Schrijven van kolonel A.M.M. van Loon

HOOFDREGELINGSBUREAU
REGELINGSBUREAU LANDMACHT.
Afdeeling I C.
----------
No 1650.
-------
O n d e r w e r p :
----------------------
Krijgsgeschiedenis.
-------

 

's Gravenhage, 30 Juni 1941.
Willem Lodewijklaan 1.

In het belang van een juiste geschiedschrijving verzoek ik U, inlichtingen te willen geven met betrekking tot de volgende vraagpunten, die uit de beschikbare gegevens niet met voldoende nauwkeurigheid zijn te beantwoorden.

  1. Op 12 Mei was U in den voormiddag van Uw commandopost afwezig voor het toespreken van personeel van III-8 R.I. op Plantage Willem III en daarna te Werkhoven voor het bezorgen van wapens aan dat personeel. Van die tocht is U door Commandant IIe Legerkorps teruggeroepen.
    Kunt U zich herinneren, hoe laat U weder op Uw commandopost terug was? Van belang is voornamelijk of U terug waart, vóór dat de berichten omtrent het binnendringen in de frontlijn door de Duitschers waren ingekomen, dan wel daarna.

  2. Na het binnendringen in de hoofdweerstandstrook door de Duitschers zijn aanvankelijk drie tegenstooten uitgevoerd:
    1e. door 1-II-19 R.I.
    2e. door Majoor JACOMETTI
    3e. door 3-I-8 R.I. op last van Commandant I-8 R.Ι.
    Het is niet na te gaan, of de sub 2e en 3e bedoelde tegenstooten een uitvloeisel waren van een bevel Uwerzijds, c.q. van vroeger gegeven bevelen.
    Kunt U dit nog nagaan?
    Omtrent het oprukken van 1-II-19 R.I. voor den tegenstoot, bedoeld sub 1e waren - voor zooveel bekend - noch Commandant 8 R.I. noch Commandant I-8 R.I. ingelicht.
    Voor Commandant I-8 R.I. was de verschijning van 1-II-19 R.I. een volkomen verrassing.
    Commandant 8 R.I. heeft, na het vernemen van den tegenstoot door 3-I-8 R.I. Staf IVe Divisie opgebeld, waarna hij bericht ontving van de versterking met 3-4 R.H, en I-24 R.I. (zie sub c).
    Omtrent het inzetten van 1-II-19 R.I. en III-11 R.I. (zie sub c) vermeldt Commandant 8 R.I. niets in zijn gereconstrueerd gevechtsverslag.

  3. Nadien zijn door U ingezet:
    III-11 R.I. (op hetzelfde tijdstip, dat II-19 R.I. de spoorlijn bezette, nadat de bevolen actie tot het hernemen der voorposten was afgelast).
    3-4 R.H.
    I-24 R.I.
    Deze onderdeelen hebben - voor zooveel is na te gaan - hun opdracht rechtstreeks van U ontvangen.
    Was Commandant 8 R.I. ter zake onderricht en waren de Commandanten der bovengenoemde onderdeelen op de hoogte gesteld van elkanders opdrachten.
    Tusschen III-11 R.I. en I-24 R.I. is contact geweest, toen een deel van III-11 R.I. werd aangevallen. III-11 R.I. is in de stoplijn gekomen, toen 3-I-8 R.I. een tegenstoot uitvoerde (zie sub b 3e); een deel van III-11 R.I. heeft 3-I-8 R.I. in den rug bevuurd.
    3-4 R.H. is bij aankomst door personeel van III-11 R.I. bevuurd en wist niets omtrent den toestand, ook niet dat I-24 R.I. en III-11 R.I. waren ingezet.
    Commandant 8 R.I. vernam slechts uit verschillende berichten, dat van de versterking met I-24 R.I. niet veel was terecht gekomen.
    Commandant I-8 R.I. wist niets (althans volgens zijn luitenant-adjudant) omtrent den opmarsch van 1-II-19 R.I., III-11 R.I. en I-24 R.I. De indeeling van 1-II-19 R.I. bemerkte hij eerst bij aankomst.
    Aangezien Commandant 8 R.I. op den 12 Mei geruimen tijd buiten zijn commandopost is geweest voor een bezoek aan zijn stellingen (ongeveer van 11.00 - 14.00 à 15.00 uur) en Commandant I-8 R.I. te ongeveer 14.00 à 15.00 uur persoonlijk in gevechtshandelingen moest ingrijpen, is het mogelijk dat van Uw commandopost gegeven bevelen den Commandant 8 R.I. niet hebben bereikt of (door het stuk schieten van telefoonverbindingen) niet tot Commandant I-8 R.I. zijn doorgedrongen. Ook is het mogelijk, dat de officieren van den Staf van I-8 R.I., die gegevens hebben verstrekt uit hun herinnering, zich den juisten gang van zaken niet meer herinneren.
    Kunt U wellicht een en ander nog nader toelichten?

  4. Op 12 Mei werd Brigade B door Commandant IIe Legerkorps geheel te Uwer beschikking gesteld.
    U heeft voor de actie op 13 Mei aan Commandant Brigade B zelf echter geen taak gegeven. Was er geen aanleiding om dezen Brigadecommandant met zijn staf te belasten, hetzij met het vasthoudend front, hetzij met de troepen, die den tegenaanval uitvoerden?
    Thans waren de beide commandanten (Commandant 4 R.H. en Commandant 29 R.I.) voor een wel zeer zware taak gesteld.

  5. In Uw Verslag van 29 Mei 1940 No 123 P/1 komt ondermeer het volgende voor betreffende 13 Mei 1940:

    's Middags te ongeveer 13.00 uur bereikte mij het bericht, dat de Koerheuvel in 's vijands handen was gevallen en door ongeveer 30 man was bezet.
    Hierop werden met een Sectie van II-19 R.I. als bewaking der commandopost maatregelen genomen ter verdediging van die post.
    Aan Commandant III-24 R.I. die zich als reserve in de nabijheid van de Koerheuvel bevond, werd opgedragen, dit belangrijke punt te hernemen.
    Aldus is geschied.
    Intusschen was de telefonische gemeenschap met Commandant 19 R.I. verbroken. Personeel der Verbindingsafdeeling werd uitgezonden ter herstelling.
    Te ongeveer 15.00 uur bereikte mij het bericht, dat onze troepen ondanks alles Westwaarts terugvloeiden en dat de Duitschers tot ongeveer 300 meter van mijn commandopost waren genaderd.
    Enkele manschappen van de bewaking der commandopost werden gewond binnen gebracht.
    Van den Divisie-artilleriecommandant kreeg ik bericht, dat de Divisie-artillerie de vuurmonden op bevel der ondercommandanten onbruikbaar maakte.
    Ten einde omsingeling te ontgaan besloot ik daarop mijn commandopost te ontruimen en te Elst te trachten de terugtrekkende troepen op te nemen.

    Aangezien het vermoeden bestaat, dat het nemen van de Koerheuvel door den vijand en de aanval op Uw commandopost op een mystificatie berust, zal ik gaarne een en ander uitvoeriger toegelicht zien en daarbij vernemen, wie U het bericht omtrent het naderen van vijand heeft gegeven, ten einde den oorsprong daarvan na te gaan.
    Commandant III-24 R.I. vermeldt in zijn Gevechtsverslag wel, dat hij te ongeveer 14.30 uur bericht kreeg, dat sterke vijandelijke afdeelingen werden waargenomen bij Koerheuvel, dat hij een uitgangsstelling door III-24 R.I. en 11 G.B. deed innemen, doch bij het geven van een begin van uitvoering telefonisch bericht van U te hebben ontvangen: "onmiddellijk terugtrekken in Westelijke richting."
    De mededeeling in Uw verslag:
    "Aldus is geschied" moet dus op een vergissing berusten en daaromtrent is nadere toelichting gewenscht.

  6. In de desbetreffende correspondentie met den voormaligen Commandant Veldleger heeft U verklaard, dat door U geen bevel is gegeven voor den terugtocht van de troepen, welke de spoorlijn te Rhenen moesten verdedigen.
    Echter is het volgende vermeld in het Dagboek van Commandant Brigade B (waarvan eerst kort geleden een exemplaar in mijn bezit is gekomen):

    "Om 12.30 uur komen op Stafkwartier Brigade B (te Amerongen) berichten binnen, dat tusschen Rhenen en Amerongen treinen en troepen van IVe Divisie in wilde wanorde terugvloeien richting Amerongen.
    Commandant Brigade B heeft daarop de weinige nog beschikbare troepen (het betreft hier de troepen, die Commandant Brigade B zelf nog ter beschikking had, te weten Verbindingsafdeeling, Troependetachement, Staf 16 R.A., 10e Compagnie Pioniers, 3-V Autobataljon, 6e Compagnie Luchtdoelmitrailleurs en Detachement Politietroepen) met spoed stelling doen nemen à cheval van den kunstweg Amerongen - Rhenen, ter hoogte van kilometerpaal 100, teneinde de terugvloeiende troepen, voor zoover zij daartoe geen bevel hadden ontvangen en dus als "op de vlucht" konden worden beschouwd, tegen te houden en desnoods met geweld weder in 's vijands richting te zenden. Ook de Brigadecommandant met den Chef van den Staf en de meeste officieren van Stafkwartier Brigade B begaven zich naar den kunstweg Amerongen - Rhenen om orde te scheppen in den chaos.
    Nabij Elst bleek zich Commandant IVe Divisie te bevinden, die berichtte, dat hij bevel had gegeven zijn troepen te doen teruggaan uit Rhenen en omgeving en thans doende was, nieuwe weerstanden te organiseeren, onder andere in de lijn Elst - Veenendaal.
    .........
    Toen Commandant Brigade B om pl.m. 17.30 uur op zijn commandopost bij Amerongen terug kwam, arriveerde aldaar het bevel van den Commandant Veldleger, waarin opdracht werd verstrekt den terugtocht op het Oostfront van de Vesting Holland uit te voeren".

    Commandant III-24 R.I. moet volgens het sub e vermelde te ongeveer 14.30 uur het bevel van terugtrekken naar het Westen hebben gekregen.
    In het Verslag van dien Commandant komt nog voor, dat het bovenbedoelde bevel niet vergezeld was van het codewoord, dat Commandant III-24 R.I. terugbelde en geen gehoor meer kreeg en een ordonnans zond die den commandopost onbezet vond.
    Het verslag vermeldt verder:

    "Later hoorde ik van Kapitein HARREVELT, die zijn commandopost had dicht bij dien van Commandant IVe Divisie, dat hem omstreeks 14.30 uur een uit de richting van commandopost IVe Divisie komende legerauto was gepasseerd, waaruit hem door wenkende officieren was toegeroepen: Terugtrekken in Westelijke richting."

    Ook in verschillende verslagen van lagere commandanten wordt mededeeling gedaan omtrent bevelen tot het teruggaan, die zij zouden hebben ontvangen.
    Ten einde een goed inzicht te verkrijgen van hetgeen zich heeft afgespeeld in den namiddag van 13 Mei verzoek ik U, een en ander zoo nauwkeurig mogelijk toe te lichten.

  7. De terugtocht op de Vesting Holland is door den Commandant Veldleger bevolen: "na het invallen van de duisternis".
    Uit Uw Verslag der oorlogshandelingen van 29 Mei blijkt, dat deze onmiddellijk na ontvangst van het bevel (in Oostrand Amerongen) is bevolen.
    Kunt U zich de bevelen herinneren die daaromtrent aan U zijn gegeven door Commandant IIe Legerkorps en tevens hoe deze U bereikten (schriftelijk of telefonisch) en wie deze heeft overgebracht?

Ik verzoek U, met de noodige inlichtingen omtrent bovengenoemde vraagpunten, mij tevens inlichtingen te verschaffen nopens vraagpunten omtrent het gebruik der Divisieartillerie zooals deze zijn geformuleerd in den bijgevoegden afdruk van den brief aan Uw voormaligen Divisie-artilleriecommandant.

De Generaal-Majoor,
de Luitenant-Kolonel van den Generalen Staf
V.E. Nierstrasz.

AAN
den Kolonel der Infanterie b.d.
A.M.M. VAN LOON
Julianalaan No 24
te
OVERVEEN.
-------------


==========================================================================


Kolonel
A.M.M. van Loon

Onderwerp:
Krijgsgeschiedenis

Overveen, 26 Augustus 1941

In antwoord op Uwen brief van 30 Juni 1941 Afdeeling I C No 1650 moge het volgende dienen:

ad a.
Mijn vertrek van en niet mijn terugkeer op mijn commandopost heeft plaatsgevonden op bevel van Commandant IIe Legerkorps.
Commandant IIe Legerkorps eischte dat op 12 Mei met de teruggeslagen voorposten een tegenstoot zou worden uitgevoerd.
Mijn tegenwerping dat geslagen troepen direct geen gevechtswaarde hebben werd niet aanvaard.
Op uiterst heftige wijze werd mij medegedeeld dat de voorposten zich door een - troep kwajongens van nauwelijks twintig jaar - hadden laten teruggooien en dat zij - hunne opstellingen hadden te hernemen of te sneuvelen. –
Hiertoe werd mij bevolen om zoodra de tegenstoot voorwaarts was gegaan de - eigen mitrailleurs op deze eigen troepen in den rug te richten. –
Mij werd bevolen - die lafaards - dit te gaan vertellen.
Aldus begaf ik mij naar Plantage Willem III waar ik een troepje militairen totaal zonder eenig verband en met moreel gelijk nul aantrof; bovendien voor een groot gedeelte zonder wapens en munitie.
Ik heb mij met hen onderhouden en hen moed ingesproken.
Teneinde hen weer gevechtsvaardig te maken heb ik – na het ontbrekende te hebben genoteerd – mij per auto naar Werkhoven begeven. Daar waren de goederentreinen gelegerd.
Ik heb mij daarvan de noodige wapens, uitrustingstukken en munitie verschaft en deze naar Plantage Willem III vervoerd.
Toen ik daar terugkwam te ongeveer 15:00 uur kwam een motorrijder mij namens den Chef van mijn Staf verzoeken zoo spoedig mogelijk op de commandopost te komen - omdat er belangrijke beslissingen moesten worden genomen. –
Ik heb toen de uitdeeling der wapens enz. aan een sergeant overgelaten en ben naar mijn commandopost teruggekeerd. Het zal ongeveer 16.00 uur zijn geweest toen ik op die post aankwam.
Toen waren er reeds berichten dat de Duitschers in de frontlijn waren gedrongen.
In verband hiermede waren door den Chef van mijn Staf reeds de volgende maatregelen getroffen:

  1. III-11 R.I., sterk toen ongeveer anderhalve compagnie, versterkt de stoplijn.
    Hiervan was aan Commandant 8 R.I. mededeeling gedaan.
  2. 1-II-19 R.I. ter beschikking gesteld van Commandant I-8 R.I. voor een tegenstoot à cheval van de Heimersteinsche laan.
    Doel was het aanvankelijk door 3-I-8 R.I. verkregen succes uit te buiten en door te stooten tot de frontlijn.
    Ook dit is aan Commandant 8 R.I. telefonisch medegedeeld.
  3. Zelf heb ik daarna opdracht gegeven aan 3-4 R.H. voor een tegenstoot Zuid en evenwijdig aan den kunstweg Rhenen - Wageningen.
  4. En aan I-24 R.I. om achter 1-II-19 R.I. en 3-4 R.H. op te rukken om de frontlijn te bezetten en deze aldus weer stevig in handen te hebben.
    Van een tegenstoot van dit bataljon was dus feitelijk geen sprake.

De belangrijke beslissingen, waarvoor ik van Plantage Willem III was teruggeroepen, behelsden het gebruik der beschikbaar komende deelen van Brigade B. Verder vernam ik toen van de plannen van Commandant IIe Legerkorps om twee bataljons der IIe Divisie onder bevel van Commandant IIe Divisie een tegenstoot (c.q. aanval) op den Grebbeberg te laten doen.
Ik herinner mij toen hierover een telefonisch onderhoud met Commandant IIe Legerkorps te hebben gehad, als gevolg waarvan toen die twee bataljons onder mijne bevelen zijn gekomen.

ad b.
De onder 2e en 3e bedoelde tegenstooten zijn niet door mij bevolen. Door het slechts gebrekkig werken der telefoonverbindingen, was ik vaak geruimen tijd zonder berichten over de strijdende afdeelingen. Ik herinner mij dat ik omtrent de tegenstoot ad 2e eerst mededeeling kreeg bij het bericht van het sneuvelen van Majoor Jacometti.
Die tegenstooten zijn uitgevoerd door de respectievelijke commandanten op grond van het bepaalde in het Algemeen Verdedigingsbevel. Dit bevel toch sprak van - het voet voor voet verdedigen van de hoofdweerstandsstrook en over het doen van tegenstooten. -
De opmerking (blz. 1 voorlaatste alinea) dat de verschijning van 1-II-19 R.I. een volkomen verrassing was, ga ik stilzwijgend voorbij o.a. omdat Commandant I-8 R.I. geen nadere inlichtingen meer kan verstrekken.
De Chef van mijn Staf, Kapitein van den Generalen Staf G.J. Le Fèvre de Montigny, verklaart mij desgevraagd dat hij de toevoeging van 1-II-19 R.I. persoonlijk met de commandopost van Commandant 8 R.I. telefonisch heeft besproken. Of Commandant 8 R.I. toen zelf aan het telefoontoestel was kan Kapitein Le Fèvre zich niet meer herinneren. Wel weet hij nog dat men beloofde Commandant I-8 R.I. omtrent een en ander in kennis te stellen.
Dat Commandant 8 R.I., mij opbellende, na het vernemen van den tegenstoot door 3-I-8 R.I., bericht ontving van de aankomst van 3-4 R.H. en I-24 R.I. is een toevallige omstandigheid. Dat bericht had die commandant zeer zeker ook ontvangen zonder de telefonische oproep zijnerzijds.
De mededeeling op dat oogenblik was meer ter inlichting, mede met de bedoeling het moreel van 8 R.I. tot het uiterste op te voeren.
Of de onderdeelen, waarover het hier gaat, op dat oogenblik reeds ter plaatse waren betwijfel ik. Aan Commandant 8 R.I. is – toen er bericht binnenkwam dat de tocht van I-24 R.I. c.a. geen succes had – medegedeeld dat de deelen hiervan, welke de spoorbaan in Rhenen nog niet in Westelijke richting gepasseerd waren, zich ter plaatse moesten handhaven en onder bevel van Commandant 8 R.I. kwamen. De deelen die de spoorbaan reeds in Westelijke richting waren gepasseerd werden aan de Divisiereserve toegevoegd.
Ik herhaal hier nogmaals dat van een tegenstoot van I-24 R.I. geen sprake was.
Wanneer Commandant I-24 R.I. hiervan spreekt is dit geheel ten onrechte.

ad c.
U schrijft aldaar: Nadien zijn door U ingezet. Dit is niet juist; III-11 R.I. werd vòòr 1-II-19 R.I. ingezet. Blijkbaar kwam dit later ter plaatse.
Inderdaad hebben III-11 R.I., 3-4 R.H. en I-24 R.I. hun opdracht rechtstreeks van mij ontvangen. Beide laatstgenoemde onderdeelen namelijk bij monde van Kapitein K.F. Puffius van mijn Staf. Deze officier deelde mij desgevraagd mede dat het bevel werd overgebracht staande bij pl. 107 aan den kunstweg Rhenen - Amerongen.
Commandant 8 R.I. heeft van de opdrachten dezer onderdeelen bericht ontvangen. Telkens werd dien commandant opgedragen de nabij het punt van uitvoering der tegenstoot opgestelde troepen en die welke zich daarvoor bevonden, te waarschuwen.
Hoe weinig effect dit had bleek mij bij de uitvoering van den tegenstoot II-19 R.I. in den nacht van 11 op 12 Mei. Reeds bij het passeeren van de stoplijn openden de aldaar opgestelde troepen het vuur op de onderdeelen van II-19 R.I. Deze troepen moesten daardoor terug. Telkens wanneer zij daarna weer voorwaarts gingen begon het vuur opnieuw.
Zonder oorlogservaring heeft men nu eenmaal de zenuwen niet altijd in bedwang.
Dat Commandant 8 R.I. zijn onder hem gestelde Bataljonscommandanten niet op de hoogte zou hebben gehouden acht ik zeer onwaarschijnlijk.
Commandant 3-4 R.H. was de Reserve Ritmeester E.C. Baron van Pallandt. Deze is zelf op mijn commandopost geweest en heeft zich daar op de hoogte van den toestand gesteld. Persoonlijk heb ik dien officier op de kaart alles aangewezen.
De bewering dat 3-4 R.H. niet wist dat III-11 R.I. was en I-24 R.I. zou worden ingezet is alleen te verklaren door de zenuwachtigheid van den Ritmeester. Deze zenuwachtigheid is mij niet ontgaan.
Ook Commandant III-11 R.I. werd geheel ingelicht. Dat een deel van III-11 R.I. 3-I-8 R.I. in den rug heeft bevuurd, acht ik gelet op het hierboven vermelde zeer wel mogelijk.
Teneinde dit goed te doen uitkomen herhaal ik dat III-11 R.I. als taak had versterking van de bezetting van de stoplijn en I-24 R.I., oprukkende achter 1-II-19 R.I. en 3-4 R.H., versterking van de bezetting van de frontlijn.

ad d.
Dat Brigade B GEHEEL te mijner beschikking werd gesteld op 12 Mei is iets wat ik thans voor het eerst uit Uwen brief verneem. Wanneer dit inderdaad het geval is geweest is het mij onbegrijpelijk dat Commandant Brigade B., die in den avond van 12 Mei geruimen tijd met de Kapiteins van den Generalen Staf A.H.J.L. Fiévez (van Hoofdkwartier van het Veldleger) en Kamerling (Chef Staf Brigade B.) op mijn commandopost vertoefde, mij niets daarvan heeft medegedeeld.
Ook bevreemdt het mij dan hoe Kolonel Nijland daarna op 13 Mei 's middags weer rechtstreeks bevelen van den Commandant Veldleger heeft kunnen aanvaarden, zonder dat de Commandant Veldleger mij dit heeft bericht.
Verder bevreemdt het mij in dit geval hoe Kolonel Nijland mij op mijn commandopost kon mededeelen dat DEELEN van zijn Brigade te mijner versterking op marsch waren.
Kolonel Nijland sprak toen van drie à vier bataljons infanterie, die per auto werden aangevoerd.
In verband met deze toelichting acht ik nadere beschouwing van de zinsnede in Uwen brief – was er geen aanleiding om dezen Brigadecommandant met zijn staf te belasten, hetzij met de troepen, die den tegenaanval uitvoerden – mede om de kritiek, die daarin is vervat en welke kritiek niet strookt met het gestelde in den aanvang van Uwen brief, onnoodig.
Mocht het voor de geschiedschrijving nuttig zijn dan breng ik gaarne naar voren dat het toezenden van alle mogelijke losse bataljons zonder hoogere commandanten de bevelvoering der IVe Divisie ernstig heeft bemoeilijkt.

ad e.
Dat de bezetting van den Koerheuvel door den vijand OP EEN MYSTIFICATIE ZOU BERUSTEN werd mij indertijd reeds mondeling door Commandant IIe Legerkorps onder dezelfde bewoordingen medegedeeld.
Ik meen toen deze bewering afdoende te hebben weerlegd o.a. door de mededeeling dat de doorgedrongen vijand door mij persoonlijk en ook door officieren van mijn Staf op slechts één à twee honderd meter van mijn commandopost is gezien.
Die vijand was toen den Koerheuvel reeds gepasseerd. Mogelijk blijft nu nog dat de door mij en mijn officieren waargenomen vijanden parachutisten waren.
Dat ik Commandant III-24 R.I. zou hebben opgedragen om onmiddellijk terug te trekken in Westelijke richting is beslist onwaar. Bij het verlaten van mijn commandopost op den Grebbeberg zat alleen bij mij vóór de reeds terugvloeiende troepen op te vangen en door persoonlijk ingrijpen te doen standhouden [deze zin is overduidelijk niet juist of onvolledig overgenomen van het origineel].
Aan een algemeene terugtocht heb ik toen niet gedacht. Trouwens voor het geven van een dergelijk bevel was ik toen nog niet bevoegd.
Wat Commandant III-24 R.I. bedoelt met het innemen van een UITGANGSSTELLING ontgaat mij. III-24 R.I. en daarbij 11 G.B. bleek bij aankomst in het vak der IVe Divisie te vermoeid om te worden ingezet. Daarom wees ik die onderdeelen een plaats om te rusten aan. Commandant III-24 R.I. kreeg toen van mij de opdracht een stelling te verkennen in oostrand Elst - Veenendaal. Een resultaat dezer verkenning heeft mij nimmer bereikt.

ad f.
Wat hier, als zijnde door Commandant Brigade B. medegedeeld, is neergeschreven is niet juist.
Toen ik mij naar Elst verplaatste was de weg Rhenen – Elst - Amerongen geheel opgevuld met voertuigen en troepen, die herhaaldelijk door vijandelijke vliegtuigen werden aangevallen.
Ik heb toen aan de troepen, die deels reeds op de voertuigen hadden plaatsgenomen, bevel gegeven halt te houden in den Oostrand van Elst. De voertuigen met paardentractie kregen bevel geheel rechts te marcheeren en aldus snellere voertuigen gelegenheid te geven links te passeeren. Mijn bevel, dat ik ontelbare malen heb herhaald, luidde verder: Achterelkaar halt houden met voorste voertuig nabij Oostrand Doorn en daar nadere bevelen wachten.
In Elst meldde zich Kapitein I.E. Leezer, Adjudant van Commandant IIe Legerkorps, bij mij. Hij deelde mij mede te zijn gekomen als gemachtigde van Commandant IIe Legerkorps en verlangde dat de treinen slechts tot den Oostrand Leersum zouden teruggaan. Nadat ik Kapitein Leezer overtuigd had dat de colonne voertuigen in verband met haar lengte veel verder west moest optrekken, gaf hij toe dat mijn bevel beter was en dus diende te worden gehandhaafd.
Aldus zijn de voertuigen op bovenomschreven wijze (ik heb dit op mijn tocht van Elst naar Amerongen kunnen constateeren) westwaarts teruggegaan.
Toen ik de verdere regeling van de bezetting van den Oostrand van Elst bij de officieren van mijn Staf in goede handen wist ben ik verder gegaan naar den Oostrand van Amerongen om de troepen, die Elst reeds gepasseerd waren op te vangen en naar Elst terug te zenden.
Nabij kilometerpaal 100 trof ik Commandant Brigade B. met enkele officieren van zijn staf aan, bezig alles, dus ook de voertuigen, weer in oostelijke richting terug te zenden.
Op mijn vraag op wiens last hij zulks deed vernam ik dat de Commandant Veldleger hem dit bevolen had.
Met verwondering lees ik nù in het, door U aangehaalde, gedeelte van het Dagboek van Commandant Brigade B. dat deze dit terugzenden eigener gezag heeft gedaan.
Ik acht dit ingrijpen onverantwoordelijk. Het had tot een algeheele vernietiging op den weg Rhenen – Amerongen - Doorn kunnen leiden.
Toen ben ik wanhopig op den treeplank van mijn auto gaan zitten. Een dergelijk ingrijpen van autoriteiten, die onvoldoende van den toestand ter plaatse op de hoogte waren, was mij te machtig.
Na eenige oogenblikken heb ik mij nogmaals tot Commandant Brigade B. gewend om hem van het verkeerde van dien maatregel te overtuigen. Als gevolg van veel gepraat is toen weer uitvoering gegeven aan den maatregel om de voertuigen terug te zenden.
De woorden van Commandant Brigade B. - ORDE SCHEPPEN IN DEN CHAOS – laat ik geheel voor zijn verantwoording. Naar mijn meening was juist hij degeen die bezig was een chaos te maken.
Onjuist is dat Commandant Brigade B. met mij contact heeft gehad toen ik mij nog te Elst bevond.
Onjuist is dus ook dat ik een bevel van mij, dat mijn troepen zouden moeten teruggaan, aan Commandant Brigade B. bericht kan hebben.
De Kapitein Puffius, die te Elst steeds bij mij was deelde mij desgevraagd mede:
- Geen officier van Brigade B. is aldaar geweest om verband op te nemen. -
Dat Commandant III-24 R.I. te 14.30 uur van mij een bevel zou hebben ontvangen om in Westelijke richting terug te gaan ontken ik ten stelligste.
Ik bracht dit onder ad e. reeds naar voren.
Kapitein Puffius deelt mij naar aanleiding van het bovenstaande mede: Ik bevond mij met Reserve 2e Luitenant Mr. S. Baron van Heemstra in het onderkomen van Sectie I. Een dergelijk bevel aan Commandant III-24 R.I. is niet door Sectie I uitgezonden. Tusschen 12.00 en 14.00 uur was ik in het badhuis te Rhenen om verband op te nemen met Commandant II-19 R.I. der Divisiereserve. In die commandopost was aanwezig Luitenant Kolonel Jhr. De Marees van Swinderen. Later kwam Commandant II-19 R.I. van een inspectie terug. Het moreel der troepen achter den spoorbaan was, ondanks het heftige artillerievuur, zeer goed. Er kan dus geen sprake van zijn dat de Divisiecommandant even daarna bevel zou hebben gegeven dat de meer achterwaarts gelegen troepen moesten teruggaan.
Van hetgeen Kapitein Harreveld gerapporteerd heeft, is mij niets bekend.
Ik betwijfel of het wel mogelijk is geweest dat uit – een omstreeks 14.30 uur uit de richting van Commandopost IVe Divisie komende legerauto – hem kon worden toegeroepen – terugtrekken in Westelijke richting -.
Wanneer uit mijn commandopost een auto is gekomen, dan heeft deze eerst den Stokweg in Zuidelijke richting en daarna den weg Rhenen – Elst – Amerongen in Westelijke richting gevolgd. De onderdeelen van III-24 R.I. waren sinds hun komst onder mijne bevelen Oost van den Stokweg en geheel Noord van den weg Rhenen – Elst – Amerongen gelegerd.
Ik stel er prijs op om als slot van dit punt te doen uitkomen dat het vreemd aandoet dat van hoogerhand nimmer is – en zelfs thans blijkbaar nog niet wordt – ingezien dat de IVe Divisie in feite door den vijand was doorbroken.
Met de nog hier en daar los opgestelde onderdeelen was het niet mogelijk in het beboschte terrein een nieuwe weerstandslijn achter den spoorweg te organiseeren.
Dit voor oogen houdende stel ik de vraag welke maatregelen ik – bij een algeheel uitblijven van maatregelen van Commandant Veldleger en Commandant IIe Legerkorps – dan wel had moeten nemen.

ad g.
Dat de terugtocht op de Vesting Holland door den Commandant Veldleger is bevolen - NA HET INVALLEN VAN DE DUISTERNIS - verneem ik thans ook voor het eerst.
Toen ik mij in oostrand Amerongen bevond, meldde zich daar bij mij de Chef van mijn Staf. Hij deelde mij mede dat de toestand nabij Elst wanhopig was. Troepen wien juist weer een opstelling was aangewezen verlieten deze opstelling zoodra de desbetreffende officier zich naar een ander terreingedeelte begaf.
Kapitein Le Fèvre de Montigny stelde mij daarom voor dat hij zich naar Commandant IIe Legerkorps zou begeven om alles toe te lichten.
Ik stemde hiermede in. Toen Kapitein Le Fèvre terugkwam meldde hij mij dat bevel voor den terugtocht op de Vesting Holland was gegeven en dat Stafkwartier IIe Legerkorps reeds was vertrokken. Hij deelde mij onder andere de scheidingslijnen, de verschillende legeringsplaatsen en mijn standplaats mede.
Als gevolg hiervan heb ik onmiddellijk een bevel voor den terugtocht in notities opgesteld en dit door officieren van mijn staf aan de commandanten doen toekomen.
Dat de uitvoering eerst na het invallen van de duisternis moest plaats vinden is mij niet bevolen.
Practisch heeft de terugtocht – behalve die der voertuigen – bij duisternis plaats gehad.
Een schriftelijk bevel voor den terugtocht heb ik van Commandant IIe Legerkorps nimmer ontvangen.

In verband met het gestelde in de slotalinea van Uwen brief komt het mij het eenvoudigst voor U afschrift aan te bieden van de in mijn bezit zijnde bescheiden die betrekking hebben op Staf 8 R.A. [En hier staat in de kantlijn een interessante notitie over deze bijgevoegde afschriften: "Merkwaardigerwijze waren deze stukken niet aanwezig bij de van IIe Legerkorps destijds ontvangen stukken. Deze stukken zijn thans opgenomen in de bundel van 8 R.A."]
Daarin zult U op het meerendeel der aan Luitenant Kolonel J.M. de Kruyff gestelde vragen antwoord vinden.
De oorspronkelijke bescheiden zijn door mij, gelijk met die der afdeelingen van 8 R.A. medio Juni 1940 aan Commandant IIe Legerkorps toegezonden.


De Kolonel

(get.) A.M.M. van Loon

AAN
den Heer Hoofd Regelingsbureau
Landmacht Afdeeling I C
te
's G R A V E N H A G E

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 1
(PDF, 2.40 MB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 2
(PDF, 1.95 MB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 3
(PDF, 7.52 MB)