Dagboek van reserve-majoor J. Pannekoek
Dagboek van den Commandant van het Ie Bataljon 20 R.I.
VRIJDAG 10 Mei 1940.
In de nacht van 9/10 Mei 1940 te 0.15 uur werd bericht ontvangen van Stafkwartier IIe Divisie, dat zeer verontrustende berichten van de grens waren ontvangen en dat om 5.00 uur graad van strijdvaardigheid 3 moest zijn bereikt. Alle officieren ontvingen hiervan mededeeling en opdracht, om 4.00 uur in de kazerne aanwezig te zijn. Om ongeveer 4.15 uur kwam bericht, dat graad 4 was ingetreden. Het bataljon maakte zich gereed voor opmars naar de stelling; de Verbindingsafdeeling vertrok om 5.15 uur per rijwiel voor het aanleggen van de verbindingen. Een 80-tal vertrok om ongeveer 6.30 uur per rijwiel terwijl de rest van het bataljon om 7.00 uur in auto's van het IV Autobataljon naar Woudenberg werd vervoerd. Na aankomst werd de stelling bezet door piketten bij de automatische wapens; opruiming werd met alle kracht voortgezet. Voor dit doel werden c.a. 6 woningen, 1 fabrieksgebouw en eenige schuren opgeruimd.
Ter assistentie bij de evacuatie der burgerbevolking werd een sectie geplaatst op het station Woudenberg en een groep op het station Maarn, terwijl een sectie naar Maarsbergen werd gedirigeerd ter bewaking van krijgsgevangenen.
De dag verliep zonder gevechtshandelingen, alleen de zware mitrailleurs opgesteld voor luchtafweer, hebben enkele malen op vijandelijke vliegtuigen gevuurd.
ZATERDAG 11 Mei 1940.
Geen bijzondere gebeurtenissen; geringe activiteit in de lucht.
ZONDAG 12 Mei 1940.
De voormiddag verliep normaal. Een der ordonnansen, die in de nacht van 11/12 Mei naar het Stafkwartier IIe Divisie was geweest, meldde mij, dat hem op bedoeld Stafkwartier, door een der officieren van dienst was gezegd, aan zijn commandant officieus te melden, dat 10.000 Engelschen in Utrecht waren, dat 40.000 Franschen zich in Noord-Brabant bevonden en dat de Duitschers aan de Limburgsche grens 15 k.m. in Duitschland waren teruggedrongen. Deze mededeeling, hoewel naderhand niet bewaarheid, verbreidde zich spoedig en werkte gunstig op de geest van de troep. Om 15.45 uur kwam van de IIe Divisie de opdracht, onmiddellijk het bataljon per rijwiel langs aangegeven route te verplaatsen naar de oude Trekpot, een café gelegen nabij het kruispunt van kunstwegen (vt. 165-446), alwaar ik onder commando van Commandant 22 R.I., of indien niet aanwezig Commandant 10 R.I. zou komen. Het bataljon, dat in de namiddag geheel was voorzien van rijwielen, verzamelde zich zoo spoedig mogelijk voor de afmarsch en marcheerde omstreeks 17.15 uur af onder commando van den oudsten kapitein.
Daar de verbinding in de stelling volledig was geïnstalleerd, werden de Verbindingsafdeeling met haar Commandant, de verplegingsofficier en de volledige trein te Woudenberg achtergelaten.
De mitrailleurs en de patroonkarren der Mitrailleurcompagnie zijn met de goederen-auto's van het bataljon vervoerd, hetgeen in twee transporten geschiedde. Met het laatste transport zou ook het middageten worden medegenomen. Doordat het tweede transport in de inmiddels gevallen duisternis verdwaald was geraakt en eerst tegen 1.30 uur het Bataljon bereikte, kon het middagmaal niet meer worden uitgegeven.
Ikzelf heb mij met mijn luitenant-adjudant in een aangehouden militaire auto voor de troep uit naar de Oude Trekpot laten brengen, alwaar meerdere officieren, o.a. Commandant 10 R.I. en Commandant 22 R.I. aanwezig waren. Na aankomst van Commandant IIe Divisie werd een korte bespreking door den Kolonel Barbas gehouden, waarna deze met de Regimentscommandanten ter verdere bespreking naar den commandopost van Commandant 10 R.I. te Veenendaal vertrok. Ik met Overste De Ridder in diens auto medegegaan, heb echter aan die bespreking slechts ten deele deelgenomen. Na afloop begaven Overste De Ridder en ik ons weer naar de Oude Trekpot, met de bedoeling, in de richting Achterberg het terrein te verkennen.
Bij aankomst aan de Oude Trekpot werd plotseling een vijandelijk artillerievuur afgegeven, waardoor bij de aldaar aanwezige artillerie en ook bij de eigen Mitrailleurcompagnie (het bataljon was in mijn afwezigheid aangekomen) slachtoffers vielen (bij de M.C. 1 doode en 3 gewonden), hetgeen een ongunstige invloed had op het moreel van de troep. Nadat ik de compagnieën aanwijzingen had gegeven, voor het onderbrengen in alarmkwartieren van de troep gedurende de nacht, is Overste De Ridder met mij naar voren gegaan, naar de commandopost van Commandant II-11 R.I. bij Berg en Dal. Ook hier veel artillerievuur; door de inmiddels ingevallen duisternis was terreinverkenning niet meer mogelijk. Terug bij mijn bataljon heb ik in een boerenwoning mijn commandopost ingericht.
MAANDAG 13 Mei 1940.
Omstreeks één uur werd ik per auto afgehaald naar de commandopost van Commandant 10 R.I. Mijn adjudant en ik werden toegelaten in een daarstaande villa, waar zich onder andere de Kapitein Reitsema van Staf IIe Divisie bevond, die mij terzake inlichtte, en zeide, dat ik hier op de bevelen voor de tegenaanval moest wachten.
Geruimen tijd later vertrok de Kapitein Reitsema, ik zou aldaar blijven in afwachting van het bevel. Tegen drie uur kwam een officier in groote haast binnen, die vertelde, dat bij de Oude Trekpot een officier met een bevel voor mij reeds langen tijd zat te wachten. Met groote moeite gelukte het, een auto met chauffeur te krijgen, die ons naar de Oude Trekpot bracht, waar echter niemand aanwezig was. Ik ben toen, slechts voorzien van enkele potloodaanteekeningen, die mij ter hand gesteld waren, naar mijn commandopost gegaan, ik heb onmiddellijk de Compagniescommandanten ontboden en hun de bevelen, voor zoover mogelijk medegedeeld. Tijdens deze mededeeling kwam de Overste Land binnen, onder wiens bevel de tegenaanval zou plaatsvinden. Deze deelde mede, dat 2 secties pag. werden toegevoegd, en dat, daar het linkerachterbataljon niet aanwezig was, een der tirailleurcompagnieën den andere voor dat Bataljon bestemden aanval op Kruiponder (vt. 171-442) zou ondernemen. Hiervoor wees ik de 3e Compagnie aan, versterkt met een sectie Zware Mitrailleurs. Later bij de gereedstelling, kwam bericht, dat het linker achterbataljon was aangekomen en de opdracht tot verovering van Kruiponder verviel. De tenslotte in de uitgangstelling om ongeveer 6.30 uur ingenomen formatie was: rechts 1-I, links 3-I. elk met 1 sectie Zware Mitrailleurs, 2-I en rest Mitrailleurcompagnie-Bataljonsreserve; pag. op kunstweg bij driesprong kunstwegen (kilometerpaal 26,7 vt. 167-443).
Opdracht kwam binnen, eerst op nader bevel voorwaarts te gaan. Tijdens het verblijf in de uitgangstelling kwam de verplegingsofficier (door mij 's nachts op de commandopost van Commandant 10 R.I. telefonisch ingelicht) per auto koffie en brood brengen, tevens kwam een auto met munitie mee. Op het bevolen tijdstip (7.45 uur) zette het Bataljon zich in beweging. De vijandelijke artillerie was inmiddels begonnen te vuren en bij de pag. vielen eenige slachtoffers. Het voorwaarts gaan van het Bataljon ging ondanks het moeilijke terrein goed. Toen de voorcompagnieën ongeveer ter hoogte van de kunstweg gaande van Poort bij kilometerpaal 26 aan de spoorbaan, door Achterberg, Horstbranden waren gekomen, liet ik deze halthouden, daar zij te dicht op de voorbataljons waren opgesloten. Ik ben toen zelf naar voren gegaan naar het dorp Achterberg, waar telkens vuur, vermoedelijk van mijnenwerpers, werd gelegd. Daar zag ik tot mijn schrik, dat een groot aantal soldaten, vermoedelijk der voorbataljons, teruggeweken en overal tusschen de huizen, zonder eenige orde samenbalde; officieren zag ik niet, alleen een kapitein van een Mitrailleurcompagnie die ik opdracht gaf stand te houden en zoo mogelijk het voorwaarts gaan te steunen. Ik heb toen tevens de menschen in mijn omgeving toegesproken, aangespoord met mijn Bataljon mede voorwaarts te gaan. Dit had inderdaad eenig succes; toen ik echter daarna naar mijn rechter voorcompagnie terugging en deze opdracht gaf, voorwaarts te gaan, bleek mij, dat links van mij die beweging niet gevolgd werd en de menschen weer begonnen terug te trekken. Ook mijn linker voorcompagnie was vooruit gegaan, maar werd daarin belemmerd door mitrailleurvuur, komende van links, doch evenzeer doordat in front van haar terugwijkende eigen troepen, waarin deze compagnie nu terechtkwam.
Het gevolg van een en ander was, dat ook in deze compagnie de menschen begonnen te wijken.
De rechter voorcompagnie slaagde erin voorwaarts te gaan tot ongeveer ter hoogte van kilometerpaal 25 aan de spoorbaan, enkele groepen nog een eind verder.
In het voorterrein bewogen zich een aantal personen, meestal zonder jas in een richting evenwijdig aan onze frontlijn, die met een witte doek zwaaiden; hierdoor ontstond verwarring, daar de meening postvatte, dat op eigen troepen werd gevuurd.
Daar de voorwaartsche beweging links niet gevolgd werd en integendeel daar steeds meer menschen terugweken, is eindelijk ook mijn rechtervoorcompagnie teruggenomen (de enkele meest vooruit zijnde groepen werden krijgsgevangen gemaakt).
Het moreel was sterk achteruitgegaan en de troep raakte vermengd met manschappen van allerlei andere onderdeelen. De teruggenomen deelen der rechter voorcompagnie, het grootste deel der Mitrailleurcompagnie en enkele onderdeelen van andere Bataljons heb ik daarna stelling laten nemen aan de landweg gaande van kilometerpaal 26 in Noordoostelijke richting. Daarop had, vermoedelijk omstreeks 16.00 uur vijandelijke luchtaanval met mitrailleurvuur en bommen, uitgevoerd door een groot aantal vliegtuigen plaats, waardoor het toch al zwakke moreel verder inzakte en een ordelooze terugtocht aanving.
Ter hoogte ongeveer van kilometerpaal 28 aan de spoorbaan gelukte het, uit onderdeelen van verschillende bataljons een tweetal achter elkaar gelegen weerstandslijnen te formeeren, bij elk waarvan een gedeelte van mijn bataljon zich bevond.
Ik kreeg het bevel over de troepen in de voorste weerstandslijn, die in de achterste werden onder bevel van een andere officier gesteld, die naderhand met een, zich in de weerstandslijn bevindend groot gedeelte van mijn eigen bataljon verder is teruggetrokken. In de late namiddag vertrok de Overste Land per auto, mij met het commando belastend. Tegen het invallen der duisternis werd de stemming steeds nerveuzer, telkens werd gevuurd op vermeende tegenstanders. Toen vlak bij onze opstelling inslagen van vermoedelijk mortierprojectielen plaatsvonden, heb ik, omstreeks 20.00 uur ongeveer 200 meter naar achter een nieuwe weerstandslijn ingenomen.
Bij het invallen der duisternis was het niet te voorkomen, dat geleidelijk aan manschappen in achterwaartsche richting verdwenen. Om de uitgeputte troep eenige rust te geven, ben ik met de troep, die toen nog ongeveer 300 man sterk was, om ruim 23.00 uur teruggegaan, tot de omgeving van pension Bergzicht (vt. 165-446), waar de manschappen onder bewaking in alarmkwartieren werden ondergebracht. Geen enkel bericht of mededeeling heeft ons bereikt, zoodat ons van het terugtrekken uit de Grebbelinie niets bekend was.
DINSDAG 14 Mei 1940.
Eerst tegen het aanbreken van de volgende dag (14 Mei) vernam ik dit, toen een onderdeel van een compagnie passeerde, waarvan de Commandant mij mededeelde, deel uit te maken van een zich terugtrekkende achterhoede.
Eerst toen kreeg ik begrip van de situatie en begreep ik, dat mijn afdeeling vrijwel in de lucht hing.
Teneinde de terugtrekkende beweging te volgen heb ik de troep (die inmiddels 's nachts tot een kleine 200 man was geslonken) laten verzamelen bij Pension Bergzicht. Alles was volkomen rustig; plotseling echter werden wij (het was ongeveer 6.00 uur) van verschillende zijden beschoten en in het besef van onze hachelijke positie stoof de troep in verschillende richting uiteen. Een groot gedeelte volgde de kunstweg in Noordelijke richting, doch zijn kort daarop door een langs de weg passeerende pantserauto grootendeels krijgsgevangen gemaakt. Ikzelf met een andere groep trok terug door het bosch, een gedeelte vond langs de weg fietsen, zoodat we, steeds binnenwegen volgend, per fiets eindelijk Woudenberg bereikten. Vandaar zijn we over Soesterberg naar Bilthoven gefietst, waar ik mij meldde bij den Burgemeester (ongeveer 13.30 uur).
Aangezien het volgens diens mededeeling niet meer mogelijk was, over Utrecht achter de Waterlinie te komen, stelde hij een vrachtauto ter beschikking om ons naar Amsterdam te brengen. Ongeveer 15.30 uur kwamen wij daaraan, waar ik mij meldde bij den Garnizoenscommandant. Deze, ook niet wetend, waarheen mij te dirigeeren, verzocht mij in Amsterdam te wachten. 's Avonds kwam toen het bericht van de capitulatie.
WOENSDAG 15 Mei 1940.
Met toestemming van den Garnizoenscommandant heb ik mij toen in de namiddag van 15 Mei naar Soesterberg begeven (alwaar 20 R.I. voor den oorlog gelegerd was). Ik werd echter bij het vliegkamp door Duitsche posten aangehouden, doch kreeg van den Duitschen Commandant, verlof om in mijn kwartier aldaar te verblijven. De volgende morgen kreeg ik toestemming mij naar Utrecht te begeven alwaar ik vernam dat I-20 R.I. zich in de Kromhoutkazerne verzamelde.
Ik heb toen het commando van het Bataljon weder op mij genomen.
|
