Schrijven van reserve-kapitein H. Froonhof inzake lichtmeetpost op Koerheuvel

2e Artilleriemeetcompagnie
COMMANDANT.
Nr. 1 P

ONDERWERP:
Voordracht voor
Militaire onderscheiding.

D r i e b e r g e n, 18 Mei 1940.

Naar aanleiding van Uw missive, in zake toe te kennen onderscheidingen, moge ik U de navolgende feiten ter kennis brengen.
Op Maandag 13 Mei 1940 te circa 9.30 uur, ontving ik op mijn Commandopost te LEERSUM een telefonisch bericht van den Commandant Lichtmeetcentrale, dat de bezetting van de 2e lichtmeetpost op de KOERHEUVEL te Rhenen door eene groote groep militairen, vermoedelijk geen Nederlandsche, in den watertoren was opgesloten, terwijl evenwel een tweetal soldaten waren ontsnapt en met dit bericht naar de Centrale waren gekomen.
Korten tijd daarna vernam ik, dat ook de overige militairen, die tot de bezetting van die post behoorden waren gevlucht en te Amerongen bij de Centrale aangekomen.
Dit bericht werd onmiddellijk gevolgd door een telefonisch verzoek om inlichtingen omtrent het gebeurde op de KOERHEUVEL, welk bericht afkomstig was van den Majoor van den ABEELEN namens den Legerkorpsartilleriecommandant.
Ik antwoordde hem, dat ik van het geheele geval totaal niets geloofde en dat ik mij gereed had gemaakt, om persoonlijk de postbezetting weder op hun post te brengen.
De kapitein J.P. ten Sijthoff, Commandant van de Lichtmeetafdeeling bood direct aan met mij mede te gaan.
Tevens droeg ik den dienstplichtig wachtmeester SIERSEMA alsmede de reserve-wachtmeesters HESSEL, de VOS, OCKELS, POSTHUMUS en POLAK op, mede te gaan, teneinde, indien de oude postbezetting onverhoopt niet te vinden zou zijn, als postbezetting op de KOERHEUVEL te kunnen optreden. Zonder aarzelen stelden zij zich onder mijne bevelen en wij vertrokken met 2 personenauto's naar de KOERHEUVEL. Bij de Lichtmeetcentrale trof ik te Amerongen de oude postbezetting, welke zeer ontdaan was.
Nadat ik de kerels een behoorlijke uitbrander had toegediend en hun wat moed had ingesproken, gaf ik hun last mij te volgen naar de KOERHEUVEL, aan welke lastgeving werd voldaan.
Al spoedig moest ik ervaren, dat ik de situatie eenigszins optimistisch had beoordeeld, want reeds op het traject Amerongen-Elst-Rhenen werden wij door vijandelijke vliegtuigen hevig beschoten. Toen ik de KOERHEUVEL-toren in het zicht kreeg en bemerkte, dat deze nog niet vernield was, besloot ik door te zetten, aangemoedigd door de flinke houding van mijn vrijwilligers.
Inderdaad lag het gebouw te midden van hevig artillerievuur en sloegen de granaten links en rechts op enkele meters van het gebouw in, terwijl wij de onaangename ontdekking deden ook nog door mitrailleurs te worden bestookt en aanvankelijk niet konden nagaan, uit welke richting de schoten vielen.
Mijn menschen hebben zich toen met groot gevaar voor eigen leven door het vijandelijk vuur naar de toren begeven en wij bereikten, dus zoowel de vrijwilligers als de oude postbezetting, de toren. Op de toren troffen wij niemand aan, alleen in de kelder van het gebouw zaten eenige gevluchte infanteristen.
Onder de bezielde leiding van den kapitein J.P. ten SIJTHOFF werd onmiddellijk begonnen om te trachten de telefonische verbinding, welke was stuk geschoten, te herstellen en de instrumenten op te stellen.
Mij bleek toen op het terras van die toren gekomen, dat wij zelfs aldaar door mitrailleurs werden beschoten en kregen toen de indruk, dat deze kogels van een afstand van ca. 1500 meter werden afgeschoten.
Later hoorde ik beweren, dat van de Cuneratoren uit op ons moet zijn geschoten.
De terugtocht van onze voorste linies was toen reeds begonnen, waarbij geheele groepen eigen infanterie met een witte zakdoek aan de bajonet in paniek vluchtten. Wij gingen naar buiten en ik hield er eenige staande met de vraag, waarom die witte zakdoeken.
Het antwoord luidde: wij worden door onze eigen menschen beschoten. Kortom de verwarring was groot.
Ondanks het feit nu, dat onze voorste troepen weg waren en die toren voortdurend in het vuur der artillerie lag, terwijl stukken steen en glas rondvlogen, bleven de menschen op hun post.
Ik heb toen gelast, dat een der reserve-wachtmeesters bij de post zou achterblijven en wilde de overige wachtmeesters medenemen, teneinde zoonoodig andere posten te kunnen bijstaan. Teekenend was het toen, dat allen hoofd voor hoofd mij verzochten te mogen blijven, zoodat ten slotte de kapitein ten SIJTHOFF door loting uitmaakte, dat de reserve-wachtmeester de VOS achter zou blijven.
Nadat ik eerst nog diverse officiersuniformen in het hotel door de inwonende officieren aldaar, vermoedelijk achtergelaten, had bijeen verzameld, teneinde te voorkomen, dat deze [niet] in handen van den vijand zouden kunnen komen, keerde ik met 2 wachtmeesters terug, terwijl de kapitein ten SIJTHOFF kort daarna met de anderen volgde, terwijl hij tevens de soldaten der oude postbezetting, die geen voldoende moreel meer hadden ook deed terugkeeren.
Ik heb onmiddellijk van mijn bevindingen verslag uitgebracht aan het hoofd van sectie I 3 van IIe Legerkorps den kapitein de RIDDER, alsmede aan Kolonel BARTELS, Legerkorpsartilleriecommandant en den Majoor van den ABEELEN Commandant Legerkorpsartillerie.
Dat de positie op de KOERHEUVEL onhoudbaar was, vond bevestiging in het feit, dat het bevel tot algeheele terugtocht kort daarna volgde.
De achtergebleven postbezetting is toen te voet naar de Lichtmeetcentrale teruggekeerd, aangezien zij hun auto niet meer konden bereiken. De instrumenten hebben zij evenwel in veiligheid weten te brengen.
Tevens moge ik er nog Uw aandacht op vestigen, dat de kornet A. POSTUMA sectie-commandant eveneens geheel vrijwillig met ons is medegegaan en op de post de grootst mogelijke koelbloedigheid aan den dag heeft gelegd, hetzelfde geldt voor den motorrijder-ordonnans de VRIES, die herhaaldelijk door het vijandelijk vuur naar de voertuigen ging om goederen in te laden.

Overwegende, dat de hierna te noemen militairen, met levensgevaar en onder zwaar vijandelijk vuur een militaire waarnemingspost opnieuw hebben bezet, welke door een vorige bezetting verlaten was;
Overwegende, dat deze militairen, door hun heldhaftige houding een voorbeeld hebben gegeven aan een totaal gedemoraliseerde postbezetting;
Overwegende, dat zij, na hun taak tot het laatste toe, te hebben verricht, door koel overleg nog kans hebben gezien aan hen toevertrouwde instrumenten en toestellen veilig terug te voeren;
Overwegende, dat ik persoonlijk door hun grooten moed geschraagd en in staat gesteld ben op de post KOERHEUVEL mijn taak als Commandant te kunnen volbrengen;
Overwegende, dat ik als ooggetuige, - derhalve uit eigen ervaring, - de hiervoren opgesomde feiten onder eede wil bevestigen; veroorloove U mij, de hieronder te noemen militairen voor te dragen voor een

M i l i t a i r e O n d e r s c h e i d i n g

1. Kapitein J.P. ten SIJTHOFF
2. reserve-wachtmeester de VOS A.W.
3. reserve-wachtmeester HESSEL H.
4. reserve-wachtmeester POLAK H.
5. reserve-wachtmeester POSTHUMUS J.
6. reserve-wachtmeester OCKELS J.H.M.
7. reserve-wachtmeester SIERSEMA J.A.
8. kornet POSTUMA
9. motorrijder-soldaat de VRIES G.J.

Driebergen, Mei 1940
De Kapitein, Commandant 2e Artilleriemeetcompagnie.
(get.) (H. Froonhof.)

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 1
(PDF, 1.74 MB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 2
(PDF, 547.81 KB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 3
(PDF, 346.96 KB)