Getuigenverhoor van dienstplichtig sergeant J.E. Vente
PROCES-VERBAAL
VAN
GETUIGENVERHOOR
in de zaak tegen:
J. BISON.
Heden den twintigsten October des jaars negentien honderd een en veertig zijn voor ons
Mr. L.J. van Gelein Vitringa,
Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de arrondissements-rechtbank te 's-Gravenhage, bijgestaan door
Mr. A.M. Creutzberg,
waarnemend griffier, verschenen de na te melden getuige, die, na beloofd te hebben de geheele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen en na, voor zoover zulks niet anders is vermeld, verklaard te hebben niet te zijn in dienst, noch bloed- of aanverwant van
J. BISON,
op onze ondervraging heeft verklaard als volgt:
JOHANNES EVERHARDUS VENTE,
oud 29 jaren, van beroep hoofdonderwijzer,
wonende te Hien (gemeente Dodewaard).-
- - - -
In Mei 1940 diende ik als dienstplichtig sergeant bij 2-II-8 R.I. Ik was groepscommandant van de rechter groep van de Sectie onder leiding van den Adjudant-Onderofficier J. Bison. Onze Sectie (de rechter-sectie van onze Compagnie) lag in een in den dijk gegraven loopgraaf langs de Grebbe.
In den loop van Zaterdag 11 Mei 1940 is door onze Sectie regelmatig gevuurd op den vijand, die zich toen bevond in het voorterrein aan de overkant van de Grebbe.
In het begin van den Zondagmiddag lag onze stelling onder vijandelijk artillerievuur; de vijand moet toen in het voorterrein op korten afstand van ons gezeten hebben. Als wij ons hoofd boven de borstwering van de loopgraaf vertoonden werden wij namelijk direct onder vuur genomen; den vijand heb ik echter van dichtbij niet gezien; deze was door het struikgewas, dat daar ter plaatse tamelijk dicht is, aan ons oog onttrokken.
Korten tijd daarna passeerden mij in de loopgraaf een tweetal sergeants, die uit ons rechter-nevenvak kwamen. Vanaf Kruiponder tot aan het Zuidelijk gelegen Heimerstein liep één doorgaande loopgraaf; deze sergeants vertelden mij, dat zich bij hun onderdeel geen officieren meer bevonden. Zij wilden, daar zij de verantwoording niet langer wenschten te dragen, met onzen Compagniescommandant, den Kapitein Wiersinga, overleg plegen. Uit hun optreden kreeg ik niet den indruk dat zij op de vlucht waren; zij zijn vervolgens door de loopgraaf in Noordelijke richting verder gegaan.
Eenigen tijd later drongen eenige manschappen, uit Zuidelijke richting komende, door de loopgraaf heen; zij waren erg zenuwachtig. Daar ik door het gedrang dat zij veroorzaakten moeite had mijn eigen manschappen op hun plaats te houden en daarmede druk bezig was heb ik niet met de langs ons trekkende manschappen gesproken. Mijn indruk was, dat de toestand in het rechts van ons gelegen vak zeer ongunstig was en deze manschappen op de vlucht waren.
Weer eenigen tijd later, nadat het artillerievuur was blijven aanhouden, kwam de Adjudant Bison bij mij in mijn steunpunt; hij nam eenige manschappen van mij en zette deze als posten uit zoowel in Zuidelijke richting als in Westelijke richting, dus achter ons. Voor mijzelf maakte ik daaruit de gevolgtrekking, dat de Adjudant gehoord had, dat de vijand rechts van ons was doorgebroken en hij een overrompeling bij ons wenschte te voorkomen. Tegelijkertijd kortte hij onze Sectie eenigszins in, waardoor ik met mijn groep ongeveer 1 steunpunt verder in Noordelijke richting kwam te liggen. Of de Adjudant mij toen gezegd heeft, dat hij dezen maatregel trof, omdat de vijand reeds in ons rechter-nevenvak zat, kan ik mij thans niet herinneren.
Korten tijd daarna kwamen wederom een aantal manschappen uit Zuidelijke richting door onze loopgraaf heen; tot welk onderdeel zij behoorden weet ik niet; zij waren ongeveer 20 à 30 in getal en verkeerden in paniekstemming. Ik heb hun gevraagd, hoe de toestand in hun vak was, waarop zij mij antwoordden, dat de vijand in dat vak was doorgedrongen en hen in de loopgraaf achterna zat. Overhaast verdwenen zij in Noordelijke richting.
Even daarna, nadat ik ook inderdaad geweervuur uit Zuidelijke richting had gehoord, hetgeen ik aan den Adjudant rapporteerde, zeide deze ons, dat wij groepsgewijs moesten terugtrekken naar de ongeveer 1000 meter Noordwestelijk van ons gelegen Ondersteuningssectie onder commando van den Luitenant De Vries. De Adjudant heeft mij niet met zooveel woorden gezegd, waarom hij ons dit bevel gaf; ik vermoed echter, dat de mededeelingen van de uit Zuidelijke richting langs ons getrokken manschappen bij hem de overtuiging hebben doen postvatten, dat de toestand rechts van ons hopeloos was. Wel herinner ik mij, dat hij erover klaagde, geen verbinding met den Kapitein Wiersinga te hebben.
In opdracht van den Adjudant hebben wij de munitie, die wij niet mede konden nemen, in het water gegooid, waarna wij zijn teruggetrokken.
Vóór wij terugtrokken hadden wij, behalve eenig mitrailleur- en geweervuur over en weer, uit Oostelijke richting geen vijandelijken infanterie-aanval op onze stelling gehad; evenmin uit Zuidelijke richting. Voor zoover ik weet had onze Sectie toen nog geen verliezen geleden; enkele manschappen waren licht gewond. Tijdens ons terugtrekken op de Ondersteuningssectie nam het vijandelijk artillerievuur weer in hevigheid toe, tengevolge waarvan eenige dooden en zwaargewonden vielen. De terugtocht geschiedde zeer ordelijk; ik wijt dit voornamelijk aan het optreden van den Adjudant Bison, die evenals de vorige dagen een zeer kalmeerenden invloed op de manschappen had; toen wij de Ondersteuningssectie bereikten zal het ongeveer 19.00 uur geweest zijn.
Voorgelezen - volhard - geteekend.-
(get.) J.E. Vente.
Waarvan proces-verbaal.
De Griffier:
(get.) A.M. Creutzberg.
De Rechter-Commissaris:
(get.) L.J. van Gelein Vitringa.
|
