Persoonlijke aantekeningen van reserve-majoor W.F. Weber
Persoonlijke aanteekeningen van Commandant III-19 R.I.
In den nacht van 9 op 10 Mei 1940 heb ik mij begeven naar den commandopost van het vak, dat aan het bataljon ter verdediging was toegewezen.
In het tijdvak vanaf Donderdag op Vrijdagnacht tot Maandagvoormiddag daaraanvolgend heb ik den eersten nacht van Vrijdag op Zaterdag in den nacht enkele uren half gekleed in de nauwe legeringsschuilplaats gerust. Van slapen kwam niets. De daarop volgende nachten kwam van slapen evenmin iets; in den nacht van Zondag op Maandag is de commandopost in actie gebleven.
Dit alles heeft zeer veel van mijn physiek gevergd, zeer veel vooral door de moeilijke omstandigheden, waarin ik in den nacht van Zondag op Maandag kwam te verkeeren op den commandopost.
Het artillerievuur van den vijand begon in den voormiddag van Zaterdag 11 Mei, nam in hevigheid toe en was zeer hevig in den voormiddag van 13 Mei.
Door het voortdurend onder het artillerievuur blijven, welk vuur werd afgegeven boven de stellingen en door de voortdurende actie van vijandelijke vliegtuigen, die zich ook al op 11 Mei voortdurend boven het vak vertoonden, was het alsof wij in een hel waren en daarin bleven op 12 Mei en op 13 Mei.
Op 12 Mei omstreeks 22.00 uur, dus kort voor middernacht berichtte een der Commandanten, dat de troepen van 8 R.I., die zich rechts naast mij bevonden, hunne stelling hadden ontruimd; zij hadden hunne tusschenverdediging ontruimd, die aansluiting had aan mijn verdediging in voorste lijn. Dit bericht is toen doorgegeven aan Commandant 19 R.I., die blijkbaar van het terugtrekken van 8 R.I. niets afwist.
Na mijne mededeeling aan Commandant 19 R.I. is toen door Commandant 19 R.I. den last gegeven aan mij om een patrouille ter verkenning, richting Grebbeberg uit te zenden. Deze patrouille kwam terug te pl.m. 23.00 uur met de mededeeling, dat de Duitschers zich in de bosschen van den Grebbeberg bevonden.
Ik meen te herinneren, dat ook nog een bericht is gekomen middels een officier, dat de commandopost II-8 R.I. (Grooters) die rechts van mij was, was verlaten.
Er was dus een kritieke toestand ontstaan, dat, terwijl het bataljon over een zeer groote breedte lag met het front naar het Oosten, de rechter flank in volslagen duisternis open was komen te liggen en de vijand uit het Zuiden kon naderen.
In allerijl heb ik toen een gedeelte van de rechter compagnie met zware mitrailleurs front naar het Zuiden laten maken en een grendelstelling doen vormen, front Zuid.
In het bijzonder heb ik de aandacht willen schenken aan het complex Dijk. Dit complex was een belangrijk punt voor de verdediging, meermalen is hierop de aandacht gevestigd, doch de geringe troepensterkte heeft nimmer toegelaten, dat aldaar meer achterwaarts troepen zouden worden geplaatst om Achterberg te bezetten.
Thans was niet uitgesloten, waar ik immer zoo bevreesd voor geweest ben, namelijk een opmarsch over kruispuntwegen Achterberg, omdat dit open was.
Tusschen 23 en 24 uur kreeg ik een bevel van Commandant 19 R.I. om met het Bataljon front naar het Zuiden te maken.
Nadere aanwijzingen werden niet gegeven.
Het was pikdonker en nu moest het bataljon, dat opgesteld lag in een frontbreedte van 2200 meter, front naar het Oosten en over een groote diepte in ijlen toestand verspreid en opgesteld in haar eigen gebouwde houten opstellingen, waarin zij maanden lang hadden gewerkt, deze zoo spoedig mogelijk verlaten en nieuwe opstellingen gaan innemen en wel in open terreinen in de duisternis en met een gansch ander front naar het Zuiden gericht.
De opdracht was een onmogelijke, niet uit te voeren opdracht, ook al, omdat een gedeelte bestemd moest blijven voor de verdediging der inundatie.
Dit heeft mij in een nog meer zenuwachtigen toestand gebracht.
Hoe moest ik het bataljon, dat zoo verspreid was opgesteld, zoo spoedig mogelijk in dien donkere nacht in het nieuwe front krijgen. Mijn Compagniescommandanten kon ik daartoe per telefoon bereiken, dit kostte veel tijd en de verbindingen werkten gebrekkig.
Ik kwam in een nog meer zenuwachtige en overspannen toestand. En bezig zijnde met het doen innemen van het nieuwe front, kwam te 0.30 uur van 13 Mei een luitenant (Grooters) zeer ontdaan op mijn commandopost met de mededeeling, dat er bij zijn opstelling gevuurd was; daarna drong de luitenant Hartgerink, die de commandopost rechtstreeks moest beveiligen naar binnen met het bericht, dat de vijand was doorgedrongen en de commandopost aanviel.
Meerder personeel van de beveiliging drong uit angst naar en in den ingang van den commandopost om aldaar dekking te zoeken en veroorzaakte een overspannen en nerveuzen toestand en hinderde de bevelvoering.
Tegelijkertijd bleek, dat alle verbindingen met de commandoposten van Regimentscommandant en Compagniescommandanten waren verbroken.
Naar ik mij herinner is in den vroegen morgen een der officieren bij mij geweest en deelde mede, dat er verraad moest zijn gepleegd, omdat plotseling zoo alle verbindingen verbroken waren.
Ook vrijwel op dat zelfde oogenblik, namelijk dat de bevelen werden gegeven voor het doen innemen van de nieuwe opstelling en van het bericht, dat de Duitschers een aanval ondernamen op den commandopost, kwam een bericht op den commandopost, dat in den morgen van 13 Mei om pl.m. 4.30 uur een tegenaanval zou plaats hebben van 4 bataljons van 29 en 20 R.I.
De zenuwachtige stemming en de groote drukte, die al zoo lang in den commandopost in de kleine ruimte heerschte bleef voortduren; ook in den vroegen morgen. Er was geen oogenblik van maar eenige rust sprake.
De Commandanten van de aanvallende bataljons voor den tegenaanval, kwamen met hun personeel in den vroegen morgen in mijn commandopost naar binnen dringen en zochten hierin dekking, en namen door mijn telefoonpost als verbindingspost te gebruiken verband op met hun Regimentscommandant.
Er bleef in mijn commandopost onafgebroken een zenuwachtige drukte heerschen, zoo erg, dat het er niet uit te houden was en niet mogelijk was om kalm te blijven.
Dit alles heeft in den nacht zeer veel van mijn zenuwen en mijn physiek geëischt, ik was oververmoeid, in een afgematten en overspannen toestand geraakt. En zoo ging het al maar door.
De bataljons voor den tegenaanval waren in den morgen van 13 Mei tot den aanval overgegaan; zoodra zij de lijn bezet hadden, die door 8 R.I. was bezet, kon de oude opstelling van het bataljon weder worden ingenomen.
Om pl.m. 11.00 uur ontving ik het bericht, dat de oude opstelling kon worden ingenomen.
Kort daarna kwam er weer een officier in mijn commandopost, en wilde verbinding hebben met zijn Regimentscommandant en deelde mede, dat de troepen uit elkaar waren geslagen. De lijn van 8 R.I. hadden ze dus niet bereikt.
De troepen van de aanvallende bataljons trokken geheel en al in wanorde terug langs de wegen en door het terrein van het stellingvak; zij drongen onze eigen loopgraven binnen en zochten dekking tegen het hevige vijandelijke artillerievuur en zogen de eigen troepen mede terug.
Toen, omstreeks pl.m. 13.15 uur naar ik mij herinner, terwijl ik in den commandopost nabij de telefoon zat, kwam de luitenant Hartgerink naar binnen stormen en riep op zenuwachtigen toon uit: "Majoor, de Duitschers zitten boven op (vlak op) Uw commandopost, U kunt er niet langer in blijven en moet er onmiddellijk uitkomen."
Mijn luitenant-adjudant, die steeds bij mij was geweest, was op dat oogenblik juist niet in den commandopost bij de telefoon.
Vermoedelijk heeft hij 1e Luitenant Hartgerink ook hooren roepen.
De luitenant Hartgerink heeft mij overrompeld, ik ben toen op dien uitroep, impulsief en spontaan in mijn oververmoeiden en overspannen toestand naar buiten gegaan en heb met een getrokken pistool gestaan in een loopgraafdeel van den commandopost.
In mijn nabijheid waren toen de luitenants H. en N. De commandopost werd met artillerievuur bestookt en boven den commandopost waren aanwezig vijandelijke bommenwerpers.
Ik heb toen met de luitenants H. en N. de commandopost achterwaarts verlaten en heb mij met sprongen, door telkens op te staan en weder plat op den grond te gaan liggen, omdat over ons heen schoten vielen, naar een gedekte rand begeven.
Door de zenuwachtigheid, de agitatie en de haast waarmede alles geschiedde kwam ik terecht in de prikkeldraadversperring en aan de andere zijde van de versperring zakte ik in een sloot.
Ik heb hierbij mijn rechterhand gewond en bezeerde mijn rechterbeen zoodanig, dat ik gebrekkig liep.
Het harde loopen, het opspringen en neervallen, dat alles op mijn leeftijd heeft zeer veel van mijn krachten gevergd. Ik kon niet meer en verkeerde in zulk een toestand, dat ik nog gezegd heb: "Laat mij maar liggen, ik kan niet meer"
Ik heb daarna getracht bij de hulpverbandplaats te komen om mij te laten verbinden, doch deze was verlaten, mijn adjudant was ik kwijt, ik heb verzuimd het commando over te geven, doch de luitenant Karsen heeft de opvolger nog gewaarschuwd, dat ik weg was.
Toen ik de hulpverbandplaats leeg vond, ben ik doorgeloopen naar den commandopost van Commandant 19 R.I. om daar een dokter te vinden en den Overste te spreken.
De commandopost van den Regimentscommandant was ook niet meer bezet, ik heb toen later de Overste en de dokter op den kunstweg naar Elst aangetroffen.
De dokter heeft mij doen verbinden en tegen mij gezegd: "Ik moest zien om op een gemakkelijke manier naar achter te komen"
De Regimentscommandant heeft mij toen in diens auto opgenomen, waarmede ik eerst gegaan ben naar Amerongen, daarna naar Cothen en later naar Heeswijk.
Het bataljonsvak had een frontbreedte van pl.m. 2200 meter, een abnormale frontbreedte in tegenstelling met de breedte, die in bijzondere omstandigheden 1000 meter mag bedragen. Zij was in de bijzondere omstandigheden dan ook dus veel grooter.
De bijzondere omstandigheden waren de hardnekkige verdediging achter een terrein, dat voor pl.m. 2/3 inundatieterrein was.
Door dit uitermate breede front, was de verdediging zeer ijl, vooral in breedte als in diepte, zeer moeilijk en onoverzichtelijk door de groote afstanden, waarop de onderdeelen van elkaar verwijderd lagen.
De opstelling bestond dan ook in de verdediging van twee lijnen, met een afwisselende afstand van 300 à 500 [meter] van elkaar verwijderd.
De achterste lijn was al zeer ijl ter verdediging ingericht door de zeer weinige troepen, die ter beschikking waren.
Meermalen is dit naar voren gebracht, doch meer troepen konden niet worden gegeven, omdat zij niet aanwezig waren.