Schrijven van reserve-eerste luitenant W. Hulshoff Pol inzake sneuvelen Dr. Behr

RAPPORT INZAKE HET SNEUVELEN VAN Dr. E. BEHR

In den avond van den 13en Mei 1940 te ongeveer 21.00 uur ontmoette ik op den straatweg Grebbe-Veenendaal (de zogenaamde Cuneraweg) ter hoogte van kilometer[paal] 28 in den ter plaatse vrijwel evenwijdig loopenden spoorweg tusschen Veenendaal en Rhenen Dr. E. Behr, Bataljons-arts van II-11 R.I., waartoe ik ook de eer had te behooren. Uiteraard waren wij zeer verwonderd, doch niet minder verheugd, elkaar hier aan te treffen. Immers, op dat oogenblik was ik met mijn sectie niet meer ingedeeld bij 11 R.I., doch maakte deel uit van een troependetachement (bestaande uit de laatste troepen, die zich van de Grebbe hadden teruggetrokken) onder commando van Commandant IV-20 R.I. [reserve-majoor J. Pannekoek - commandant I-20 R.I.], dat tot taak had het verder opdringen van den vijand van den Grebbeberg uit in de richting Veenendaal te vertragen. Dr. Behr vertelde mij, dat hij, op het oogenblik, dat Commandant II-11 R.I. (reserve Kapitein A.M.H. van de Venne) besloot commandopost II-11 R.I. op te geven en met de daar aanwezige troepen terug te trekken in de richting Prattenburg-Elst, een ordonnans van Commandant IV-20 R.I. had ontmoet met het dringend verzoek medische hulp te bieden aan gewonden van de onder zijn commando staande manschappen. Alhoewel Dr. Behr zijn auto (persoonlijk eigendom, daar bataljonsartsen organiek slechts over een rijwiel beschikten), waarin zijn instrumententasch enz., bij een artilleriebeschieting verloren had zien gaan en dus in feite over geen enkel medisch hulpmiddel beschikte, besloot hij toch te gaan, om naast eventueel medische hulp (met verbandpakjes), moreele hulp te kunnen bieden. Wat deze moreele hulp betreft, heb ik zelf kunnen constateeren, hoezeer deze van waarde was, niet alleen ten opzichte van het personeel van mijn eigen sectie, dat Dr. Behr persoonlijk kende, doch ook bij de manschappen van andere onderdeelen, die tot het detachement van Commandant IV-20 R.I. behoorden. Wat mijn eigen sectie betreft, ik zelf was, na sedert 8/9 Mei niet meer geslapen te hebben en ook na sedert 12 Mei 1940 14.00 uur niets meer gegeten te hebben, uitgeput van vermoeidheid en zenuwspanning en bezat niet meer de kracht, om mijn menschen nog moed in te spreken. Dr. Behr echter wist dit te bereiken, hetgeen een voortreffelijken invloed had, niet in de laatste plaats op mijzelf. De apathie, waar ik op dat oogenblik aan leed, kortweg gezegd de kan-het-je-nog-iets-schelen-stemming, maakte door een enkel woord van Dr. Behr plaats voor een andere: redden, wat er nog te redden valt en trachten verzet tot het uiterste te bieden.

Commandant IV-20 R.I. trok terug in de richting Veenendaal en liet tenslotte de doodelijk vermoeide troep rusten in een pension (welks naam ik vergeten ben) met bijgebouwen, even ten Zuiden van de splitsing der kunstwegen Veenendaal-Elst en Veenendaal-Grebbe. Dr. Behr ging daarbij langs alle legeringsplaatsen van officieren en manschappen - op zijn verzoek vergezelde ik hem daarbij - en had voor elk een opwekkend woord. Hoezeer viel het mij op, welke goede invloed zijn optreden op het moreel van den troep had.

De nacht ging vrij rustig voorbij en bij het aanbreken van den dag liet Commandant IV-20 R.I. de troep aantreden. Achter één der gebouwen bevond zich een cantine, waarin zich nog enkele voorraden aan etenswaren en vooral sigaretten en lucifers bevonden. Onder leiding van Dr. Behr werden deze op buitengewoon snelle en efficiënte wijze onder den troep verdeeld. Juist op het oogenblik, dat deze verdeeling ten einde was (ca. 5.30 uur) werd het detachement van drie zijden door den vijand zeer onverhoeds aangevallen. Waren wellicht de uitstaande posten te vroeg ingetrokken? Dr. Behr voegde zich bij mijn sectie, die dekking zocht in een greppel en vandaar uit het vijandelijk vuur trachtte te beantwoorden. Hij lag schouder aan schouder naast mij en op het moment, dat ik opmerkte, dat ik de vijand wel kon hooren, maar helaas niet kon zien, maakte een kogel, die hem direct in de hartstreek trof, een einde aan zijn leven. Hij was vrijwel onmiddellijk dood. Een voortreffelijk mensch en arts en een zeer goed officier was voor mijn Koningin en Vaderland gevallen.

W. Hulshoff Pol, reserve 1e Luitenant Mitrailleurcompagnie II-11 R.I.

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument
(PDF, 807.39 KB)