Kort verslag van onderhoud met reserve-kapitein G.J. van Rangelrooij

Uit een onderhoud met Kapitein Van Rangelrooij Commandant 1-I-8 R.I. is het volgende gebleken:

  1. De cadet-vaandrigs waren op de K.M.A. en in tijden van spanning kwamen zij bij de onderdeelen.

  2. Bij 1-I-8 R.I. mankeerden de slagpijpjes der handgranaten. De Compagniescommandant heeft op de voertuigen (die naar achteren waren gezonden) laten nagaan. Daar waren zij niet. Heeft een en ander aan den Bataljonscommandant gemeld, doch het heeft geen resultaat gehad. Heeft er verder niet meer aan gedacht.

  3. De bootjes, die door 1-I moesten worden klaargelegd opdat de Sectie van II-19 R.I. (1e Luitenant Suilen) de Grift zou kunnen overschrijden, zijn klaargelegd ter hoogte van het in aanbouw zijnde gemaal.
    Blijkbaar is er dus niet voldoende gezocht door de Sectie Suilen.

  4. Volgens Kapitein Brittijn zou Majoor Van Apeldoorn niet bij de sluis zijn geweest.
    Zijne bewering is moeilijk houdbaar.

  5. Zoowel de Commandopost - Commandant 1-I-8 R.I. als der 4e Sectie waren geplaatst aan den onderkant van den Grebbeberg.
    Hierdoor is het verklaarbaar, dat de tegenstoot van Kapitein Brittijn geheel onopgemerkt door Kapitein Van Rangelrooij plaats had. Er liep bovendien langs de helling van den berg prikkeldraad, waardoor de verbinding naar boven niet mogelijk was.
    Verband met de Sectie Zware Mitrailleurs bestond er daardoor ook niet.
    Toen de Duitschers bij de Grebbesluis waren binnengedrongen en de bezetting van de Sectie Zware Mitrailleurs uitweek, waardoor het restant van 1-I in de rug genomen (zijn ook van bovenaf bevuurd) en de eenige uitweg was onderlangs den berg.

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument
(PDF, 860.13 KB)