Schrijven van reserve-kapitein Ir. W.J. Dewez
HOOFDREGELINGSBUREAU
REGELINGSBUREAU LANDMACHT.
--------------------
Afdeeling I C.
Nr. 1685 / '41.
--------------------
Onderwerp:
Krijgsgeschiedenis
Bijlage: een.
's-Gravenhage, Juni 1941.
Willem Lodewijklaan 1.
Voor een juiste kennis van het verloop der gebeurtenissen van 10 - 14 Mei 1940 is het noodig nog over eenige toelichtingen te beschikken, waartoe ik U verzoek de volgende punten wel te willen beantwoorden:
a. In een gevechtsverslag heeft commandant 2-III-11 R.I. medegedeeld, dat - na het gewond raken van Majoor Van der Ploeg - door U als waarnemend bataljonscommandant aan hem (Kapitein Franssen) opdracht is verstrekt, 200 meter terug te gaan met zijn compagnie en den weg over te steken, teneinde Zuid van dien weg te komen.
In het door U op 24 September 1940 aan Kolonel Lucardie gegeven verslag maakte U er geen melding van, of U na het vertrek van Majoor Van der Ploeg zijt opgetreden als waarnemend bataljonscommandant en dat U de vorenbedoelden order van 200 meter terugtrekken heeft gegeven.
Het is van groot belang, indien U mij hierover kunt inlichten.
b. Uit de bij mij berustende gegevens is af te leiden, dat U met Uw detachement achter 3-I-8 R.I. (Kapitein Brittijn) aan kwam juist op het oogenblik, dat deze Compagnie om het doen van een tegenstoot voorwaarts maakte.
Volgens verschillende mededeelingen zou door Uw mannen op die van 3-I-8 R.I. zijn geschoten. Is U daar iets van bekend?
c. Hoe is het te verklaren, dat eerst twee uren, nadat de witte vlag in de villa van Ouwehand is uitgestoken, gevangenneming volgde? Theoretisch zou hieruit volgen, dat het uitsteken van de witte vlag nog niet noodig was. Was het onmogelijk, door krachtdadig optreden Uw mannen tot handelen te dwingen?
In dit verband voeg ik hierbij een uittreksel uit een verslag van een onderhoud, dat ik met een motorordonnans van Commandant 8 R.I. had, welke ordonnans na te zijn gevangengenomen, wist te ontvluchten en het magazijn van Ouwehand wist te bereiken.
Ik verneem gaarne of het daarin medegedeelde juist is.
Den Generaal-Majoor,
o.l. den Luitenant-Kolonel van den Generalen Staf,
(get.) V.E. Nierstrasz.
Aan
Reserve Kapitein
Ir. W.J. Dewez
Parklaan 26
Roermond
==========================================================================
Ir. W.J. Dewez
Parklaan 26
ROERMOND.
ter beantwoording van
schrijven:
No. 1685.
Onderwerp:
krijgsgeschiedenis.
Roermond, 31 Juli 1941.
Den Heer Generaal-Majoor,
Chef van het Hoofdregelingsbureau
Regelingsbureau Landmacht Afdeeling I C
's-G R A V E N H A G E.
Naar aanleiding van Uw nevenvermeld schrijven, heb ik de eer U het volgende U te berichten.
Zooals ik in mijn verslag aan Kolonel Lucardie meedeelde was ik, nadat het signaal voorwaarts gaan gegeven was, met mijn detachement rechts van den weg Rhenen-Wageningen door het kreupelhout opgerukt. Ik had 5 groepen geformeerd, waarvan drie (ieder met een mitrailleur) in voorste lijn en twee onder commando van een vaandrig op, naar ik meen, 75 meter daarachter. Deze twee groepen hadden geen mitrailleur en had ik eigenlijk bestemd om eventueele verliezen bij de voorste groepen aan te vullen. Mijn detachement was namelijk een samenraapsel van allerlei onderdeelen. Ik bevond mijzelf bij de middengroep in voorste lijn (er was geen ander officier bij mijn detachement).
De geheele aanval was zeer overhaast opgezet en niemand van ons wist iets. Uit wat voorafgegaan was had ik den indruk, dat er geen eigen troepen meer in het voorterrein zaten.
Mijn linker groep was richtingsgroep, aangezien hij op plm. 10 meter parallel met den straatweg optrok.
Na eenigen tijd voorwaarts gaan passeerden wij een loopgraaf. Ik ben er met mijn groep overheen getrokken, heb daarna verband opgenomen met de linker en rechter groep en ben toen weer vooruit gegaan. Na eenigen tijd - het kreupelhout was vrij dicht - miste ik de twee achterste groepen. Er was echter geen tijd om deze te gaan zoeken en ik nam aan, dat zij wel uit den loopgraaf zouden komen. Daarna kwamen wij weer aan een loopgraaf, waar we niets van hen vonden. Ik heb er mij met de groep waar ik bij was in laten zakken, heb op die plaats geen soldaten in deze loopgraaf gezien en ben toen met de groep op een geschikt punt weer uit dezen loopgraaf geklauterd. Daarna kwamen wij aan een prikkeldraadversperring. Hier konden wij niet door, wij zijn naar het Zuiden afgebogen en zagen toen, dat de rechter groep een opening gevonden had en daar doorheen trok. Wij zijn toen ook naar deze opening gegaan en daarna weer meer naar links afgezwenkt. De linker groep zag ik toen ook niet meer, terwijl wij op dat moment ook nog hevig vuur van links kregen.
Ik heb mij toen weer op de boomen langs den straatweg georiënteerd en getracht de linker groep te vinden. Na verspreiden zijn wij toen nog een eind vooruit getrokken en toen kwam tweemaal achter elkaar van achter het signaal verzamelen.
Aangezien ik geen verband meer had met de nevenafdeeling en ondertusschen zeer zwaar vuur op mijn linker flank kreeg, waarvan ik vermoedde, dat de linker afdeeling achter gebleven was, ben ik toen weer teruggetrokken. Slechts met één groep ben ik in den laatst gepasseerden loopgraaf teruggekomen. Bij den straatweg ontmoette ik daar toen soldaten van mijn linker groep, die eveneens teruggetrokken waren, terwijl ik bij het terugtrekken nog een ordonnans naar de rechter groep gestuurd heb.
Ik heb mijn menschen toen in den loopgraaf achtergelaten en ze bevolen daar stand te houden. Aangezien ik slechts enkele uren met de menschen van mijn detachement kennis gemaakt had, weet ik niet of er in dat gedeelte van den loopgraaf nog anderen waren dan die van mijn detachement; de bezetting was in elk geval zeer zwak.
Nog steeds werd er hevig gevuurd van links. Ik ben toen alléén verder naar achter gekropen om contact op te nemen met den Bataljonscommandant en te vragen wat er nu eigenlijk moest gebeuren. Op het uitgangspunt aan de overzijde van den weg in een greppel zag ik den Bataljonscommandant. De straatweg lag toen onder vuur en ik bleef achter een boom liggen, achter welken boom een zware mitrailleur was opgesteld, die in het voorterrein vuurde.
Ik weet absoluut zeker, dat door mijn drie voorste groepen in het voorwaarts gaan niet gevuurd is, totdat wij de prikkeldraadversperring gepasseerd waren. Daarna hebben wij wel gevuurd en ik weet ook zeker, dat dit op Duitschers was, kenbaar aan hun camouflage.
Wat hebben de twee achterste groepen onder bevel van den vaandrig echter gedaan? Ik heb deze niet meer teruggezien. Zijn zij geheel naar rechts afgezwenkt? Hebben zij misschien gevuurd? Ik weet het niet. Dit naar aanleiding van Uwe vraag onder b.
De Bataljonscommandant was naar mijn meening geheel van streek. Hij wilde met alle geweld, dat in het struikgewas vlak voor hem gevuurd zou worden, aangezien hij daar vijand vermoedde, die op hem geschoten zouden hebben en hem verwond zouden hebben. Ik heb nog getracht over het lawaai heen hem te beduiden, dat dit niet kon zijn en dat wij door te vuren op eigen menschen zouden schieten.
Toen mij bleek dat er van den Bataljonscommandant geen rustige leiding meer te verwachten was, heb ik hem toegeroepen, dat, als hij gewond was, hij zich buiten den strijd zou laten vervoeren. Op dat punt was het een geweldig lawaai, de zware mitrailleur vuurde geregeld, het regende kogels van de overkant, zoodat ik mij gedekt moest houden. Op een gegeven moment zag ik den Bataljonscommandant door twee soldaten door den greppel naar achter dragen. Of hij voordien nog een opdracht aan mij gegeven heeft? Ik heb door al het lawaai daar niets van verstaan. Bovendien verkeerde ik in de stellige overtuiging, dat de Kapitein Van de[r] Spek als oudste nu het commando zou overnemen. Kapitein van de[r] Spek had mij namelijk toen wij nog in Leersum waren, te verstaan gegeven, dat hij als oudste waarnemend Bataljonscommandant was (dit naar aanleiding van een opdracht, die ik toen gegeven had bij afwezigheid van Majoor Van der Ploeg). Ik heb nog een heelen tijd op dezelfde plaats gelegen, wachtende op de dingen die komen zouden, maar er kwam niets en niemand en toen ben ik weer naar mijn menschen in den loopgraaf gegaan. Na eenigen tijd, toen het vuren steeds heviger werd en ik eigenlijk het idee had, dat ik alléén in dien loopgraaf zat met een handje vol menschen, ben ik nogmaals naar de uitgangsplaats gegaan met één of twee soldaten bij mij. Ik meen mij te herinneren, dat ik een van deze soldaten in een vuurpauze over den weg gestuurd heb om te zien of hij de Kapitein Franssen en Steenbergen vond. Mogelijk heeft deze soldaat Kapitein Franssen gevonden en hem gezegd, dat ik 200 meter naar rechts zat, maar van een bevel om 200 meter terug te trekken kan ik mij niets herinneren (ik kan ook bezwaarlijk aannemen, dat ik zoo'n bevel gegeven zou hebben, aangezien ik mij niet als den Bataljonscommandant beschouwde).
Dit ten aanzien van de door U gestelde vraag onder a.
Hoe is het te verklaren, dat eerst 2 uur nadat de witte vlag in villa Ouwehand is uitgestoken, gevangenneming volgde?
Ik wil trachten deze vraag te beantwoorden en mede daarmede het rapport van den dienstplichtig soldaat Kense.
Na den geheelen nacht in den loopgraaf stand gehouden te hebben (Duitsche patrouilles waren vlak voor ons bij het prikkeldraad, want ik heb herhaaldelijk Duitsche commando's gehoord en daarop ook in die richting laten vuren), begonnen de Duitschers in de schemering aan te vallen. Zij geraakten vlak bij den weg in onzen loopgraaf. Wij zijn toen den loopgraaf afgerend in de richting van den Rijn. Hier kwamen wij in een sterk bezet stuk bij Kapitein Brittijn. Ik heb hem van de situatie op de hoogte gesteld, mijn menschen onder zijn bevelen gesteld en gevraagd waar de Bataljonscommandopost was. Daar ben ik toen heen gegaan om mij onder het bevel van Majoor Landzaat te stellen. De Majoor heeft mij toen als eenige opdracht gegeven mee te helpen tot verdediging van den commandopost (ik had den Majoor eerst ingelicht over den toestand bij Kapitein Brittijn). Ik heb toen een geweer gepakt en ben op den hooizolder b gegaan. Daar heb ik geruimen tijd gezeten, nagegaan hoe de verdediging was en toen ik hevig vuur hoorde uit het huis waar Majoor Landzaat zat, ben ik naar buiten gegaan en heb op mijn eentje den omtrek verkend (drong vrij ver door in het dierenpark, doorzocht de huizen links van het hooimagazijn en ben in de woning bij den Majoor geweest). Daarna ben ik weer teruggegaan naar den hooizolder. Ik kan moeilijk aannemen, dat er in totaal 50 soldaten in het hooimagazijn waren; ik schat hoogstens een twintigtal.
Eenigen tijd later ontdekte een soldaat een Duitscher aan den achterkant van het magazijn in het dierenpark. Op hem is geschoten. Ik wilde weten of wij ook van dien kant omsingeld waren en ben toen met twee soldaten het dierenpark ingegaan, heb de gebouwen dicht bij het magazijn nogmaals doorzocht, maar niets gevonden. Plotseling kregen wij toen van het Noordoosten uit hevig vuur, zoodat ik wist dat ontkomen aan dezen kant niet mogelijk was. De twee soldaten zijn naar binnen gevlucht en ik ben door het kreupelhout in de richting van het huis waarin Majoor Landzaat zat (die toen gewond was, maar nog vuurde) gegaan. Ik heb den Majoor van de situatie op de hoogte gesteld en voorgesteld te trachten via het dierenpark terug te trekken. De Majoor wilde hier niet op ingaan. Ik ben toen verder het bosch ingekropen en nu in de richting van den Rijksstraatweg om te zien, of wij ook aan dien kant omsingeld waren. Men heeft mij toen ontdekt en op mij gevuurd. Ik vluchtte een schuilplaats binnen en bevond, dat dit een bergplaats van artillerieprojectielen was. Hier weer uit en heb toen een heelen tijd lang achter een walletje gelegen, totdat het vuren wat ophield; toen ben ik naar den villa Ouwenhand gekropen en vond daar een aantal soldaten, die niet meer vechten wilden. Ik heb deze gelast weer stelling te nemen in de keuken en bijkeuken en in den gang (andere vertrekken waren kapot geschoten). Daarna kwam hevig artillerievuur. Toen het vuur wat minder hevig was ben ik weer naar buiten gegaan om te zien hoe het hooimagazijn en het huis waarin Majoor Landzaat zat, het er af gebracht hadden. Ik heb toen gezien hoe uit de richting van den Rijksstraatweg deze woning met infanteriegeschut onder vuur genomen werd (ik kon het mondingsvuur in het vrij donkere bosch zien). Ik ben toen op hand en voeten naar de woning waarin de Majoor was, gekropen en vond deze grootendeels vernield en bij de voordeur aan den voet van de trap iemand liggen. Ik had geen tijd om nauwkeurig te zien wie dit was, maar heb aangenomen, dat het de Majoor was, aangezien ik die kort tevoren boven op de trap had zien staan (gewond) en vurend door een raampje. Ik ben toen terug gehold naar het hooimagazijn, hier kwamen mij enkele soldaten tegen, die er uit vluchtten en riepen dat het hooi in brand stond. Met deze ben ik toen naar den villa Ouwenhand gevlucht en vond daar den heelen troep - op één man na, die nog op post stond in den gang - bijeengehurkt in de bijkeuken. De stemming was beneden peil, er waren enkele soldaten bij gekomen, die uit de woning waar de Majoor gebleven was, nog hadden kunnen vluchten. Ik heb toen nog getracht dezen troep te bewegen met mij een poging te doen om via het dierenpark door te breken, maar tevergeefs. Het artillerievuur nam ondertusschen in hevigheid toe, vanuit het boschterrein vóór ons werd hevig op den villa geschoten, waardoor onder andere de waterleiding in huis lek raakte en in den kelder lagen zwaar gewonden en waar ik wist dat wij practisch omsingeld waren en deze troep niet meer wilde vechten, heb ik toen maar besloten ons over te geven. Wij hebben aan een stok een handdoek gebonden en dezen door het raampje in de buitendeur gestoken. Meteen hield het mitrailleur- en geweervuur op. Er kwam echter niemand. Inderdaad zijn er toen nog - ik meen een drietal - soldaten na eenigen tijd uit de schuur bij ons binnengevlucht en daaronder was er één die nog genoeg moed had om met mij te trachten door het dierenpark te vluchten. Behalve hem was echter niemand bereid om mee te gaan. Toen ook heb ik tegen een soldaat of sergeant die ontzettend overstuur was en de angststemming nog verhoogde en die mij maar vroeg om hem neer te schieten, gezegd: "Hou je mond dicht, anders zal ik andere maatregelen nemen".
Duitsche soldaten trokken vlak langs het huis heen onder andere een afdeeling met mitrailleurs. Van de achterzijde van het dierenpark kwam toen hevig vuur. Ik had den indruk, dat onze troepen een tegenaanval deden, na eenigen tijd trokken de Duitschers ook weer terug en wij hadden den indruk, dat wij nog wel bevrijd zouden raken. Verschillende hadden op mijn bevel hun uitrusting weer omgedaan, de stemming was iets beter geworden, maar helaas kwamen de onzen niet, maar wel de Duitschers.
Waarom deze ons niet eerder gehaald hebben? Ik vermoed, dat de eerste troep die den villa onder vuur genomen had, nadat zij de witte vlag gezien hadden, direct verder gerukt is. De stok waaraan deze vlag hing, is naar binnen geschoten, zoodat slechts een kleine witte doek aan de deur hing. Waarschijnlijk hebben volgende troepen deze niet opgemerkt.
Indien de troep in den villa inderdaad mijn mannen - mijn eigen compagnie - geweest waren, was ik er waarschijnlijk in geslaagd, mij met hen er doorheen te slaan. Ik kende deze menschen echter niet en zij mij niet. Het was hopeloos. Ik heb er over gedacht er een neer te schieten om ze zoo trachten te dwingen, maar zag ook daar het nuttelooze van in. Wat ik misschien wel had kunnen doen, was direct trachten alléén weg te komen; ik was echter geheel onbekend in dit terrein en wist geen weg.
De inlichtingen van dienstplichtige soldaat Kense lijken mij grootendeels juist, alléén moet hij zich in den tijd vergissen. Majoor Landzaat is niet om acht uur gesneuveld, maar veel later. Ik meen mij deze ordonnans te herinneren, omdat ik mij ook iets herinner van een bericht voor een tegenaanval uit de richting Achterberg, waarvan hij melding maakte. Dit was inderdaad reeds vrij vroeg in den morgen, maar toen was onze verdediging nog geheel intact. Terugtrekken op den Regimentscommandopost zal ik echter waarschijnlijk niet gezegd hebben, aangezien ik - onbekend met de geheele situatie op den Grebbeberg - niet wist waar de Regimentscommandopost was. Mijn plan is wel geweest, om als de situatie hopeloos werd, te trachten achter de spoorlijn te komen.
Ook herinner ik mij dat, toen ik in het hooimagazijn kwam, gelijkvloers een aantal menschen zaten, die niets deden. Ik heb deze - alhoewel ik zelf geen bevel voerde - toen over de geheele schuur verdeeld en ben zelf naar boven gegaan. Later is Luitenant De Jong met enkele menschen daar ook gekomen.
Ik heb gemeend U een en ander voor een goed begrip zoo uitvoerig mogelijk te moeten meedeelen.
DE RESERVE KAPITEIN,
(get.) W.J.Dewez
|
