Schrijven van luitenant-kolonel J.M. de Kruijff

HOOFDREGELINGSBUREAU
REGELINGSBUREAU LANDMACHT
Afdeling I C
-----
Nr.1649.
Onderwerp:
Krijgsgeschiedenis.

 

's-Gravenhage, 30 Juni 1941.
Willem Lodewijklaan 1

In het belang van een goede geschiedschrijving verzoek ik U inlichtingen omtrent het volgende, waaromtrent Uw aan den Legerkorpsartilleriecommandant - IIe Legerkorps uitgebracht Verslag van 3 Juli 1940 geen voldoende opheldering verschaft, terwijl een door U gereconstrueerd dagboek over de oorlogsdagen niet aanwezig is.

  1. Op 11 Mei 1940 was de verbinding met de voorposten van 8 R.I. betrekkelijk vroeg verbroken (pl.m. 10.00 uur). Aanvragen aan de rechtstreeks steunende Afdeelingen artillerie kwamen dus niet meer door.
    Bestond er toen bij den Divisie Staf en met name bij den Divisie-artilleriecommandant de indruk, dat er een algemeene aanval op de voorposten plaats had en is in verband daarmede overwogen bij voortduring een aantal afsluitingsvuren af te geven voor de voorpostenstrook met alle beschikbare artillerie volgens bevelen van den Divisie-artilleriecommandant?
  2. Op 12 Mei 1940 bereidden de Duitschers in den voormiddag hun hoofdaanval voor op de hoofdweerstandsstrook door een zeer sterke artillerie-voorbereiding. De aanval leidde ten slotte tusschen 14.00 en 15.00 uur tot het binnendringen van de hoofdweerstandsstrook bij de Grebbesluis.
    De verbindingen in voorste lijn waren verbroken, zoodat aanvragen om vuur niet doorkwamen. Het binnendringen van de hoofdweerstandsstrook was reeds zeer spoedig in den Divisie-staf bekend.
    Uit de gevechtsberichten blijkt niet, of de Divisie-artilleriecommandant, toen in den voormiddag bleek, dat de aanvalsvoorbereidingen in gang waren, de leiding van het artillerievuur in handen heeft genomen en of voor het fatale oogenblik van pl.m. 15.00 uur afsluitingsvuren van beteekenis zijn afgegeven kort voor de frontlijn; evenmin blijkt, of na pl.m. 15.00 uur vóór de Grebbesluis belangrijke vuurconcentraties zijn afgegeven, ten einde den opmarsch van de Duitsche troepen te beletten.
    Kunt U daarvan eene verklaring geven?
  3. In het gevechtsverslag van Commandant I-16 R.A. is vermeld, dat op 12 Mei de Divisie-artilleriecommandant met Commandant I-16 R.A. stellingen voor een Batterij van die Afdeeling heeft verkend (Toen de aangewezen stelling den Afdeelingscommandant niet beviel, zou hem ten slotte zijn overgelaten, een andere stelling te zoeken).
    Dit moet juist in een zeer belangrijke periode (tusschen 12.00 en 14.00) hebben plaats gehad.
    Was er bepaald dringende reden, dat de Divisie-artilleriecommandant zich met die stellingverkenning inliet?
  4. In den loop van den middag van 12 Mei zijn verschillende tegenstooten gedaan tot het hernemen van de frontlijn bij I-8 R.I., die allen mislukten.

    Weliswaar heeft Commandant I-8 R.I. een verzoek gedaan, geen vuren in de hoofdweerstandsstrook af te geven (Overgebracht door Kapitein Greter aan Commandant II-19 R.I. en door dezen telefonisch doorgegeven), doch dat geschiedde in verband met de tegenstooten die in gang waren en voordat bekend was, dat deze waren mislukt. Echter zijn door Commandant I-8 R.I. aangevraagde afsluitingsvuren vóór de frontlijn zeer spaarzaam afgegeven.

    Tegen het donker worden bestond de zekerheid, dat de Duitschers zich in het vak van I-8 R.I. tegenover de stoplijn hadden genesteld.
    Bestond er geen aanleiding krachtige vuurconcentraties om het punt van inbraak af te geven?
  5. In den nacht van 12/13 Mei werden de voorbereidingen getroffen voor den tegenaanval op 13 Mei, die over Achterberg zou plaats hebben.
    Is dien nacht overwogen tegenvoorbereidingsvuren af te geven?
    Volgens het rapport van kapitein Fièvez was aanvankelijk besloten, den tegenaanval te steunen door concentraties op de Grebbesluis, op Kruiponder en een punt daartusschen.
    Na diens vertrek zijn de concentraties echter verlegd naar het Oosten. De aanval der Infanterie en de ondersteuning door de Artillerie waren tengevolge van het te laat inzetten van den aanval door de Infanterie niet gesynchroniseerd, doch ook de plaats der vuren was zoodanig, dat de Duitsche aanvalstroepen daardoor niet daadwerkelijk konden worden gehinderd en de ondersteuning van den Nederlandschen tegenaanval feitelijk achterwege bleef.
    Als motief is aangegeven, dat Commandant 8 R.I. omtrent de opstelling der eigen troepen in de hoofdweerstandsstrook niet voldoende inlichtingen kon geven, doch het was toch bekend, dat de frontlijn tot Kruiponder toe in 's-vijands handen was.
    Kunt U van een en ander eene verklaring geven?
  6. Zijn er, toen vermeend werd, dat rechtstreeksche ondersteuning op de normale wijze niet was te regelen, bijzondere maatregelen genomen, om te verzekeren, dat het artillerievuur daar gebracht werd, waar dit voor een zoo goed mogelijke ondersteuning der aanvalstroepen noodig was (Op 13 Mei zijn in den voormiddag geen vuren West van de Grift afgegeven op den Grebbeberg, terwijl men toch wist, dat de vijand geleidelijk doordrong naar de spoorlijn)?
  7. Op 13 Mei, toen het front aan de spoorlijn bij Rhenen ineenstortte en de tegenaanval mislukte, zijn voor zooveel na te gaan, geen systematische, door den Divisie-artilleriecommandant bevolen, afsluitingsvuren afgegeven, ten einde den vijandelijken aanval tot staan te brengen.
    Is hier eene verklaring voor te geven?
  8. Heeft U op 13 Mei aan Commandant III-8 R.A. bevel gegeven, de vuurmonden (tijdelijk) onbruikbaar te maken, zooals is vermeld in het Verslag van dien Commandant?
    Volgens het Verslag van Commandant IVe Divisie zoudt U hem hebben medegedeeld dat Afdeelingscommandanten zelf overgingen tot het onbruikbaar maken van vuurmonden.
  9. Uit de verschillende Verslagen is niet nauwkeurig na te gaan, wat zich heeft afgespeeld bij het verlaten van den Commandopost door den Divisie-artilleriecommandant.
    Kunt U daarvan een nauwkeurig verslag geven, waarin tot uiting komt:
    - de reden voor het verlaten van den commandopost;
    - hoe een en ander werd uitgevoerd;
    - welke bevelen toen zijn uitgegaan aan de Afdeelingscommandanten.
  10. Op grond waarvan heeft U bevolen, dat III-8 R.A. en I-16 R.A. op Elst moesten terugtrekken?
    Lag hieraan een Bevel van den Divisiecommandant ten grondslag? (Commandant I-16 R.A. meldt, dat hij den toestand voor een dergelijk bevel nog niet dringend achtte.)

De beantwoording van de vorenstaande vragen is noodzakelijk, om het gebruik der Artillerie in de geschiedschrijving juist te doen plaats hebben.


De Generaal-majoor,

Aan
Luitenant-Kolonel der Artillerie op non-actief J.M. de Kruyff
Edesche weg Nr. 36
te
B e n n e k o m

(afdruk aan Kolonel der Infanterie buiten dienst A.M.M. van Loon
Julianalaan Nr. 24
te
O v e r v e e n.)


==========================================================================


Bennekom, 18 Juli 1941

In antwoord op uw schrijven N 1649 van 30 Juni 1941 bericht ik U Hoogedelgestrenge, dat ik geen gegevens in mijn bezit heb omtrent de oorlogsdagen, zoodat ik uw vragen slechts uit mijn geheugen kan mededeelen.

ad. a.
Een indruk, dat de algemeene aanval op de voorposten plaats had is niet verkregen; van den Divisiecommandant zijn ook geen aanwijzingen in dien zin ontvangen.
Wel zijn verschillende vuren vóór de voorposten afgegeven, onder andere op den toren van Wageningen, waarin zich vijandelijke waarnemers bevonden (door III-8 R.A. in brand geschoten), afsluitingsvuren, vuren op vijandelijke artillerie, vuren op de uitgangen van Wageningen. De tijdstippen, waarop deze vuren zijn afgegeven zijn mij niet meer bekend.

ad. b.
Bij den Divisie-artilleriecommandant was niet bekend, dat de aanvalsvoorbereidingen onder andere door zeer sterke artillerie voorbereiding in gang waren.
Ik zelf bevond mij toen onder andere met Commandant I-16 R.A. in het voorterrein, teneinde dezen Commandant een stelling voor een zijner batterijen aan te wijzen (de 2 andere batterijen werden in een geheel klaar zijnde reservestelling geplaatst).
Ik heb toen in het geheel niet den indruk gekregen van een sterke artillerie voorbereiding.
De tijdstippen van afsluitingsvuren en belangrijkste vuurconcentraties zijn mij niet meer bekend; wel zijn er enkele op last Divisiecommandant afgegeven.

ad. c.
De stelling verkenning is door mij persoonlijk geschied aangezien ik het voorterrein persoonlijk het beste kende en er een paar stellingen wist, die bij het begin der mobilisatie gedeeltelijk waren ingericht, doch later waren verlaten, daar zij op den duur bleken nog zichtbaar te zijn van ’s vijands zijde en vanuit de lucht.
Bovendien was ik daardoor in de gelegenheid een betere indruk van de gevechtsomstandigheden te verkrijgen en enkele Batterijofficieren en waarnemers te spreken.
Aangezien deze aanvankelijk gedeeltelijk ingerichte stellingen door latere, mij onbekende, infanteriewerkzaamheden gewijzigd waren en thans vrij veel grond verzet noodzakelijk maakten (de ingravingen waren voor een groot deel weer dichtgegooid) gaf ik Commandant I-16 R.A. toestemming om als hij een betere stelling in de nabijheid kon vinden deze te nemen, overtuigd zijnde dat dit niet mogelijk was.
De betreffende batterij die erg vermoeid was, heeft blijkbaar tegen deze grondwerkzaamheden op gezien. Ik gaf daarom toestemming het personeel een paar uren te doen rusten en de stelling eerst bij het duister worden in te nemen, daar dit overdag door de zichtbaarheid te gevaarlijk zou zijn. In plaats van de aangewezen, niet ideale doch bruikbare stelling, werd daarna door den Afdeelingscommandant of Batterijcommandant een stelling gekozen, die wel van uit de lucht goed gemaskeerd was, doch in te zien was vanuit ’s vijands zijde en dan ook spoedig buiten gevecht is gesteld. Bovendien stond deze batterij vlak voor een batterij van 15 [cm.] houwitser en nabij twee waarnemers, wier werkzaamheden sterk belemmerd werden.
Een bericht van deze nieuwe stelling heb ik nooit ontvangen en is mij pas na de oorlog bekend geworden; waarschijnlijk is het nulpunt dezer stelling aan de [v.r.d.?] medegedeeld en niet aan mij doorgegeven.

ad. d.
Wat de door Commandant I-8 R.I. gevraagde afsluitingsvuren vóór de frontlijn betreft, is hieraan door Commandant I-8 R.A. steeds voldaan. De telefonische verbinding was echter slecht, daar de kabel telkens defect was, omdat deze niet was ingegraven. (De ingegraven kabels hebben goed voldaan).
Dat de Duitschers zich in het vak van I-8 R.I. tegen het donker op 12 Mei zich tegenover de stoplijn hadden genesteld was noch bij mij, noch bij Commandant I-8 R.A. bekend. In verband daarmede bestond er geen aanleiding krachtige vuurconcentraties af te geven.

ad. e.
De voorbereidingen voor den tegenaanval op 13 Mei waren mijns inziens overhaast en onvoldoende. Toen ik op de commandopost Divisiecommandant kwam was het bevel reeds gedeeltelijk klaar. Door een der aanwezige kapiteins werd bezwaar gemaakt tegen het vroege uur van den aanval, omdat hij vreesde dat de troepen niet tijdig ter plaatse konden zijn; met moeite heeft hij het uur van aanval toen een half uur kunnen verlaten hetgeen ik [?] dat te weinig was.
Tijd om een behoorlijke bespreking met den artilleriecommandant te houden was er niet meer, zoodat ik zelf[s] moest vragen, welke taak voor de artillerie was weggelegd.
Of aanvankelijk besloten was den tegenaanval te steunen door concentraties op den Grebbesluis, op Kruiponder en een punt daartusschen is mij niet bekend; wellicht is dit vóór mijn komst bij den Divisiecommandant geschied.
Aanvankelijk waren nog twee afdeelingen van 4 R.A. toegewezen, echter werd slechts één afdeeling onder commando van majoor Van Goor [II-4 R.A.] aangewezen.
Tijdens mijn aanwezig zijn bij den Divisiecommandant waren de afdeelingscommandanten persoonlijk op mijn commandopost verzocht. Bij mijn terugkomst (als ik mij niet vergis ten pl.m. 1.00 uur) van den Divisiecommandant was majoor Van Goor nog niet aanwezig, de andere afdeelingscommandanten als ik mij goed herinner wel, althans spoedig daarna.
Ik had aanvankelijk de afdeeling van majoor Van Goor voor rechtstreeksche steun willen indeelen; deze verklaarde echter de afdeeling niet in staat deze taak te vervullen weshalve zij slechts vuren op grooten afstand op de door Divisiecommandant ongeveer aangewezen plaatsen kon afgeven. De artillerie opende precies op tijd zijn vuur; de infanterie was helaas een drietal uren te laat. Volgens verkregen inlichtingen had het krachtig artillerievuur een dergelijk moreel effect, dat de Duitschen terugtrokken omdat zij meenden dat een grootsche tegenaanval zou loskomen.
Toen de eigenlijke aanval losbrak is nog een herhaling van de opgegeven vuren afgegeven.
Bovendien is door III-8 R.A. nog gevuurd op Duitschers bij Kruiponder, die aldaar bezig waren met een betonmolen en hiermede door ons vuur moesten eindigen (vijand was ontdekt door een waarnemer van III-8 R.A., vuur op mijn last afgegeven).
Dezerzijds was niet bekend, waar de vijand zich bevond en waren de verkregen inlichtingen zeer verward en tegenstrijdig. Ook ’s vijands vuurseinen, waarvan hij veel gebruik maakte, werkte verwarrend op onze vuurseinen.

ad. f.
Op 13 Mei zijn wel degelijk verschillende vuren West van de Grift afgegeven (onder andere op last Divisiecommandant), West van de Grebbesluis en later ook een weinig Oost van de spoorbanen.
Verdere gegevens, alsmede omtrent de tijdstippen, kan ik niet verstrekken.
Verdere maatregelen konden niet worden genomen om redenen als onder ad. e. vermeld.

ad. g.
Het ineenstorten van het front aan de spoorlijn bij Rhenen is op mijn commandopost niet bekend geworden, zoodat ook geen afsluitingsvuren op mijn last zijn afgegeven.

ad. h.
Dezerzijds is niet bekend, dat last is gegeven tot het (tijdelijk) onbruikbaar maken van stukken; wel is bericht ontvangen dat dit door Commandant III-8 R.A. was geschied.

ad. i.
Het bevel den commandopost te verlaten heeft mijn staf zeer overvallen, daar wij er geen idee van hadden, dat de toestand zoo ernstig was. Dit bevel werd mondeling overgebracht door majoor Paardenarts Bloemkolk [Divisiepaardenarts IVe Divisie] die buiten adem en eenigszins zenuwachtig kwam aansnellen (hij is wat kortademig).
Gevechtsberichten, dagboek, kaarten, vuurplannen werden in tasschen in de auto van Divisie-artilleriecommandant meegenomen; overtollige papieren werden verbrand, particulier bezit en [?] achtergelaten, wapens enz. omgehangen.
Teruggetrokken werd in auto’s of op fietsen naar den driesprong Oost van Elst.
De afdeelingen kregen opdracht terug te trekken op driesprong kunstweg Oost van Elst.

ad. j.
Op grond van de bevelen van den Divisiecommandant werd teruggetrokken op Elst. Dat Commandant I-16 R.A. den toestand voor een dergelijk bevel nog niet dringend achtte bewijst, dat deze commandant weinig tactisch inzicht heeft en aan zelfoverschatting lijdt. Hij vindt zichzelf blijkbaar zeer flink hetgeen ook blijkt uit den geest van zijn gevechtsberichten.

De Luitenant-Kolonel Commandant 8 R.A. op non-actief,

(get.) J.M. de Kruijff.

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 1
(PDF, 1.76 MB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 2
(PDF, 1.86 MB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 3
(PDF, 2.36 MB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 4
(PDF, 1.72 MB)