noord van Bergzicht en 300 meter ten Zuiden van den Veenendaalschen weg - Cuneraweg. Dr. Behr is alle troepen langs gegaan en heeft met deze menschen gesproken.
  Ik ben op zijn verzoek met hem medegegaan. Ik geloof, dat de woorden van Dr. Behr deze menschen opgemonterd hebben. Tegen 3.30 uur werd de troep verzameld en heeft m.i. de Majoor een fout gemaakt, want hij had de posten, die ons dekten, ingetrokken, zoodat wij onverwachts werden aangevallen van drie kanten. Wij waren 400 à 500 man sterk en werden daar beschoten. Ik zei: "Verspreiden en dekken en terugschieten". De Duitschers zaten in de boomen op een afstand van 30 meter. De mitrailleur weigerde. Ik heb hem stukgeslagen en achtergelaten. Dr. Behr was vlak naast mij gedekt in een greppel en werd daar door zijn hart geschoten. Hij bloedde hevig uit zijn mond. Ik heb hem achter moeten laten. De menschen gingen in paniek op de vlucht en kwamen na ongeveer 1 kilometer tot staan. Ik zei: "Willen jullie hier blijven, dan ben je direct krijgsgevangenen, of ga je met mij mee de bosschen door". "Wij blijven bij U", zeiden zij. Wij kwamen op het Leersumsche Veld en zijn teruggemarcheerd tot Den Dolder. Wij hebben daar auto's gerequireerd en wilden daarmede de Vesting Holland bereiken, maar voor het zoover was, kwam de capitulatie.
  Dr. Behr heeft niet meer gedaan dan zijn plicht, maar hij was steeds ongewapend vooraan bij de troep. Zijn invloed op de troep was buitengewoon gunstig. Dr. Behr had ook weg kunnen gaan (niet met zijn auto, want die was kapot).
  Bij het teruggaan om 22.00 uur waren er menschen bij, die haast niet meer konden en door zijn aanwezigheid is er niemand achtergebleven.
  Er is één van ons gesneuveld en van mijn menschen is verder niemand meer gevangen gemaakt. Ik had in het bosch 30 menschen om mij heen en ik kwam met 203 mannen in Hilversum aan.
  Degenen, die bij den vliegtuigaanval waren weggeloopen van mijn sectie, zijn allemaal krijgsgevangen gemaakt.
  Officieren kan ik niet als getuigen noemen voor Dr. Behr; wel korporaal Schol, H. Hij woonde destijds in Rheden en was daar bij de Geldersche Tram. Hij heeft van het begin tot het einde alles medegemaakt. Hij behoorde ook tot M.C.-II-11 R.I. Andere getuigen weet ik niet.

's-Gravenhage, 23 Juni 1947.

(get.) W. Hulshoff Pol.

Opgenomen: FMV.
Typ.: K.

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument
(PDF, 6.93 MB)