Schrijven van H.G. Winkelman inzake rede van Rijkscommissaris Dr. Seyss-Inquart
OPPERBEVELHEBBER VAN
LAND EN ZEEMACHT.
No. 146 P.
Onderwerp: Rede van den Rijkscommissaris
Dr. SEYSS-INQUART.
Algemeen Hoofdkwartier, 27 Juni 1940.
Ter gelegenheid van zijn bezoek aan Rotterdam heeft de Rijkscommissaris Dr. SEYSS-INQUART een rede gehouden, waarin hij blijkens de in de pers verschenen verslagen onder meer heeft medegedeeld, dat de vernietiging van een deel van Rotterdam aan onze eigen schuld zou zijn te wijten. De Rijkscommissaris voegde er aan toe, dat dit niet bedoeld was als een verwijt aan de Nederlandsche bevelhebbers, omdat tengevolge van de afwezigheid van de leiding de besluitvaardigheid van deze bevelhebbers zou zijn geremd.
Deze voorstelling van zaken is in strijd met de feiten, zooals deze zich in werkelijkheid hebben voorgedaan, zoodat ik mij genoodzaakt heb gezien bij Dr. SEYSS-INQUART een protest tegen zijn rede in te dienen.
Daarbij heb ik deze autoriteit medegedeeld, dat het feit, dat de Regeering zich - terecht - in veiligheid had gesteld, van geen nadeeligen invloed op de Nederlandsche bevelhebbers is geweest en dat mij van mindere besluitvaardigheid van de bevelhebbers te Rotterdam niet is gebleken. Voorts heb ik gezegd, dat het niet onze schuld is geweest, dat Rotterdam werd gebombardeerd.
Daar het U ongetwijfeld belang zal inboezemen hoe de ware toedracht ten deze is geweest, geef ik U hieronder de bijzonderheden, waarmede ik mijn protest heb gestaafd.
Op 14 Mei te 10.30 uur ontving de commandant in Rotterdam, Kolonel SCHARROO, een schriftelijk stuk, behelzende een ultimatum om de verdediging onmiddellijk te staken, daar anders de scherpste maatregelen tegen de stad zouden worden genomen. De tijdsduur van dit ultimatum bedroeg 2 uren. Het antwoord moest dus uiterlijk om 12.30 uur zijn ingekomen.
Daar de brief niet onderteekend was en dus de mogelijkheid van mystificatie niet uitgesloten was, heb ik per ommegaande schriftelijk doen weten, dat een dergelijk voorstel alleen dan in overweging kon worden genomen, indien het behoorlijk gewaarmerkt en door een bevoegden commandant zou zijn onderteekend.
Dit antwoord was om 12.15 uur, dus een kwartier voor het verstrijken van den termijn, te bestemder plaats - Noordereiland nabij Koningsbrug - aangekomen. De Nederlandsche kapitein Bakker heeft daar echter met een Duitschen overste von CHOLTITZ tot 12.35 uur moeten wachten op de aankomst van Duitsche generaals.
Om 13.20 uur is aan kapitein Bakker een nieuw, thans behoorlijk ondertekend, ultimatum, met een geldigheidsduur van 3 uren, overhandigd. Hiermede is genoemde kapitein in gezelschap van 2 Duitsche officieren naar den Nederlandschen commandant teruggekeerd.
Intusschen was om 13.22 uur bij de nadering van een Duitsch vliegtuig-eskader op last van den Duitschen luitenant-generaal SCHMIDT een roode seinpatroon afgeschoten (volgens Duitsche verklaring als teeken, dat het bombardement niet moest worden uitgevoerd) en om 13.25 uur werd dit bij het Zuidelijke bruggehoofd van de Willemsbrug in opdracht van een der beide Duitschers, die kapitein BAKKER vergezelden, herhaald. Desniettegenstaande is het bombardement om 13.30 uur toch begonnen.
Uit het vorenstaande blijkt, dat, indien de Duitschers het voornemen hebben gehad, het bombardement niet te doen doorgaan, de hunnerzijds daartoe getroffen regeling gefaald heeft en dat de aan Rotterdam toegebrachte schade in geen geval is te wijten aan mindere besluitvaardigheid van Nederlendsche zijde. Daar het mij niet mogelijk is deze weerlegging door middel van de pers bekend te stellen, heb ik gemeend langs dezen schriftelijken weg de Nederlandsche weermacht te moeten bevrijden van de ten onrechte op haar geworpen blaam, dat zij de oorzaak van Rotterdams noodlot zou zijn geweest.
DE GENERAAL,
OPPERBEVELHEBBER VAN LAND- EN ZEEMACHT.
(get.) H.G. WINKELMAN.
AAN:
Burgemeester en Leden van
den Gemeenteraad van
ROTTERDAM.
|
