Het drama op de Grebbeberg
De Grebbelinie was één van onze zwaarst verdedigde frontlinies en werd bezet door twee Legerkorpsen. De Grebbelinie strekte zich uit vanaf het IJsselmeer over de lijn Amersfoort-Rhenen tot aan de Rijn en bestond uit twee gedeelten.
Aan het noordelijk deel - de Eem-Vallei-Stelling - stond het IVe Legerkorps opgesteld onder commando van Generaal-Majoor A.R. v.d. Bent. Hiertoe behoorden de 7e en 8e Divisie. Legerkorps-Artillerie-Commandant was Kolonel A.G. Lagerwey.
Ten zuiden hiervan - op de scheidingslijn ter hoogte van Woudenberg-Scherpenzeel - lag de Grebbeberg zelf - die bezet werd door het IIe Legerkorps onder bevel van Generaal-Majoor H. Harberts met de 2e en 4e Divisie. Als Legerkorps-Artillerie-Commandant fungeerde Kolonel Bartels. Tevens was er hier nog een speciaal Artillerie-Commando onder leiding van Luitenant-Kolonel P.C. Enklaar die Commandant van het versnipperde 19e Regiment Veldartillerie was.
De artillerie-activiteiten werden overkoepeld door de Artillerie-Commandant van het Veldleger (V.A.C.), Kolonel Lucardie.
De vier divisies beschikten elk over één Regiment Divisie-Artillerie - 1 R.A., 4 R.A., 5 R.A. en 8 R.A. -, ondersteund door twee Regimenten - 9 R.A. en 12 R.A. - van de Legerkorps-Artillerie. Bovendien waren er drie Regimenten van de Leger-Artillerie - 15 R.A., 18 R.A. en 19 R.A. - als reserve toegevoegd.
De enorme vuurkracht die de 28 stukken 10-veld van de Legerkorps-Artillerie kon ontwikkelen zouden de 4 Divisies een gezamenlijke gevechtssterkte kunnen geven van 6 Divisies. Over een lengte van circa 40 kilometer stonden circa 280 vuurmonden in stelling: één zware vuurmond op elke 150 meter. De lichtere 6-veldkanonnen en het pantserafweergeschut (pag) niet inbegrepen.
Tijdens de Mobilisatie had men zich wel eens zorgen gemaakt en zich afgevraagd wat de gevolgen van een dergelijke grote troepenconcentratie zouden zijn bij een onverhoopte oorlogssituatie.
De troep was niet als de Generaal
Eerder dan verwacht naderden de goed bewapende Duitse troepen op 11 mei de voorposten van de Grebbelinie. Ze veronderstelden dat onze troepen de Grebbelinie reeds hadden verlaten en dat ze daarom deze verdedigingslinie in een handomdraai konden nemen. Dit blijkt uit het Kriegstagebuch Generalkommando Xe L.K. - 11.5.1940 - 22.00 Uhr:
"Kurz nachdem der Korpsbefehl ausgelaufen war, meldete 207 Div. um 22.00 Uhr das die Meldung von der Wegnahme des Grebbe-Berges auf einem Irrtum beruhe und aus Gegend Kesteren flankierendes M.G. Feuer erhalte.
(Dit vuur was onder andere afkomstig van 22 R.A. dat - vanuit Lienden-Kesteren in de Betuwe - het voorterrein van de Grebbeberg tot aan Wageningen - met beleid - artillereerde.)
Tegen het noordelijk deel van de Grebbelinie - de Eem-Vallei-Stelling - werden verschillende schijnaanvallen ondernomen en constant druk uitgeoefend.
De Duitse troepenmacht concentreerde zich echter vóór de Grebbeberg. Na een verwoede strijd lukte het de Duitsers - met behulp van Stuka's als vliegende artillerie en zware artillerie - een doorbraak te forceren. Binnen enkele dagen voltrok zich hier een drama dat we terug kunnen vinden in een van de vele gezegden van Napoleon: 'Liever een leger van herten, aangevoerd door een leeuw, dan een leger van leeuwen, aangevoerd door een hert'. Op de Grebbeberg stonden de troepen onder commando van een zwakke generaal die zijn tegenwoordigheid van geest verloren had en reeds verslagen was voordat de slag begon. Generaal-Majoor Harberts projecteerde zijn eigen angsten en tekortkomingen in allerlei scheldkanonnades op de troepen. Ook de Regimentscommandant van 8 R.I., Luitenant-Kolonel W.F. Hennink, kreeg er flink van langs. De generaal was overal en nergens, maar Overste Hennink bleef tot het laatst - met zijn mannen - op de plaats waar hij behoorde te zijn. Tot de leeuwen behoorden onder andere ook de Bataljonscommandanten van I en II-8 R.I. - de Majoors W.P. Landzaat en J.H.A. Jacometti - die na een heldhaftige strijd samen met hun manschappen - en velen van andere onderdelen, zoals 10 R.I., 11 R.I., 19 R.I., 46 R.I. en anderen, hun leven gaven.
Terwijl de op hun posten gebleven militairen dachten dat ze het wel zouden redden kwam in de namiddag van 13 mei het ontstellende bericht dat ons leger zich 's avonds achter de zogenaamde Hollandse Waterlinie zou terugtrekken wel heel verwarrend over. Velen waren zo verbijsterd dat ze de avond niet afwachtten, maar meteen handelden. Wie kon toen vermoeden dat - nu de Duitsers inmiddels de Moerdijkbruggen passeerden - de Grebbelinie en ook de zogenaamde Hollandse Waterlinie - eigenlijk nog maar van weinig nut waren.
De Duitsers lieten de terugtrekkende troepen met rust
Door de verwarde situatie en de nog meer verwarrende vage orders liep de geplande reduittactiek - waarbij de voorste linies worden prijsgegeven en op het laatste toevluchtsoord wordt teruggetrokken - op een fiasco uit. Mede door gebrek aan leiding was het ondoenlijk om de aangeslagen troepen in het gareel te houden. Vele uit elkaar geslagen onderdelen dreven op de kracht van het onderofficierskorps dat het hoofd koel wist te houden en als een rots in de branding haar (beroeps-)plicht bleef vervullen. Sommige onderdelen betwistten elkaar de voorrang en er ontstonden allerlei verkeersopstoppingen. Gedesorganiseerd - leek het geheel meer op een op drift geraakte ongeregelde bende. Het was een verschrikkelijke terugtocht; voor velen de meest verschrikkelijke en teleurstellende episode van het hele drama.
De meeste legeronderdelen waren 's nachts al een heel eind uit de hel gekropen. Gelukkig hing er 's morgens op veel plaatsen een welkome nevel of mist boven de overvolle wegen. Sommige artilleristen hadden met hun rijzweep de trouwe paarden - voor zover niet achtergelaten - zo de sporen gegeven dat de dampende dieren als het ware een mistbank vormden waarin ze onzichtbaar bleven voor de overvliegende Duitse toestellen. Vooral voor de soldaten die een bosrijke omgeving gewend waren en nu ineens op het onbeschermde platte land terecht waren gekomen waren de naderende vliegtuigen een bezoeking. Velen doken in sloten of achter andere obstakels om maar ongezien te blijven. Het was een merkwaardige situatie; de Duitse toestellen lieten onze soldaten met rust en schoten niet. Werd ons leger door de Duitse vliegers reeds als verslagen beschouwd en wilden ze onze militairen niet tot wanhoop drijven? Of was het de bekende soldaten-'fair play' zolang jullie verder niets meer tegen ons ondernemen laten we jullie nu verder wel met rust?
Vooral ook omdat er vanwege het conflict tussen Regering en Legerleiding in februari 1940 bij de zogenaamde Hollandse Waterlinie praktisch geen stellingen waren gebouwd en de inundaties nog lang niet waren gesteld, voelden velen zich ontgoocheld.
Niettemin dachten onze militairen - na even rust genoten te hebben - hier tot het uiterste stand te kunnen houden.
Het liep echter allemaal zo heel anders af dan verwacht werd. Het was allemaal wel geloofwaardig geweest zo lang de harde feiten maar verborgen bleven.
Nauwelijks achter het Oostfront van de Vesting Holland aangekomen, wachtten de militairen afgepeigerd af. De ontknoping van het hele saterspel had inmiddels in Rotterdam plaatsgevonden en weldra sijpelden de eerste geruchten over de capitulatie door en barstten de opgekropte emoties los...
Bron: boek Het paardenvolk in mei 1940, J. Klingens
uitgegeven door Jordans te Voorburg.
