Schrijven van reserve-eerste luitenant H.J. Lieneman

Middelburg, 1-12-1941.
Stationsstraat 13.

Reserve 1e Luitenant H.J. Lieneman.
Oorlogsindeeling.
Commandant 1-2-III-19 R.I.
Commandant Voorposten 19 R.I.

Onderwerp:
Verrichtingen tijdens
de oorlogsdagen vanaf
terugkomst van Voorposten
tot terugtocht op last
Compagniescommandant.

Op den avond van den 12en Mei 1940, toen ik mij na mijn terugkomst van Voorposten bij mijn Compagniescommandant meldde, kreeg ik van deze bevel mij met de 4e sectie van onze Compagnie naar het kruispunt Hoogesteeg-Cuneraweg te Achterberg te begeven. Ik kreeg te hooren, dat 1-III-19 R.I. in strijd was met den vijand. Verdere gegevens en een juistere omschrijving van mijn taak kon mijn Compagniescommandant mij niet geven, zoodat ik met goedvinden van hem besloot gedurende de marsch naar genoemd kruispunt verdere orders bij den Bataljonscommandant te gaan halen, daar mijn Compagniescommandant toch ook deze order van den Bataljonscommandant ontvangen had.
Het was reeds donker toen ik mij met de 4e Sectie op marsch begaf. Twee groepen liet ik langs de Cuneraweg achter elkaar opmarcheeren met drie man als beveiliging vooruit. De derde groep rukte aan de andere zijde van de spoordijk op, en had tot taak tot aan het Viaduct (over de Cuneraweg) te gaan, daar stelling te nemen en nadere bevelen van mij af te wachten.
Onderweg, ik zelf bevond mij bij de 2 groepen die langs de Cuneraweg opmarcheerden, stootte ik op een afdeeling P.A.G. (naar ik meen 1 Sectie) die onder commando van den 1e Luitenant Schouten zich bewoog langs de Cuneraweg in de richting Veenendaal. Ik vroeg genoemde Luitenant om inlichtingen, maar kreeg alleen van hem te hooren, dat de 1e Compagnie in de pan was gehakt en dat de 2 luitenants van deze Compagnie gevangen waren genomen. De vijand bevond zich volgens hem reeds op de Hoogesteeg en op genoemd kruispunt, waar ik naar toe moest. Aangezien mij deze mededeelingen eenigszins verward voorkwamen, besloot ik na aankomst bij het Viaduct zelf naar den Bataljonscommandant te gaan, omdat ik vermoedde, dat men daar wel eenigszins de kluts kwijt zou zijn. Mijn vermoeden bleek juist te zijn. De Bataljonscommandant deed niets dan jammeren en was zich zelf niet.
De Luitenant-Adjudant, de 2e Luitenant Karsten, deelde mij mede, dat ik het beste zou doen een stelling bij het genoemde viaduct in te nemen. De Bataljonscommandant was het hier mee eens en gaf mij het bevel daartoe.
Den geheele nacht en eerste morgenuren van de 12e op de 13e Mei hebben wij daar in stelling gelegen. Mijn mitrailleurs had ik opgesteld als volgt. Eén op het viaduct met als taak de Cuneraweg en de spoordijk te bestrijken. De twee andere aan weerszijden van de dijk, met als opdracht het terrein aan beide zijden van de dijk onder vuur te nemen.
Den geheele nacht was het rustig, behoudens een paar maal dat op zeer korte afstand gevuurd werd. Vermoedelijk zijn deze schoten door leden van de eigen partij gelost. De eerste maal beantwoordde 1 van mijn soldaten het vuur, maar ik heb daarna het vuren verboden. Het was aardedonker, zoodat wij ons zouden verraden. Ik heb mijn menschen opdracht gegeven allen te gaan liggen, om zooveel mogelijk te kunnen onderscheiden.
Bij de eerste schemering kwamen geregeld soldaten van 1-III-19 R.I. in mijn richting, dus vanaf het front geloopen. Zij waren op eigen houtje weggegaan. Ik heb deze menschen maar bij mijn sectie ingelijfd en hen onder leiding van een inmiddels ook opgevangen sergeant, bij mijn terugtocht weer naar hun Compagnie teruggezonden.
Des morgens zeer vroeg stopte bij het viaduct een auto waaruit de kapitein Puffius van de Legerkorpsstaf stapte, vergezeld van een stuk of vijf korporaals van de Militaire Politie. De kapitein deelde mij mede, dat hij een tegenaanval moest voorbereiden.
Daarna kwam de kapitein Van der Zijde [Sijde] met 2 sectiën van I-19 R.I. aan, die een stelling in ging nemen bij het viaduct vóór mij.
Tegen, naar ik schat, 9 uur arriveerde de kapitein Termaten met een compagnie van het 29 R.I. naar ik meen. Daar het nu reeds lang licht was, had ik de plaats van de vijand in het terrein voor mij ongeveer kunnen uitvinden, aan de hand van de inslaande vijandelijke artillerie-projectielen, de vuurwerkseinen van den vijand, en het infanterievuur. Ik heb den kapitein Termaten dus eenigszins wegwijs kunnen maken.
Ondertusschen was over onze hoofden heen een hevig artillerieduel begonnen met onze artillerie welke opgesteld stond aan de Nieuwe Veenendaalsche weg. Later hoorde ik ineens op de plaats waar deze artillerie opgesteld was tot twee maal toe een hevig mitrailleurvuur. Dit heb ik mijn Bataljonscommandant gemeld.
Daarna konden wij in de verte onze artillerie zien en hooren afmarcheeren.
Ondertusschen was het voorterrein een chaos geworden. Langs alle wegen en in alle richtingen liepen troepen, dat wil zeggen groepen en zelfs sectiën. Ook achter ons zagen wij veel troepen gaan. Daar ik vanaf het begin van den oorlog vrijwel geen oogenblik bij mijn sectie was geweest, en mijn taak mij na de komst van den kapitein Van der Zijde met zijn 2 sectiën vrij doelloos geleek, ben ik weer naar den Bataljonscommandant gegaan, om hem de huidige toestand te beschrijven en om verdere orders te vragen.
De Bataljonscommandant gelastte mij met mijn sectie weer bij mijn Compagnie te voegen.
Nadat ik de 4e Sectie weer bij haar oorspronkelijke stellingen had teruggebracht, meldde ik mij bij mijn Compagniescommandant en trof bij hem een Luitenant-Kolonel aan, naar ik later vernam de Commandant van het Regiment, dat de tegenaanval ondernomen had.
Bij mijn sectie aangekomen, was juist de groote terugtocht aangevangen. Een geheel Bataljon van 24 R.I. liep in groote wanorde langs de Meentsteeg weg van het front. Een groote vlucht zonder dat de menschen ook maar den vijand gezien hadden.
Officieren achter op motoren en op karren.
Vlak nadat de grootste troepenmacht voorbij gevlucht was, begon een hevig gericht vijandelijk artillerievuur op de opstellingsplaats van mijn sectie. Wij konden de vijandelijke batterij duidelijk waarnemen. Zij stond aan de overkant van het water, dus op een afstand van 1 à 2 kilometer. Ik had de groepen uit de gevechtsopstellingen laten komen en rechts om laten maken, daar ik vermoedde dat de vijand bezig was de stellingen op te rollen. Na het vijandelijk artillerievuur heb ik mij met de 1e en 3e Sectie (De Compagniescommandant had tijdens mijn afwezigheid met de 4e sectie, de Commandant van de 3e Sectie opdracht gegeven met zijn sectie naar de 1e te gaan en de commando's van beide sectiën op zich te nemen) naar de 2e Sectie begeven. De reden hiervoor was, dat wij absoluut geen schootsveld en dekking hadden, terwijl de 2e Sectie in de rand van een dennenbosch lag, waarbij ook een sectie Zware Mitrailleurs in stelling lag. Dit bosch lag achter een tamelijk groot weiland, zoodat wij dus samen een behoorlijk front zouden kunnen formeeren.
Bij deze Sectie stelling genomen hebbende, berichtte ik den Compagniescommandant van mijn doen en laten. Deze heeft daarna het bevel gegeven tot een nog verdere terugtocht. Wij zouden dan met een sectie Zware Mitrailleurs een nog sterker front formeeren. Op het laatste oogenblik liet de Luitenant-Sectiecommandant van deze sectie ons met zijn sectie in de steek, waarna mijn Compagniescommandant toen met de Compagnie naar de Cuneraweg is afgemarcheerd, alwaar we ons met 1 en 3 - III - 19 R.I. tot één geheel hebben aangesloten.

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 1
(PDF, 2.19 MB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 2
(PDF, 488.03 KB)