Schrijven van reserve-kapitein G.J. van Rangelrooij

HOOFDREGELINGSBUREAU.
REGELINGSBUREAU LANDMACHT.
Afdeeling Ic.
nr. 1832.
Onderwerp:
Krijgsgeschiedenis.
-----------

's-Gravenhage, 28 Augustus 1941.
Willem Lodewijklaan nr. 1

In aansluiting aan het onderhoud, dat Luitenant-Kolonel Nierstrasz eenige tijd geleden met U had, verzoek ik U nog nadere toelichting te verschaffen omtrent het volgende:

  1. Luitenant v.d. GRIJP deelde mede, dat de Sergeant HAGELAARS uit koepel 4 Zondagnamiddag 12 Mei 1940 tusschen 17.00 en 18.00 uur bij U is aangekomen, dat U toen in telefonisch gesprek was met Kapitein DALES, die zou hebben goedgevonden, dat Luitenant v.d. GRIJP met de bediening van het stuk uit koepel 4 terugtrok.
    Kapitein DALES ontkent dit ten stelligste.
    Kunt U zich hiervan iets herinneren?

  2. U zijt op 12 Mei tweemaal in de stoplijn gekomen; de eerste maal met teruggestroomd personeel, de tweede maal toen Uw situatie bij de reserve sectie Uwer Compagnie onhoudbaar was.
    Kapitein BRITTIJN heeft verklaard, dat U, de eerste maal bij hem aankomende (onmiddellijk na den mislukten tegenstoot dus ongeveer 19.00 uur) hem via RHENEN bereikte waar U personeel Uwer Compagnie had opgehaald.
    Volgens een Uwer verklaringen zou U echter de tweede maal via RHENEN op den rechter vleugel van den stoplijn zijn gekomen, waar U toen stelling nam.
    Gaarne ontvang ik hieromtrent toelichting, mede in verband met het volgende:

    Sergeant-majoor-instructeur HEESTERMAN verklaart:
    "tusschen 16.00 en 18.00 uur heb ik van den kapitein bevel gekregen terug te gaan op den stoplijn; ik ben daar met de geheele sectie aangekomen en heb ze verdeeld over de stelling".

    Vaandrig EVERTSE van 3-I-8 R.I. verklaart:
    "........ ben ik snel de helling afgedaald en onderlangs via de GREBBE met den Sergeant van METEREN en 4 man op patrouille gegaan om te trachten een plaats te vinden, waar we den vijand in de flank aan zouden kunnen vallen.
    Inderdaad deed zich een goede gelegenheid voor en stuurde ik een ordonnans met een schriftelijk verzoek om 2 secties, handgranaten en vuursteun naar mijn kapitein. Maar dit verzoek kwam reeds te laat. Inmiddels was de tegenstoot toch uitgevoerd en op een volkomen fiasco en paniek uitgeloopen.
    Nog verder naar voren gaande stootte ik op een groepje van de 1e Compagnie, waarbij zich Kapitein RANGELROOIJ bevond. Ik gaf hem de raad om onderlangs terug te trekken, daar het hier nog mogelijk was.
    Met 25 man, waaronder sergeant-majoor-instructeur LIGTHART (van de 8e Compagnie Pag.) maakten wij toen front naar de helling, daar de Duitschers ons ontdekt hadden en met handgranaten begonnen te gooien, die ons dank zij de dichte begroeiing niet had kunnen bereiken.
    Wij antwoordden met een waar stormvuur maar onze positie was zoo hachelijk, dat ik bevel gaf terug te trekken en zich te vervoegen bij de eerste de beste verdedigingslijn die men zou tegenkomen.
    Zelf bleef ik zitten, louter uit lust om nu eindelijk ook zelf iets onder vuur te kunnen krijgen."

    Volgens mijn conclusie zou de gang van zaken als volgt zijn geweest:
    Onder den indruk van het artillerievuur en het op groote schaal in paniek terugtrekken van personeel der Pag. en der Mitrailleurcompagnie zijt U met dit personeel langs den Rijn naar RHENEN getrokken en daarna met een klein deel via de hulpverbandplaats naar 3-I-8 R.I. (Kapitein BRITTIJN, die toen juist teruggekeerd was van den mislukten tegenstoot.)
    U heeft Kapitein BRITTIJN geassisteerd bij het kalmeeren zijner menschen en zijt daarna naar Uw compagnie teruggekeerd met een klein aantal Uwer Compagnie.
    Aldus heeft Uw afwezigheid van naar schatting 16.00 tot 19.00 uur geduurd.
    Na Uw aankomst in Uw eigen Compagniesvak heeft U ontdekt, dat Uw voorsectiën waren gevallen, heeft U Vaandrig EVERTSE en sergeant-majoor-instructeur LIGTHART getroffen (ook sergeant-majoor-instructeur HEESTERMAN of was deze verdwenen) en op advies van Vaandrig EVERTSE zijt U toen teruggegaan naar den rechter vleugel van Kapitein BRITTIJN (20.00 uur), van welken vleugel U Maandagmorgen (hoe laat) zonder Kapitein BRITTIJN in te lichten, op REMMERDEN zijt teruggetrokken.

    Gaarne ontvang ik Uw nader bericht op het voorgaande en met name in hoeverre mijn lezing juist is en in hoeverre de verklaringen van sergeant-majoor-instructeur HEESTERMAN en Vaandrig EVERTSE juist zijn.
    Ook de reden van het volgen (de eerste maal) van de route via RHENEN eischt nog eenige toelichting.

de Generaal-Majoor,
o.l. de Luitenant-Kolonel van den Generalen Staf.
V.E. Nierstrasz.

Aan
reserve kapitein G.J. van RANGELROOIJ.
Schiedamscheweg nr. 275b
ROTTERDAM WEST
--------


==========================================================================


Reserve-Kapitein
G.J. van Rangelrooij
8 - R.I.

Onderwerp:
Krijgsgeschiedenis.

Rotterdam, 9 September 1941.

Naar aanleiding van Uw schrijven 28 Augustus 1941, nr. 1832, deel ik U het volgende mede:

  1. Hiervan kan ik me absoluut niets herinneren.

  2. De gang van zaken is als volgt geweest: Na afloop van het hevige artillerie-bombardement trachtte ik telefonische verbinding te verkrijgen met den Bataljonscommandant. Na eenigen tijd bleek mij, dat de verbinding waarschijnlijk verbroken was, en uit de telefoonpost naar buiten tredend, zag ik daar in paniek een aantal menschen terugtrekken, onder het mededeelen van enkele, niet te controleeren bijzonderheden, als het in brand staan van de helling van den Grebbeberg, de hevige verliezen. Dit waren menschen van de Mitrailleurcompagnie, 8e Compagnie Pag, en nog anderen, zelfs uit de voorhoede, eenige gewonden met zich meevoerend. Ook eenige van mijn menschen waren gewond, waaronder sergeant-majoor-instructeur Heesterman. Daar ik in die nauwe doorgang de verwarring niet kon ontknopen en elk oogenblik het artillerievuur weer kon beginnen, wist ik niets beters te doen, dan te commandeeren: "Naar de stoplijn", teneinde daar de rust te herstellen en mijn eigen menschen er uit te pikken. Dit was te pl.m. 16.00 uur.
    In de stoplijn trof ik kapitein Brittijn wanhopig aan, hij had juist een mislukte tegenstoot gedaan. Mijn eerste werk was daar de orde en rust te herstellen en de zaak weer op gang te brengen. Daarna verzamelde ik de menschen van mijn eigen Compagnie en ben daarmede naar mijn stelling van de Compagniesreserve teruggekeerd. Hoeveel tijd daarmede heengegaan is, weet ik niet precies, doch zeker niet langer dan anderhalf à twee uur.
    Bij de Compagniesreserve aangekomen, zag ik, dat de voorsectiën waren gevallen. Een tijd lang hebben we, tot aan het invallen van de duisternis, daar standgehouden. Voortdurend werden we in den rug beschoten, en we zaten daar met een totaal verkeerd front. Aangezien dat een onhoudbare toestand was, besloot ik terug te gaan naar de stoplijn. Ik had nog pl.m. 20 menschen over. Sergeant-majoor-instructeur Heesterman heb ik, na de eerste keer in de stoplijn te zijn geweest, niet meer teruggezien. Na de oorlog vernam ik van hem, dat hij zijn wondje aan de hand heeft laten verbinden in de hulpverbandplaats en verder naar achteren is gestuurd. Ik ben toen niet door Rhenen gegaan, maar langs het station en de Grebbeweg. Ik wilde mijn menschen wat te drinken geven en tevens het een en ander te weten te zien te komen. Door het bosch langs de hulpverbandplaats werden we voortdurend, ook uit de boomen, beschoten. Onderweg trof ik vaandrig Evertse aan, die me eenige verwarde dingen vertelde, waaruit ik niet wijs kon worden. Dat was mijn geheele contact met Evertse.
    Bij Brittijn aangekomen, hebben we de verdediging weer georganiseerd.
    Den volgenden dag nam ik in overleg met Brittijn stelling op de rechtervleugel van Brittijn, aan de voet van de Grebbeberg. Tegen het middaguur zag ik steeds meer menschen van Brittijn door het bosch naar achteren verdwijnen, en daar ik de overtuiging kreeg, dat zijn stelling verlaten was, en het gevecht en het vuren in mijn rug steeds toenam, besloot ik terug te gaan. Langs de Rijn keerden we terug, herhaaldelijk beschoten van onze Noordzijde, onmiddellijk gevolgd door Brittijn met een aantal van zijn menschen, die plotseling achter me te voorschijn kwamen. Langs de Veerweg te Rhenen heb ik nog getracht een verdediging tot stand te brengen, doch nog geen minuut na ons stellingnemen kregen we artillerievuur vanuit Rhenen.
    Het wanhopige van onze toestand inziende, zijn Brittijn en ik toen langs den Rijn naar Remmerden teruggekeerd, waar we door een kapitein van den Divisie-Staf verder naar achteren werden gestuurd.
    Uit mijn verslag volgt dus, dat sergeant-majoor-instructeur Heesterman terecht mijn bevel tot teruggaan heeft opgevolgd, doch daarna spoorloos verdwenen is. Aan de mededeelingen van vaandrig Evertse kon ik geen touw vastknopen, op een gegeven oogenblik zag ik hem verdwijnen tegen de helling van den Grebbeberg.


De Reserve-Kapitein
(get.) G.J. van Rangelrooij.

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 1
(PDF, 1.18 MB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 2
(PDF, 2.69 MB)