Schrijven van reserve-eerste luitenant A.P.J.H. Quaedvlieg

Mr. A.P.J.H. Quaedvlieg
--------------------------
Onderwerp:
Korpsonderzoek luitenant
Quaedvlieg van 24 R.I. c.s.
Bijlagen: vijf.


Wegens afwezigheid uit mijn woonplaats was het mij tot mijn groote spijt onmogelijk, eerder te antwoorden op Uw schrijven d.d. 10 Juli 1940. Naar aanleiding van genoemd schrijven plus bijlagen heb ik hierbij de eer, U WelEdel Gestrenge, het volgende mede te deelen.
Om U beter aangaande het onderwerp van deze brief in te lichten, wil ik beginnen met de afmarsch van I-24 R.I. uit Leersum op 13 Mei tegen het vallen van de avond.
I-24 R.I. stond toen onder commando van een reserve-kapitein, die de bataljonscommandant verving; buiten deze was er nog een luitenant. Deze twee en ondergeteekende waren voor zoover mij bekend de eenige officieren.
Het was ons niet bekend welke opdracht ons onderdeel had en tevens wist ik niet welk het wachtwoord was omdat dit ook niet was medegedeeld. Naar het wachtwoord heb ik aldaar geïnformeerd bij een luitenant van de staf van 24 R.I. en bij een korporaal van de militaire politie, maar geen van beiden kon me inlichtingen geven.
Kort daarop werd ons bekend gemaakt, dat wij naar Vreeswijk zouden gaan; ik fietste in de colonne bij de overgebleven manschappen van mijn compagnie.
Tijdens de marsch zijn de kapitein en de luitenant uitgevallen, althans van de troep afgeraakt. Daarop heb ik het commando overgenomen en ben met mijn sergeant-toegevoegd aan de kop van de colonne gaan fietsen. Daar de weg in de buurt waar wij de luitenant de Vries [van 2-II-8 R.I.] aantroffen zeer slecht was, besloot ik om mijn lantaarn aan te zetten om zoo het beste gedeelte van de weg te vinden en dit ook te kunnen aangeven aan degenen die volgden. Op deze manier was het mogelijk sneller voorwaarts te komen hetgeen ik van belang achtte omdat ik, in verband met luchtwaarneming, voor het aanbreken van de dag in Vreeswijk wilde zijn. Bovendien was er geen kans dat de lantaarn op dat moment uit de lucht werd waargenomen wegens de zware mist. Dat mijn lantaarn naar boven gericht was ontken ik ten sterkste; dat feit is niet waar.
Toen wij werden aangehouden vroeg de luitenant de Vries mij het wachtwoord dat ik hem niet kon geven. Daar hij mij toen wilde arresteeren bood ik hem aan door herkenningsplaatje en zakboek en ook door het ondervragen van eenige manschappen te bewijzen dat ik degene was voor wie ik me uitgaf, maar hij wilde daarvan niet weten. Zijn argument was telkens: "ik heb de laatste dagen zooveel van spionnen meegemaakt, dat ik niemand meer vertrouw," of iets dergelijks.
Ik heb hem bovendien op het onlogische gewezen, dat hij mij arresteerde omdat ik het wachtwoord niet kende en de rest liet doorgaan van wie niemand ervan op de hoogte was. (In het rapport van dit feit wordt de indruk gevestigd, dat de arrestatie een gevolg van de hinderlijke verlichting zou zijn. Dat is niet juist; ik ben vastgehouden omdat ik het wachtwoord niet kende; de verlichting was oorzaak dat ik aangehouden werd. Mijn sergeant-toegevoegd zou dit kunnen getuigen.)
De luitenant de Vries bleek zoo bevangen door de destijds heerschende angst-psychose voor spionnage, dat hij voor geen rede vatbaar was.
Daardoor is misschien ook te verklaren dat hij door een of ander vaag schijnsel meende dat mijn lantaarn omhoog gericht was, terwijl dit in genen deele het geval was.
Lantaarns verspreiden, zooals bekend, bij mistig weer een zeer diffuus licht. Hierdoor is het ook mogelijk dat de indruk gevestigd werd, dat ze naar de lucht gericht was.
Ik mag hier ook nog wijzen op het verschil tusschen beide rapporten. In het eene (dat van adjudant Bison) wordt van mij alleen gesproken, in het andere wordt over meerderen gesproken. Waarom zouden die anderen dan niet gearresteerd zijn?
Het voorafgaande kort samenvattend kan ik het volgend antwoord op de vragen geven: ad a: Een hinderlijke verlichting werd door mij niet gevoerd op mijn rijwiel. Dat mijn lamp brandde, had tot oorzaak, dat ik het noodzakelijk achtte in verband met onze opdracht, terwijl het door de weersomstandigheden niet uit de lucht kon waargenomen worden.

Hiermede hoop ik U voldoende ingelicht te hebben.

De reserve 1ste luitenant
(get.) (H. Quaedvlieg)

Aan den Heer Commandant van I-I-58 R.I.
Druten

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 1
(PDF, 1.75 MB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 2
(PDF, 4.93 MB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 3
(PDF, 3.20 MB)