Schrijven van reserve-kapitein G.J. Gouda inzake optreden 3e sectie 1-III-8 R.I.

Antwoord op:

Regelingsbureau
Veldleger.
No. 742.

betreffende:
Onderscheidingen.

Bijlagen: 3.

Utrecht, 19 October 1940.

In antwoord op bovenaangehaald schrijven heb ik de eer U het volgende te berichten.
Inderdaad zijn krijgsgevangenschap, demobilisatie en het uit-elkaar-raken der onderdeelen oorzaak geweest van het feit dat weinig moedige daden van Grebbestrijders naar voren gebracht konden worden.
Ik heb getracht in contact te komen met mijn 4 sectie-commandanten, doch, doordat ik eerst op 9 Juni jongstleden uit krijgsgevangenschap terugkeerde en mijn compagnie toen reeds was gedemobiliseerd, is me dat slechts met de commandanten van de eerste sectie (Luitenant Lindeman) en de derde sectie (sergeant-majoor-instructeur Blom) gelukt. De vaandrigs Bijlsma (2e sectie) en Nahuyzen (4e sectie) heb ik niet kunnen bereiken.
Van de eerste sectie zijn geen personen voor te dragen. Deze sectie heeft wel flink gestreden, maar is als weerstandbiedende voorposten tenslotte teruggetrokken, evenals de 2e en 4e sectie. Het middelste steunpunt der 3e sectie, waarbij als sectiecommandant de sergeant-majoor-instructeur Blom, heeft zich echter zeer hardnekkig verdedigd.
Ter illustratie der situatie diene het volgende:
III-8 R.I. (minus 2-III-8 R.I.) was op 10 en 11 Mei 1940 op voorposten in de Grebbelinie, in een vak van den Rijn (i) tot het Nieuwe Kanaal (i), met een linker (3e) en een rechter (1e) voorpostencompagnie, gesteund door Mitrailleurcompagnie III-8 R.I. (Scheidingslijn: een lijn 100 meter Noord van en evenwijdig aan den kunstweg van Wageningen naar Rhenen.)
Doordat de linker voorpostencompagnie (3e Compagnie) zich in den voormiddag van 11 Mei aan den vijand overgaf en de steunende sectie Zware Mitrailleurs onder den vaandrig Tak [Tack], op dien tijd, zonder daartoe bekomen bevel, terugtrok, was mijn compagnie alleen overgebleven, ongedekt in de linkerflank en beroofd van den steun der Zware Mitrailleurs. In de linkerflank en in front aangevallen, bleef ik den strijd voortzetten maar ondanks mijn volhouden - er kwam geen steun - ging opstelling na opstelling verloren; ook de Bataljonscommandant met zijn commandogroep gaf zich over. Te ongeveer 16.30 uur bood van het geheele voorpostenbataljon nog slechts het steunpunt van den sergeant-majoor-instructeur Blom en mijn commandopost weerstand. Sergeant-majoor-instructeur Blom moest zich te pl.m. 17.30 uur na hardnekkigen strijd overgeven. Van mijn compagnie zijn, met inbegrip van het kader, 31 personen gevangen genomen.
Gezien de ongunstige omstandigheden waaronder, en de hardnekkigheid en den moed waarmee hij zich heeft verdedigd, onder hevig vuur en tegen groote overmacht, ben ik van oordeel, dat de sergeant-majoor-instructeur B.L.A. Blom voor een onderscheiding in aanmerking behoort te komen.
De door dezen sectiecommandant wegens betoonden moed en durf gerapporteerde soldaten, draag ik hierbij voor, in volgorde van verdienste, voor een onderscheiding, te weten:
1. dienstplichtig soldaat G. Migchelbrink. (Verklaring No.1. [ontbreekt])
2. dienstplichtig soldaat S. Mulder. (Verklaring No.2.)
3. dienstplichtig soldaat J. van der Linden. (Verklaring No.3.)
4. dienstplichtig soldaat H.J. Sprukkelhorst. (Verklaring No.3.)

De ex-commandant 1-III-8 R.I.
reserve kapitein
(get.) G.J. Gouda.

Aan
Hoofd Regelingsbureau
Veldleger
te
's-Gravenhage
Lange Voorhout No. 7.


==========================================================================


Verklaring No. 2.

Verklaring betreffende:
S. Mulder.

Arnhem, 1 October 1940.

De ondergeteekende Blom, B.L.A., sergeant-majoor-instructeur, commandant van de 3e sectie 1-III-8 R.I., verklaart dat de dienstplichtig soldaat Mulder, S. onder mijn bevel tijdens de gevechten op 10 en 11 Mei 1940 in de voorpostenopstelling van de Grebbelinie zich uiterst moedig heeft gedragen. Als ordonnans heeft hij enkele malen onder hevig vuur van den vijand, bevelen overgebracht. Ook alle opdrachten die ik hem gaf werden uiterst correct uitgevoerd.

De sergeant-majoor-instructeur,
(get.) B. Blom.


==========================================================================


Verklaring No. 3.

Verklaring betreffende:
J. van der Linden en
H.J. Sprukkelhorst.

Arnhem, 1 October 1940.

De ondergeteekende Blom, B.L.A. sergeant-majoor-instructeur, commandant van de 3e sectie van 1-III-8 R.I., verklaart dat de dienstplichtig soldaten Van der Linden, J. en Sprukkelhorst, H.J., respectievelijk schutter en helper (bediening van den mitrailleur M.20) onder mijn bevel zich tijdens de gevechten op 10 en 11 Mei 1940 in de voorpostenopstelling van de Grebbelinie, tot het uiterste hun taak hebben verricht. Om ongeveer 17.00 uur op 11 Mei jongstleden werd de mitrailleur onklaar door dat de punt van de slagpin gebroken was. Ik gaf last de reserve slagpinstang te plaatsen en dit deden beiden zoo rustig en correct of er niets aan de hand was. Onder het hevigste vuur van de vijand bleven ze op hun post. En aan hun was het te danken, dat de vijand in 't front werd opgehouden en we daardoor langer hebben kunnen standhouden. Op 3 gevulde patroontrommels na was al de mitrailleurmunitie verschoten.

De sergeant-majoor-instructeur,
(get.) B. Blom.

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 1
(PDF, 424.85 KB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 2
(PDF, 437.57 KB)