Schrijven van dienstplichtig sergeant T.W.C. Rohn

HOOFDREGELINGSBUREAU
REGELINGSBUREAU LANDMACHT.
--------------------
Afdeeling I C.
Nr. 2088 / '41.
--------------------
Onderwerp:
Krijgsgeschiedenis

's-Gravenhage, 24 October 1941.
Willem Lodewijklaan 1.

Ik verzoek U mij een zoo nauwkeurig mogelijk verslag te doen toekomen van de ervaringen van Uwe Sectie en van Uwe Groep op 12 Mei 1940 en volgende dagen.
Het is daarbij vooral van belang, dat U beschrijft de opmarsch naar den Grebbeberg, de bevelen welke aldaar werden gegeven, hoe die zijn uitgevoerd, of er aanraking met den vijand is geweest en wat er verder met Uwer Sectie (Groep) heeft plaatsgehad.
Hierbij verneem ik tevens gaarne, of U het sneuvelen van den reserve 1e Luitenant C. Daniëls heeft gezien en in bevestigend geval, waar, of op welk tijdstip en op welke wijze dit heeft plaatsgehad.
Van eventueele aanraking met andere onderdelen van ons leger ware tevens melding te maken.

Den Generaal-Majoor,
o.l. den Luitenant-Kolonel van den Generalen Staf,
(get.) V.E. Nierstrasz.

Aan
den voormaligen dienstplichtigen sergeant
T.W.C. Rohn
Broerdijk 23
Nijmegen


==========================================================================


Nijmegen 28 October 1941

Den Heer Hoofd van het Regelings-
bureau Landmacht - Afdeeling Ic
Willem Lodewijklaan 1
's-Gravenhage.

WelEdel Gestrengen Heer,

In antwoord op Uw schrijven van 24 October jongstleden kan ik U het volgende mededeelen:
Zooals U misschien wel bekend zal zijn, waren wij gedurende de oorlogsweek, met één sectie onder bevel van wijlen luitenant Daniëls, gedetacheerd bij kasteel "Beverweerd" te Werkhoven in de provincie Utrecht. Wij hadden daar tot taak een munitie-depot te bewaken, hetwelk in het koetshuis van bovengenoemd kasteel was opgeslagen.
Toen Vrijdag 10 Mei de oorlog losbrak, was men reeds spoedig aanwezig om het depot leeg te halen. Met enkele menschen werd toen op verschillende punten rond het koetshuis wacht geloopen terwijl de rest van de sectie was belast met patrouillegang in de verdere omgeving van het kasteel, voor een niet onwaarschijnlijke aanval van vijandelijke parachutisten.
Dit ging zoo door tot Zondagmorgen 12 Mei, toen onze kapitein, de heer W. Ragut, ons om ca. 10 uur kwam mededeelen, dat wij des middags per auto naar de Grebbeberg zouden worden vervoerd, waar wij de daar reeds strijdende eenheden van ons bataljon zouden moeten versterken. Inmiddels was het depot leeg gekomen.
Alzoo geschiedde en om ca. 5.00 [17.00] uur begon onze tocht in twee auto's van het autobataljon, dat gelegerd was te Doorn. Daar de auto's voor 35 man met eenige bagage te klein bleken, werd overeengekomen, dat er in Doorn nog een derde auto bij zou komen, opdat wij ruimer zouden zitten.
In Doorn aangekomen, begaf onze luitenant zich naar een Compagniesbureau en kwam even later terug met de mededeeling, dat wij ons moesten melden bij onzen bataljonscommandant, majoor Van der Ploeg, die zich in de Holleweg te Rhenen zou bevinden.
Zoo reden wij dan naar Rhenen toe. Hier aangekomen zag ik een sergeant, die ik van gezicht kende, en wetende, dat hij tot ons bataljon behoorde, vroeg ik hem, of hij wist waar majoor Van der Ploeg zich kon bevinden. Hij vertelde mij, dat deze zich in het voorterrein bevond ongeveer ter hoogte van het Ouwehand's Dierenpark. Dus wij lieten ons verder rijden naar het Dierenpark.
Op ongeveer 200 meter voor het Dierenpark, was het ons, door het hevige vuur onmogelijk om met de auto's verder te rijden en wij besloten uit te stappen en de tocht te voet verder af te leggen. Juist op dit punt bevond zich een kapitein van de Marechaussee, die wij vroegen of hij ook wist waar zich majoor Van der Ploeg kon bevinden. Precies wist deze het echter ook niet en hij stuurde ons links van de weg het bosch in. Hier moesten wij maar eens vooruit trekken, mogelijk zouden wij hem daar vinden.
Het bevel werd uitgevoerd en wij zijn geloopen tot een groote villa, naar ik meen het woonhuis van den heer Ouwehand. Hier hebben wij halt gehouden en ging onze luitenant met een soldaat op het woonhuis af om dit eens nader te onderzoeken. In dit huis zaten naar ik meen eenige menschen van 19 R.I. Ook hier werd luitenant Daniëls niets wijzer omtrent de verblijfplaats van de majoor. Daar het inmiddels reeds lang donker geworden was en wij op totaal vreemd terrein waren, besloten wij terug te keeren naar het punt van uitgang namelijk de kapitein van de Marechaussee en diens raad nogmaals in te winnen. De sectie werd verspreid in de boschrand en luitenant Daniëls begaf zich opnieuw naar de kapitein. Hij zal ongeveer een kwartiertje weg zijn geweest, toen er op de weg en voor ons in het bosch een ware paniekstemming losbrak. Schreeuwende en hollende soldaten kwamen op ons toe, ook hoorden wij zeer duidelijk "Hände hoch" roepen. Wat er toen precies gebeurd is, kan ik mij, gezien de enorme verwarring, niet meer realiseeren. Wel weet ik, dat ik eenige keeren gevuurd heb en toen met eenigen van mijn sectie het bosch achter mij ben ingegaan.
Toen ik een 200 meter terug was heb ik de menschen die ik nog bij mij had verzameld en het bleek, dat er nog 3 soldaten van mijn eigen groep, een sergeant, een korporaal en twee soldaten van de 2e groep aanwezig waren.
Hierna heb ik ook luitenant Daniëls nooit meer teruggezien, dus Uw vraag, hoe, waar en wanneer hij sneuvelde, moet ik ontkennend beantwoorden. Ook van de rest der sectie heb ik althans in de verdere strijd op de Grebbe, niemand meer gezien.
Ondertusschen was er een hevig vuren vanuit Rhenen begonnen door 19 R.I. en ik besloot met de menschen te blijven waar ik was en rustig af te wachten, wat er verder stond te gebeuren. De korporaal en één soldaat ben ik hier ook nog kwijtgeraakt.
De 2e Pinksterdag, toen het licht begon te worden, besloot ik mijn plaats te verlaten en terug te trekken op Rhenen in de stellingen van 19 R.I.
Aldus geschiedde en na een moeizame tocht van ongeveer 3 à 4 uur zaten wij in de buitenwijken van Rhenen. Er was echter geen straat of huis of het stond onder gericht zwaar mitrailleurvuur, van 19 R.I. vanuit de stellingen over de spoorbaan.
Hierdoor raakte ik bij het oversteken van een straat ook nog de sergeant en een soldaat kwijt en zoodoende bleef ik nog met de 3 soldaten van mijn eigen groep over.
Ik ben toen ongeveer een halve kilometer ten noorden van het station de spoorbaan overgestoken en zoo belandde ik in de loopgraven van 19 R.I. Na eenige omzwervingen, kwamen wij in een stelling van eenige zware mitrailleurs, waar Cadet-vaandrig [J.C.] Reeser commandant was [M.C.-II-19 R.I.] en daar ik verder geen hoogeren in rang kon vinden heb ik mij met mijn 3 menschen te zijner beschikking gesteld.
Hier hebben wij den geheelen dag verder gezeten onder hevig artillerievuur. Toen plotseling, het was inmiddels ongeveer 4 à 5 uur in den namiddag, werden onze stellingen op een hevige manier door vliegtuigen gebombardeerd. Even daarna kwamen van alle kanten onze soldaten uit hun stellingen en begon de terugtocht. Ook wij sloten ons bij de eindelooze stoet aan.
Even voor Amerongen werden wij door eenige officieren uit de stoet gepikt. Er werd weer een sectie geformeerd en wij moesten ons ingraven, om, zooals men zei, de terugtocht te dekken. Wij zullen hier ongeveer een uur geweest zijn, toen er een ordonnans van ons bataljon langs kwam en meldde, dat 11 R.I. moest verzamelen bij hotel "Berghuis" te Amerongen.
Dit hebben wij ook gedaan. Hier kregen wij wat warm eten maar veel menschen van 11 R.I. zag ik er echter niet. Ik besloot om eens naar het dorp te gaan en hier vernam ik, dat 11 R.I. moest verzamelen te Vreeswijk achter de waterlinie.
Teruggekomen bij het "Berghuis" was nog steeds niemand van 11 R.I. te zien. Wel stond er een colonne vrachtauto's. Aan een der chauffeurs vroeg ik of hij soms iets wist omtrent 11 R.I. Hij wist echter van niets maar zei ons, dat wij maar achter op de auto moesten springen, daar alles terug ging achter de waterlinie, hetgeen ook klopte met het bericht welk ik in Amerongen kreeg. Dat hebben wij ook gedaan en Dinsdagsmorgens om ongeveer 4.00 uur zaten wij in Schalkwijk, alwaar wij de auto moesten verlaten en op eigen gelegenheid maar moesten trachten in Vreeswijk te komen. Met een paar fietsen, welke wij in het geëvacueerde plaatsje vonden zijn wij toen naar Vreeswijk gegaan. Om ongeveer half twaalf kwamen wij daar aan en ontmoetten daar ook reeds verschillende menschen van onze Compagnie, waaronder ook vaandrig Vermeeren, commandant van onze 4e sectie, op dat oogenblik tevens plaatsvervangend Compagniescommandant. Wij werden verder Compagniesgewijze ingekwartierd en wachtten alzoo de verdere bevelen af. Des avonds was echter voor ons de oorlog afgeloopen, en na het neerleggen der wapens, werden wij gedirigeerd naar Benschop. Hier hebben wij ca. 5 dagen gelegen en hier voegde zich zoo geleidelijk de rest van de compagnie weer bij ons aan. Tenslotte gingen wij weer naar onze oude mobilisatiebestemming, Amerongen, terug, alwaar wij 25 Mei voor 50% met groot verlof gingen, waartoe ook ik zelf behoorde.
Ik hoop, dat ik U naar genoegen heb ingelicht en verblijf,

Hoogachtend,
Uw dienstwillige dienaar,
(get.) T. Rohn.

T. Rohn
Distelstraat 77
Nijmegen.

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 1
(PDF, 535.11 KB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 2
(PDF, 2.70 MB)