Schrijven van reserve-kapitein A. Zaal inzake eervolle vermeldingen

Onderwerp: Eervolle Vermeldingen.

Zeist, October 1940.


Geheim.

In verband met mijn schrijven van 19 Juli 1940 aan den Commandant Veldleger, inzake eervolle vermeldingen, in welk schrijven ik de wenschelijkheid bepleitte om uit de door mij voorgedragen manschappen der voormalige batterij 3-I-8 R.A. een grooter aantal voor eervolle vermelding in aanmerking te doen komen, dan volgens beslissing van den Commandant Veldleger werd bepaald, zou ik nog gaarne op enkele punten Uw aandacht willen vestigen.
Het is mij namelijk ter oore gekomen, dat uit de oorspronkelijke, door mij ingediende voordracht, door de Afdeelingscommandant enkele zinsneden zijn geschrapt. Hierdoor is de mogelijkheid niet uitgesloten, dat bij de beoordeeling door hoogere instanties, onvoldoende inzicht in de zaak komt te vallen en mijn beweegredenen niet zuiver zouden worden begrepen.
Vooropgesteld zij, dat ik er niet de minste behoefte aan heb, de gedragingen van anderen, (buiten de eigenlijke batterij), in het geding te brengen. Daarom heb ik al deze maanden met een nadere uiteenzetting gewacht. Dit mag echter niet gaan ten koste van mijn mede-strijders. Nu ik evenwel tot de overtuiging kom dat zulks het geval dreigt te worden, meen ik, uitsluitend in hun belang, thans het stilzwijgen te moeten verbreken.
In de eerste plaats wijs ik dan op de geschrapte opmerking van algemeenen aard, dien ik aan het einde van mijn voordracht had geplaatst en hierop neerkomt, dat alle mannen der batterij op hun post zijn gebleven toen zij gedeelten der verder voorwaarts gelegen eigen infanterie zagen terugtrekken over en langs de stelling, terwijl de cavalerie (wielrijders), die volgens berichten te hulp zou komen, zich korten tijd na aankomst ongeveer 500 meter achter de batterij terugtrok en niet meer voorbij de batterij naar voren ging, hoewel de batterij haar vuren voortzette, - ook toen onze pogingen om orders van den Afdeelingscommandant te verkrijgen zonder succes bleven, omdat de Afdeelingscommandant reeds zijn post had verlaten, zonder dat de batterij daaromtrent bericht had ontvangen.
In plaats van mede den aftocht te aanvaarden zijn de manschappen der batterij toen overgegaan tot het vuren op korte afstanden, hoewel hun batterij niet voor nabijverdediging was ingericht en de kortste baan der vuurmonden reeds lang was overschreden.
Het is daarbij onder andere voorgekomen, dat onze waarnemer Luitenant Statius Mulder en zijn manschappen, terwijl hun waarnemingspost onder vuur werd genomen, zich met ware doodsverachting opstelden op een plek, die door genoemde cavalerie reeds was verlaten en - nadat de beschieting van hun post was beëindigd - zich wederom derwaarts begaven, om bij de voortzetting der vuren voor de batterij te blijven waarnemen.
Dezelfde moedige, standvastige, strijdlustige houding en den vasten wil den vijand, te midden van het zware vijandelijke artillerie-vuur terug te slaan, kenmerkten alle menschen in mijn voordracht reeds genoemd: mitraillisten op hun vooruitgeschoven post buiten alle dekking, den Batterij-officier en de verdere leiding bij de stukken, degenen die de munitie aanvulling in de batterij verzorgden, de verbindings-afdeeling, de ordonnansen etc. Het groote saamhoorigheidsgevoel dat steeds in de batterij viel op te merken, was aan deze houding niet vreemd.

In de tweede plaats vernam ik dat geschrapt was mijn vermelding ten aanzien van den wachtmeester Werkhoven en den dienstplichtige Van Dijk, "dat zij van den Afdeelingscommandopost zijn teruggekeerd met bevindingen, die mede ten gevolge hadden, dat het personeel van de batterij er het leven kon afbrengen."
Deze toevoeging acht ik voor een zuivere beoordeeling van het grootste belang. Hoewel de telefoon-verbinding met de Afdeelingscentrale in orde was, kreeg ik geen gehoor om orders voor de deboucheerende vijandelijke infanterie tegenover ons.
De wachtmeester en de dienstplichtige kwamen terug met het zeer teleurstellende bericht dat de Afdeelingscommandopost door den Commandant en diens personeel was verlaten en dat de post overigens intact was. Later vernam ik op een vraag van mij, van den luitenant-toegevoegd der Afdeeling (Luitenant Heffener), dat zij den post hadden verlaten omdat deze .... in brand was geschoten.
In het licht van bovenstaande opmerkingen laat ik, in het belang der door mij voorgestane zaak, hieronder een herhaling volgen van de mijns inziens meest in aanmerking komende voordrachten, thans zoo mogelijk in nauwkeuriger redactie, daarbij de hoop uitsprekende, dat hierdoor alles is opgeklaard wat nog aan een zuivere eind-beoordeeling in den weg stond.
Voor een juister overzicht van het geheel volgen onder 1e en 2e, de beide gevallen, die, volgens door mij van Commandant I-8 R.A. ontvangen schrijven, dd. 25-6-40, ingevolge beslissing van den Commandant Veldleger wel voor een eervolle vermelding in aanmerking komen.

Deze twee voordrachten zijn de copie van de door respectievelijk 3 en 4 getuigen geteekende verklaringen in drievoud, die door mij bij Commandant I-8 R.A. ter doorzending naar Commandant Veldleger zijn ingediend.

1e. Op 13 Mei 1940, wachtmeester Bronkhorst, N; wachtmeester Leeuwis, E, dienstplichtige Boll, H.H. en dienstplichtige Elferink H.J.,
wegens het gezamenlijk formeeren van een patrouille - onder leiding van genoemden wachtmeester Bronkhorst en onder vijandelijk artillerie-vuur, - ten einde de onmiddellijke omgeving hunner in de Grebbe-Linie gelegen batterij van gerapporteerde vijandelijke manschappen te zuiveren.

2e. Op 11 Mei 1940, Kornet Thijssen E.H., wachtmeester Bronkhorst, N., wachtmeester Werkhoven A.P., dienstplichtigen Groote, P., van Leeuwen, C.D., Verbij, A.L., Temmink, H., Potze, K.,
wegens het gezamenlijk - en onder leiding van hun Batterijcommandant - uitbrengen, onder vijandelijk artillerie-vuur, van een vuurmond met de benoodigde munitie uit de batterij-stelling, over een afstand van 2 (twee) kilometer, waarvan 500 meter langs ongedekten weg, naar een punt ten Noorden van de batterij-stelling gelegen,
en het aldaar vanuit een ongedekte opstelling onder vuur nemen, van een, aan de overzijde der Grebbe-Linie gelegen doel, onder direct op hen gericht, met aanwezigheid van vijandelijke vliegtuigen gepaard gaand, vijandelijk artillerie-vuur, waardoor een tot een ander onderdeel behoorend militair werd verwond,
en het behouden terugbrengen, - na hun vuuropdracht te hebben vervuld, - van genoemden vuurmond in de oorspronkelijke stelling, langs denzelfden weg en onder dezelfde omstandigheden.

Thans volgen de alsnog door mij voorgedragen gevallen waarvan nog geen getuigenverklaringen zijn opgemaakt:

3e. Korporaal Ten Barge, J.B.A. (krijgsgevangen gemaakt), dienstplichtige Slooijer A.J. (krijgsgevangen gemaakt), en dienstplichtige Voortman, A.J.; als mitraillisten op één der gevaarlijkste posten voor hun, in de Grebbe-Linie gelegen batterij opgesteld, zich bijzonder onderscheiden, door de batterij onder het hevigste vijandelijke artillerie- en ander vuur te blijven dekken, zich daarbij zeer koelbloedig te gedragen en op hun post te blijven toen andere legeronderdeelen terugtrokken.

4e. 2e Luitenant Statius Mulder, reserve-wachtmeester De Jong, D., dienstplichtige Olmanst, C.L.W., dienstplichtige Spronk, G., zich bijzonder onderscheiden door onder het hevigste vijandelijke artillerie-vuur de meest vooruitgeschoven waarnemingspost steeds weer te betrekken, zich daarbij zeer koelbloedig te gedragen (zie vorige blz.) en op hun post te blijven toen andere legeronderdeelen terugtrokken.

5e. Reserve 1e Luitenant Van Joolen, H., zich bijzonder onderscheiden door meermalen, onder het hevigste vijandelijke vuur zijn post der in de Grebbe-Linie gelegen batterij te gaan betrekken, zich daarbij koelbloedig te gedragen alsmede door de eervolle wijze van aanvoering bij de vuurmonden, toen moest worden overgegaan tot het vuren op korte afstanden, hoewel de batterij niet voor nabijverdediging was ingericht en op haar post bleef toen andere legeronderdeelen terugtrokken,
en voorts wegens zijn initiatief en doorzettingsvermogen, - nadat de batterij achter de Hollandsche waterlinie was teruggetrokken, - tot het verkrijgen van nieuwe vuurmonden om onmiddellijk tot hernieuwde oorlogshandelingen te kunnen overgaan, welke pogingen, in weerwil van de teleurstellende houding en het gebrek aan medewerking bij de ter plaatse aanwezige hoogste militaire autoriteit, met succes werden bekroond.
Toelichting: Terwijl, in Utrecht zijnde, alle pogingen werden aangewend om contact met Regiments- en Afdeelingscommandanten te blijven zoeken, welke pogingen uiteindelijk slaagden, (van de verblijfplaatsen dezer commandanten was ons niets bekend; wij waren dus op eigen leiding aangewezen), bezocht Luitenant van Joolen den Commandant van Groep Utrecht der vesting Holland, E.E.W. Baron van Voorst tot Voorst, ten einde te trachten vuurmonden te verkrijgen om wederom een gevechtsbatterij te formeeren. Deze pogingen dreigden te stranden op gemis aan medewerking bij genoemden commandant. De luitenant kreeg ten antwoord (volgens zijn meldingen): "Die kan ik niet uit mijn mouw schudden", waarop de luitenant te kennen gaf: "Dan zal ik er zelf wel voor zorgen." Hierop werd door hem een depot in Woerden opgebeld, en met succes: men zou hem telefonisch berichten wat men kon doen. Na eenigen tijd kwam uit Woerden het telefonische bericht, dat 6 VUURMONDEN VAN 7-VELD op 2 trailers zouden worden aangevoerd.
Ik vermeld dit voorval eenigszins uitvoerig om aan te toonen, welk een standvastige en strijdlustige geest hierbij voorzat, die door geen tegenslag zelfs niet vanwege de hoogste autoriteit, kon worden gedoofd en dat letterlijk alles is beproefd om te blijven pal staan!
Dubbel pijnlijk doet het dan aan, dat genoemde autoriteit, die eerst verklaarde niets te kunnen doen, later, omdat het telefonisch bericht uit Woerden via haar bureau werd doorgegeven, aan den luitenant komt verklaren (telefonisch): "Ik heb voor U 6 vuurmonden van 7 veld, welke op 2 trailers zullen worden aangevoerd. Uit naam der Koningin verwacht ik van U, dat U deze vuurmonden, niet zooals de vorige, weer in 's vijands handen zult laten vallen." Ik behoef U wel niet te vertellen welke uitwerking dit antwoord op den luitenant had, die zich op deze wijze feitelijk zijn eer voelde ontnemen. Het zal moeilijk te ontkennen zijn, dat uit het bovenstaande een zeer eervol verschil in houding ten gunste van den luitenant aan het licht treedt.

6e. Wachtmeester Werkhoven A.P., en dienstplichtige Van Dijk J.L., zich bijzonder onderscheiden door zich, onder hevig vijandelijk artillerie-vuur, nadat de Batterijcommandant hunner in de Grebbe-Linie gelegen batterij geen telefonische verbinding met den Afdeelingscommandant kon verkrijgen, naar den Commandopost Afdeelingscommandant te begeven. Terwijl andere legeronderdeelen terugtrokken, - van dien post, dien zij ledig aantroffen, omdat de Afdeelingscommandant met zijn personeel dien reeds hadden verlaten, - teruggekeerd naar hun Batterijcommandant onder vijandelijk artillerie-vuur, met mededeelingen van hun bevindingen, die mede ten gevolge hadden, dat het personeel der batterij er het leven kon afbrengen.

7e. Wachtmeester Thoomes, C.L.J., als munitie-onderofficier; wachtmeesters Veenstra en Rozenhart als sectie-commandanten in de batterij; dienstplichtige Gerhard als kanonnier belast met munitie-toevoer; wachtmeester Hertsenberg A.A.H.; korporaal Dijkstra P., dienstplichtige Bosklopper H., Van Haarst J.A., Brunekreef H. en Welbers J.J., als verbindingspersoneel; dienstplichtige Van Es A.M. en Clement H.H. als ordonnansen; dienstplichtige Grootenhuis als kanonnier; wachtmeester De Ridder als menagemeester, zich elk in hun functie eervol onderscheiden, onder hevig vijandelijk artillerie-vuur en stand gehouden terwijl andere legeronderdeelen terugtrokken. Een dergelijke hulde komt eveneens de overige stukscommandanten en de rest van de kanonniers toe, die allen op de meest lofwaardige wijze en onder gelijke omstandigheden hun diensten voor het Vaderland hebben verricht.

Van hooger hand is wel de opmerking gemaakt, dat het groote aantal eervolle vermeldingen niet in overeenstemming is te brengen met een verslagen leger en een betrekkelijk gering aantal gesneuvelden. Mijn antwoord daarop is, dat het één niet door het ander wordt uitgesloten. Niet het leger in zijn geheel wordt beoordeeld, doch de individuen afzonderlijk, terwijl bovendien het element "eervol" niet door het aantal gesneuvelden wordt bepaald.
In elk geval kan het door mij gewraakte hier geen toepassing vinden, daar alle genoemde menschen minstens aan een even groote vuurproef zijn blootgesteld geweest, dan welk legeronderdeel ook: Eerst het bombardement, daarna onder voortdurend zwaar artillerie-vuur en ten slotte de niet minder hevige, onmeedoogende beschieting met mitrailleurs bij den terugtocht (gedeeltelijk door eigen troepen), welke mitrailleur-beschieting in haar geheel zeker niet voor die van het artillerie-duel behoefde onder te doen. Zonder overdrijving mag ik zeggen, dat wij met ons veertigen als uit den dood zijn teruggekeerd. Dat we niet allen zijn omgekomen is naast bewaring door Hooger Macht, te danken aan de soliede bouw van onze stelling en aan het beleid bij de gevechtshandelingen en gedurende den terugtocht.
Hoe men er ten slotte ook over denkt, EEN VRAAG BLIJFT OPEN: "Moet er dan geen onderscheid gemaakt worden tusschen het gedrag van de genoemde menschen en dat van anderen?" Met andere woorden, moeten zij precies gelijk behandeld worden als degenen, die (om het maar zacht te zeggen) minder "eervol" hebben gehandeld? Immers, zouden ze geen onderscheiding verkrijgen dan staat hun beoordeeling in feite aan die der anderen gelijk. En dat kan en mag toch niet! Het gevoel voor rechtvaardigheid, ook dat der menschen zelf, roept om bevrediging.
Zelfs indien U niet aan allen eenzelfde eervolle vermelding zoudt kunnen toekennen, geloof ik dat er nog een oplossing gevonden zou kunnen worden, die algeheele bevrediging schenkt. Ik denk daarbij aan een nieuw in te stellen onderscheiding, zooals ook in mijn oorspronkelijke voordracht aan den Afdeelingscommandant voorgesteld, bijvoorbeeld in den vorm van een "Grebbe-medaille", op de wijze als bij het Nederlandsch Indische Leger. Een dergelijke oplossing zou groote voldoening schenken, omdat de uitreiking op grooter schaal zou kunnen plaats vinden. De beoordeelingsnorm zou dan anders kunnen worden gesteld en aan de eischen der rechtvaardigheid gemakkelijker kunnen worden voldaan. Alleen diegenen namelijk, die niet in het vuur zijn geweest, of die niet hun plicht ten volle zouden hebben gedaan, zouden van de onderscheiding verstoken blijven.
Zeer zou ik het op prijs stellen Uwe gevoelens hieromtrent te mogen vernemen. Hoewel ik het natuurlijk zou toejuichen, indien een dergelijke onderscheiding door de hoogste militaire autoriteit zou worden uitgereikt, en vurig hoop, (bij geval aan mijn bovenstaande voordracht niet in zijn geheel gevolg kan worden gegeven), alsdan nog een weg zal worden gevonden, vind ik de aangelegenheid toch van zoodanig groot belang, dat ik, bijaldien van hooger hand niet tot het 2e voorgestelde zou kunnen worden besloten, het ernstige voornemen koester om zelf den menschen een onderscheiding uit te reiken. In elk geval hoop ik te zijner tijd daarbij op Uw medewerking te mogen rekenen. Mocht mijn plan tot werkelijk komen, dan stel ik mij voor een ieder van de geheele batterij daarin te betrekken, met uitzondering van een enkeling die niet ten volle zijn plicht heeft gedaan. Overigens wel daarbij het onderscheid te doen uitkomen tusschen hen, die in het vuur geweest zijn en de menschen van den gevechtstrein, die in hoofdzaak te Elst bij de paarden zijn gebleven.
Zeer aangenaam zou het mij zijn, indien een dergelijke toekenning in samenwerking met Uwe commissie of uitsluitend met Uzelf zou kunnen plaats vinden. Ik had mij de uitreiking voorgesteld als Kerstgeschenk, op de wijze als een vorig jaar de door wachtmeester Bronkhorst ontworpen plaat. Ook in verband met het tijdstip zoudt U mij tot dank verplichten, indien ik nader van U over deze aangelegenheid zou mogen hooren.

Naar aanleiding van den brief van den Commandant Veldleger dd. 19 Juni 1940, No. 82 P, geheim, inzake getuigenverklaringen, heb ik in verband met het daarin gestelde omtrent het onderzoek van teruggekeerde krijgsgevangenen, bij schrijven van 1 Juli 1940 aan Commandant I-8 R.A., alsnog voor eervolle vermelding voorgedragen den wachtmeester E. Leeuwis en zijn stukrijders. Na zijn terugkeer uit krijgsgevangenschap heb ik genoemden wachtmeester gehoord. De voordracht luidde aldus:
"Wachtmeester Leeuwis, E. en de stukrijders Klop, Hoen en Linde, eervol vermeld wegens het des avonds op 11 Mei, na het invallen der duisternis, ophalen van een vuurmond door middel van een bespanning van 6 paarden, onder zwaar vijandelijk artillerie-vuur en door versperd heuvelterrein, - na tevoren vanaf Elst naar den Grebbeberg te zijn gereden, - uit een stelling aan den voet van den Grebbe-berg nabij den Rijnoever en het brengen van den vuurmond naar een stelling boven op den Grebbeberg, en het daarna, onder dezelfde genoemde omstandigheden, wederom terugbrengen der bespanning te Elst."
Een door den wachtmeester Leeuwis geteekende getuigenverklaring heb ik destijds aan den Afdeelingscommandant doen toekomen ter doorzending.

Ten slotte draag ik alsnog aan U voor den oud-reserve 1e Luitenant J.C. van Dongen, oud-Batterij-officier, wegens het feit dat hij, na een voortreffelijken staat van dienst bij mijn batterij reeds uit den militairen dienst, (uit hoofde van het beëindigen zijner theologische studiën en het beroepbaar-verklaard-zijn tot het predikambt) ontslagen zijnde,
en als zoodanig bij zijn gezin te Oegstgeest teruggekeerd zijnde, zoodat geen enkele militaire verplichting meer op hem rustte,
bij het vernemen van het uitbreken van den oorlog op 9 Mei 1940 de militaire uniform onmiddellijk wederom heeft aangetrokken en met achterlating van zijn gezin bestaande uit vrouw en 5 kinderen, zich bij het Depot van zijn voormalig Regiment te Voorschoten voor den militairen dienst heeft gemeld, met het uitdrukkelijke verzoek onmiddellijk weer bij zijn voormalige, in de Grebbe-Linie gelegerde batterij 3-I-8 R.A. te worden gedetacheerd, om aldaar zijn oude functie van batterij-officier wederom te kunnen uitoefenen, en
volgens beslissing van den Depot-Commandant, in afwijking van zijn verzoek, bij het Depot te zijn ingedeeld, aldaar aan de oorlogsverrichtingen heeft deelgenomen.
Genoemde luitenant heeft meerdere malen op voortreffelijke wijze het commando over de batterij waargenomen. Zijn laatste hierboven gereleveerde daad dwingt mijns inziens zeer groot respect af, gezien het feit,
dat hij een groot gezin achterliet,
dat zijn keus was gevallen op de gevechtsbatterij aan de Grebbe, met het groote gevaar daaraan voor hem verbonden,
dat hij in geen enkel opzicht tot militairen dienst was verplicht.
Duidelijk blijkt uit deze daden wat een in hooge mate geadeld gevoel van vaderlandsliefde vermag, een gevoel dat alle beschouwingen omtrent al of niet eervolle militaire plichtsvervullingen verre achter zich laat.
Ik vermoed dat deze daad wel een unieke plaats zal innemen, onder alles wat de Nederlandsche weermacht aan "eervol gedrag" heeft doen zien.

In het belang van waarheid en recht, prijs ik mezelf gelukkig hier de gelegenheid te hebben om op zooveel eervols bij RESERVE-OFFICIEREN en DIENSTPLICHTIGEN te kunnen wijzen. Het is een voorrecht om zulks te kunnen doen na alles wat ik in eigen omgeving ervaren heb in betrekking tot uitspraken van hooger hand over minder gunstige gedragingen van de bovengenoemde categorieën militairen. Ik zou de moeite van dit schrijven al voor een groot deel beloond achten, indien daarmede de blaam was weggenomen, die dreigt te vallen op alles wat reserve-officier en mindere was, althans voorzoover zij onder mijn commando hebben gestaan.

De reserve - kapitein,
(get.) Dr. A. Zaal.

Aan den Heer
Voorzitter der Commissie voor Eervolle Vermeldingen,
generaal N.T. Carstens
Den Haag.

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 1
(PDF, 4.20 MB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 2
(PDF, 2.13 MB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 3
(PDF, 934.69 KB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 4
(PDF, 552.85 KB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 5
(PDF, 474.70 KB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 6
(PDF, 1.95 MB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 7
(PDF, 2.95 MB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 8
(PDF, 491.95 KB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 9
(PDF, 1.13 MB)