Schrijven van dienstplichtig soldaat H.J. Gerritsen

Dinxperlo, 22 Maart 1941.

Onderwerp:
Krijgsgeschiedenis.


Hooggeachte Overste,

Gaarne voldoe ik aan Uw verzoek om hetgeen ik beleefd heb tijdens de oorlogsdagen aan U te schrijven. Mijn chefs waren Sectiecommandant Sergeant Dijkman en verder waren er nog sergeant van der Kolk en drie korporaals bij de sectie. In oorlogstijd stonden we onder bevel van de Kapitein van M.C.-II-8 R.I. [reserve-Kapitein C.E.L. Schoevaars], Bataljonscommandant Majoor Jacometti, Regimentscommandant Overste Hennink.

Vrijdag
's Morgens half vier werden we wakker van het gebulder der luchtdoelbatterij die achter ons kwartier stond en weldra deelde de sergeant van de week ons mede: Boeltje pakken en half zes gereed voor afmarsch naar de stelling. (De Duitschers waren ons land binnen gevallen en we waren in oorlog). Half zes, Kapitein Hakkert [Commandant 3-II-8 R.I.] sprak ons toe dat het nu oorlog was en we onze plicht tot het uiterste toe moesten volbrengen en desnoods met ons leven moesten betalen. Nagewuifd door de burgers van Rhenen marcheerden we naar de stelling die we omstreeks zes uur bezetten.

Die eerste dag is verder niet veel van te vertellen, we maakten de stelling nog wat beter in orde en wat boomen werden gerooid die in het schootsveld stonden. Terwijl de burgerbevolking geevacueerd werd koesterden wij ons in het voorjaarszonnetje en namen de dingen nogal niet zwaar op. 's Middags moest er munitie gehaald worden maar de jongens kwamen met niets terug, het was er nog niet of ze waren verkeerd (wat trouwens ook op een vergissing berustte). Zoodoend brak de eerste nacht aan en we legerden ons in de boerderij die vlak bij onze stelling stond, om beurten elkaar in de stelling aflossende voor de wacht. Maar om middernacht werden we opgeschrikt door het gebulder van kanonnen en fluiten van granaten. We werden echter gauw gerustgesteld toen we zagen dat het eigen artillerie was die over ons heen vuurde. Toch vonden we het veiliger om maar in de stelling te gaan slapen, wat we dan ook deden en wat ook makkelijker was met het aflossen van de piketwacht.

Zaterdag omstreeks 8.00 à 9.00 uur brood halen toen er al eenige vijandelijke granaten op de Grebbe vielen. Het duurde dan ook niet lang of het granaatvuur werd door onze artillerie beantwoord wat een levendige bedrijvigheid in de lucht bracht. Vijandelijke vliegtuigen kwamen ook eens een kijkje nemen, zeker om de uitwerking van de granaten te controleren dat dan ook al gauw heviger werd en het regende granaten op de Grebbe en nabij Rhenen. Hier en daar stegen ook al zwarte rookwolken op. De Sergeant Dijkman belastte Gerritsen G. en mij dan ook om te zien dat we munitie kregen daar de vijand niet ver meer kon zijn. We gingen dan ook met een trekker van de P.A.G. er op uit (dit heeft Sergeant Dijkman gevraagd en werd door de stukscommandant van de P.A.G. goedgevonden en de chauffeur was ook voor een beetje granaatvuur niet bang). We gingen eerst naar de commandopost II-8 R.I. [Kapitein Hakkert] waar we de munitie moesten halen zoals de vorige dag gezegd werd, maar daar aangekomen wisten ze ook van niets. Er werd vanuit onze commandopost even gebeld naar M.C.-II-8 R.I. en jawel, onze munitie was daar wel, dus gingen we daar naartoe. Bij het inladen van de munitie hoorden we dat de vijand al voor de Grebbe was en er al hevig gevochten werd. Dit verwonderde ons wel wat, maar het was zooals het was.

We haastten ons dan ook gauw terug naar onze stelling en de chauffeur kreeg ook haast want hij reed als een bezetene. Maar we kwamen behouden aan en Sergeant Dijkman verdeelde de munitie en handgranaten die hij eerst van slagpijpjes voorzag. Verder verliep de dag rustig voor ons, wel kwam er een enkele granaat in onze buurt neer, maar geraakt werd niemand. De nacht gingen we dan ook nog hoopvol tegemoet, want een ordonnans van een andere compagnie had ons verteld dat de Duitsers alweer teruggeslagen waren en de Franschen al in Nijmegen waren en dat geloofden we maar al te graag. Maar toen des nachts het geweervuur bleef doorratelen, begonnen we er toch wel enigszins aan te twijfelen of het wel waar was geweest. Maar de morgen brak aan en vóór ons was alles nog hetzelfde. Toch waren we allen wat anders gestemd en toen we met eten halen hoorden dat de hoofdlinie van de Grebbe gevallen was, werden sommigen er niet rustiger op. Maar toch hield Sergeant Dijkman er de moed nog in. Naarmate de dag vorderde werd de stemming weer beter en Zondagmiddag waren we allen weer vol goeden moed.

Sergeant Dijkman vroeg een ordonnans om na te vragen hoe we moesten handelen als we in de rug aangevallen zouden worden, iets waar op dat moment veel kans voor bestond en waar ik me voor aanmeldde. Blij er weer eens even uit te kunnen en eens te zien hoe het verderop ging. Na ongeveer 15 minuten bereikte ik de commandopost van M.C.-II-8 R.I. [Kapitein Schoevaars] en werd ik bij de Kapitein toegelaten na het wachtwoord en herkenningsteken te hebben gegeven. Ik deelde de berichten aan die Kapitein mede en die vertelde dat we het vuur wel wat moesten verleggen. Dit had de M.C.-II ook al gedaan en desnoods moesten we schietgaten in de rugwering maken. Standhouden tot de laatste man. Verder was de toestand onzeker op dat oogenblik. Op de Grebbeberg werd hard gevochten en als we hulp kregen konden we het nog wel volhouden. Met deze gegevens haastte ik me weer terug naar de stelling waar ik de gegevens aan Sergeant Dijkman doorgaf die dan ook gelijk wat aan de stelling liet veranderen.

Toen de nacht aanbrak, bleven we allen zooveel mogelijk wakker om bij het geringste klaar te zijn. Af en toe werd er eens gevuurd als we wat verdachts zagen. Maar ook de nacht ging rustig voorbij. Toen de schemering aanbrak en we allen doodop waren van slaap en moeheid ontdekten we dat er op ons gevuurd werd, maar van waar? Het kwam van de Cuneraweg maar we zagen niets. Dat duurde een oogenblik totdat we in de boomen, die op een afstand van pl.m. 100 meter stonden, wat zagen bewegen en we openden dan ook direct het vuur daarop. Later heb ik gehoord dat er minstens twee geraakt waren.

Maar toen ik daar nog op aan het schieten was, kwam Sergeant Dijkman bij me en vroeg of ik nog wat zag. Daar dat niet meer zoo was, liep ik met de Sergeant terug naar het andere einde van de loopgraaf. Doch die bereikten we niet, want een gefluit kondigde het naderen van granaten aan. En dat ze niet ver van ons af terecht zouden komen hoorden we ook wel en we dekten ons zoo gauw mogelijk. Meteen ontplofte de eerste granaat dan ook vlak achter de stelling. We wilden ons vlug naar de schuilnis begeven maar kregen geen kans, een tweede granaat floot alweer door de lucht. Ik wierp me plat op de grond en schreeuwde nog "Dekken!" of een knal en de tweede granaat ontsprong in de loopgraaf waardoor we met ons drieën gewond werden: Sergeant Dijkman, die kort daarop bezweek (hij was in het hoofd en bovenlichaam getroffen), Gerritsen G. (die een gebroken dijbeen had en de rechterzij vol scherven), en ik (aan rechterhand en linkerarm en -schouder).

Toch was ik er nog het beste aan toe en na door soldaat Weijers verbonden te zijn, kon ik op eigen gelegenheid naar een verbandplaats gaan. Ik ben eerst maar naar M.C.-II-8 R.I. gegaan, vandaar naar de Bataljonscommandopost waar ik een eerste Luitenant aantrof die me naar de commandopost 8 R.I. liet brengen, waar ik door de Regimentsarts verbonden ben. Daar heb ik tot Donderdagmorgen gelegen en de Overste Hennink heeft ons op Woensdagavond de capitulatie meegedeeld en beloofde ons voor vervoer te zullen zorgen. Maar Donderdagmorgen waren we nog met twee man aanwezig, één uit Hengelo (Overijssel) en ik (de naam van die soldaat ben ik vergeten). We zijn toen maar op eigen houtje naar Rhenen gelopen, waar men al aan het opruimingswerk begonnen was en waar ook een Roode-Kruiswagen aanwezig was. Die heeft ons naar Arnhem vervoerd waar ik in het Elisabethsgasthuis werd opgenomen.

Zoo eindigde voor mij de oorlog en ik hoop U hiermede van dienst te zijn geweest. Over de houding van Sergeant Dijkman kan ik niet anders dan de meeste lof uiten, zijn optreden had een kalmereerende uitwerking op ons en zijn taak als Sectiecommandant is niet licht geweest. Ik denk dan ook met de meeste eerbied aan dezen sergeant terug, die zijn leven gaf voor het Vaderland.

Hopend dat U mijn gekrabbel kunt ontcijferen daar het schrijven door de verwonding aan mijn hand niet beter is geworden.

Teken ik met Hoogachting,

Voormalig dienstplichtig soldaat
3-II-8 R.I. - 4e Sectie (Sergeant Spijkerman),
(get.) H.J. Gerritsen
A. 243 Dinxperlo

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument
(PDF, 4.93 MB)