Getuigenverhoor van sergeant-capitulant G. van Burk

PROCES-VERBAAL
VAN
GETUIGENVERHOOR

in de zaak tegen:
G. MINK.

Heden den drie en twintigste Juli des jaars negentien honderd één en veertig zijn voor ons
Mr. L.J. van Gelein Vitringa,
Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de arrondissements-rechtbank te 's-Gravenhage, bijgestaan door
Mr. W.J. van Es,
waarnemend griffier, verschenen de na te melden getuige, die, na beloofd te hebben de geheele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen en na, voor zoover zulks niet anders is vermeld, verklaard te hebben niet te zijn in dienst, noch bloed- of aanverwant van

Gerrit Mink,

op onze ondervraging heeft verklaard als volgt:

Gijsbertus van BURK,
oud 23 jaar, schrijver, wonende te Elst.
- - - -

Gedurende de oorlogsdagen in Mei 1940 was ik ingedeeld als sergeant-capitulant bij een sectie zware mitrailleurs behoorende tot de mitrailleurcompagnie van II-8 R.I., welke sectie in de gemeente Rhenen aan de rivier de Grebbe gelegen was op eenige afstand in zuidwestelijke richting van Kruiponder.
Commandant van onze sectie, die twee kazematten en één open opstelling tot haar beschikking had, was de reserve 1ste luitenant G. Mink; ik was commandant van bedoelde open opstelling, welke was aangebracht in de langs de Grebbe gelegen dijk; links van mij in noordelijke richting lagen de twee kazematten van mijn sectie, terwijl rechts van mij op een afstand van ongeveer 500 à 600 meter de sectie van den mij bekende adjudant-onderofficier Bison lag.
In de namiddag van Zaterdag 11 Mei 1940 heb ik voor het eerst vuur geopend op over de straatweg Wageningen-Rhenen voortrukkende Duitsche motorrijders; ik had de beschikking over een zware mitrailleur.
Dien dag evenals de daaropvolgende Zondagmorgen heb ik eveneens in het voorterrein zittende stoottroepen onder vuur genomen; wij zelf stonden geregeld bloot aan vijandelijk artillerievuur.

In de namiddag van Zondag 12 Mei 1940 ongeveer tusschen 4 en 6 uur zag ik vanuit mijn opstelling, dat de adjudant Bison met zijn manschappen alsmede eenige andere onderdeelen de stelling verlieten en zich in westelijke richting naar de stoplijn begaven; ik meende, dat een en ander belangrijk genoeg was om aan den luitenant Mink mede te deelen, weshalve ik mij, daar wij geen telefonische verbinding hadden, vergezeld van een soldaat naar den luitenant begaf; ik trof den luitenant Mink in de commandopost van den luitenant Vos en bracht hem van hetgeen ik gezien had op de hoogte.
In gemelde commandopost heb ik vervolgens luitenant Vos zien telefoneeren; van den luitenant Mink vernam ik, dat de luitenant Vos met den kapitein Wiersinga telefoneerde; van dit telefoongesprek heb ik niets kunnen hooren.
Nadat het telefoongesprek beëindigd was, kwam de luitenant Mink naar mij toe en zeide: "Stand houden". Hij voegde eraan toe, dat ik met mijn manschappen slechts uit de opstelling mocht terugtrekken, als ik van hem daartoe een teeken kreeg. Met terugtrekken werd door den luitenant Mink bedoeld, gelijk hij mij zeide, dat wij ons dan naar zijn commandopost moesten begeven om vervolgens in noordelijke richting een andere stelling in te nemen.
Daar ik vanuit mijn opstelling geen gezicht had op de commandopost van den luitenant Vos, waarin zich de luitenant Mink bevond, moest ik, als een teeken dat wij konden wegtrekken, opvatten het weggaan door de manschappen uit de kazemat behoorende tot onze sectie en staande onder den sergeant Ketjen; deze kazemat kon ik namelijk vanuit mijn opstelling wel zien.

Nadat de luitenant Mink mij de hierboven bedoelde order had gegeven, heb ik mij vervolgens naar mijn opstelling begeven, hetgeen plaats had onder hevig artillerievuur en machinegeweervuur van de Duitsche stoottroepen in het voorterrein.
Reeds onderweg zag ik bedoelde sergeant Ketjen met zijn manschappen zijn kazemat verlaten en teruggaan naar de post, waar de luitenants Mink en Vos zich bevonden.
Op het moment, dat ik mijn opstelling bereikte, zag ik den luitenant Koerselman, die een pantserafweergeschut-opstelling had gelegen tusschen mijn opstelling en die van den adjudant Bison, zijn stelling eveneens verlaten.

Nadat ik het door den luitenant Mink bedoelde teeken had ontvangen, te weten het wegtrekken door sergeant Ketjen en zijn manschappen, heb ik met mijn mannen onze opstelling verlaten met de bedoeling mij in noordelijke richting te begeven naar den luitenant Mink.
In verband met het feit, dat er hevig artillerievuur over de dijk, waarin onze opstelling gelegen was, lag en wij door het open veld moesten om den luitenant te bereiken, hebben wij door dit hevige vuur ons voornemen niet ten uitvoer kunnen leggen; mijn manschappen werden uit elkaar geslagen; ik zelf zwenkte in westelijke richting af, waar ik terechtkwam bij de kazemat van een zekere luitenant Visser.

De luitenant Mink heb ik eerst weer gezien in Vreeswijk na de capitulatie.

Voorgelezen - volhard - geteekend.-
(get.) G. van Burk.

Waarvan proces-verbaal.

De Griffier:
(get.) W.J. van Es.

De Rechter-Commissaris:
(get.) L.J. van Gelein Vitringa.

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument
(PDF, 1.03 MB)