Schrijven van reserve-kapitein Ir. W.J. Dewez

Ir. W.J. Dewez
Parklaan 26
R O E R M O N D.

Onderwerp:
Onderscheidingen.

Roermond, 23 April 1941.

Den Hoogedelgestrengen Heer V.E. Nierstrasz
Luitenant-Kolonel van den Generalen Staf
Hoofd Regelingsbureau Veldleger
te
's-G R A V E N H A G E.
Lange Voorhout No. 7


Na ontvangst van Uw schrijven d.d. 12 September 1940 Nr. 742, heb ik direct moeite gedaan om namen en adressen op te sporen van diegenen, die tijdens de gevechten op den Grebbeberg onder mijn commando stonden en zich bijzonder onderscheiden hebben. Het is mij helaas niet mogen gelukken de gewenschte gegevens te verkrijgen.
De omstandigheid, dat ik van de kleine afdeeling die op 12 en 13 Mei onder mijn bevelen gesteld werd, niemand kende, maakt dit opsporen van personen voor mij dubbel moeilijk. In totaal waren het 62 man, waarbij geen enkel officier, verder één adjudant-onderofficier (gesneuveld), één vaandrig en 3 onderofficieren, waarmede ik op 12 Mei opdracht kreeg op de rechterflank van het Bataljon een aanval te doen. Deze 62 man waren afkomstig van verschillende onderdeelen en kenden mekaar slechts ten deele. In totaal beschikten wij over 3 lichte mitrailleurs.
Bij den aanval had ik in het geheel 5 groepen geformeerd, drie in voorste lijn en twee (onder bevel van den vaandrig) als reserve. Zelf bevond ik mij bij de middelste groep in de voorste lijn. Bij het voorwaarts gaan - hetwelk onder zeer moeilijke omstandigheden onder vrij zwaar mitrailleur- en geweervuur geschiedde, door een dicht begroeid en voor ons totaal onbekend terrein - heeft zich vooral de sergeant-groepscommandant van de rechtergroep in mijn oogen zeer onderscheiden. Hij hield zijn mannen goed bij elkander, bleef voorwaarts gaan ook na het passeeren van de stoplijn, zocht zelfstandig een opening in de prikkeldraadversperring en trok toen ook weer zonder vrees verder. Op hem en op zijn mannen past zeker de omschrijving: moed, beleid en trouw.
Deze sergeant met zijn 10 man waren de beste van de 62, wat zij ook reeds bewezen hadden door in de verwarring die vóór ons oprukken naar den Grebbeberg heerschte, zich niet te laten misleiden door valsche geruchten, te blijven in de door mij aangewezen kwartieren en direct op het eerste bevel zonder vrees de door mij aangewezen straten in Rhenen af te zetten en zich voor het leveren van straatgevechten in te richten.
Maar wie was die sergeant en wie waren zijn mannen?
Leven zij bovendien nog?
Met mijn klein[e] groepje ben ik later namelijk op bevel of liever op signaal moeten terugtrekken. Ik schat dat we nog met plusminus 20 man bij elkaar waren en hebben toen stand gehouden in een vrijwel verlaten gedeelte van de stoplijn grenzende aan den Rijksstraatweg.
Toen de Duitschers in den morgen van 2den Pinksterdag in de buurt van den straatweg ondanks ons vuur in deze loopgraaf kwamen, zijn wij naar de Rijnzijde door deze loopgraaf met pl.m. 10 man uitgeweken. Ik heb deze menschen toen onder commando gesteld van den officier die hier de stoplijn nog bezet hield en heb mij toen persoonlijk gemeld bij den hoogeren commandant, namelijk bij Majoor Landzaat op zijn commandopost. Van dezen kreeg ik opdracht hem te helpen bij het verdedigen van zijn commandopost. Door de meeste soldaten is hier dapper gevochten, maar ook van deze ken ik weer niemand.
Mogelijk heeft het voor U wel nog eenige beteekenis te vernemen dat Majoor Landzaat vrijwel zeker dood is geweest voordat de woning waarin hij sneuvelde uitbrandde. Om mij zoo goed mogelijk op de hoogte te houden van de gedragingen der aanvallers heb ik geregeld de omgeving van den huizengroep doorzocht. De voorlaatste keer dat ik in de woning waarin Majoor Landzaat zich verdedigde was, stond de Majoor op het trapportaal en vuurde met een geweer door een smal raam op dit portaal. Hij was toen aan zijn hoofd gewond (bloed liep langs zijn rechterslaap over zijn gezicht) en waarschijnlijk ook in zijn rechterbeen geraakt.
Nadat het huis waarschijnlijk met anti-tankgeschut van vrij korten afstand (waarschijnlijk vanaf den straatweg) beschoten was, ben ik er nogmaals heen gekropen en toen lag iemand, naar ik bij vluchtig constateeren althans meende, dood aan den voet van de trap. Veel tijd om te constateeren wie dit was had ik niet, want de Duitschers hadden de woning onder vuur. Ik voor mij heb de overtuiging, dat dit de Majoor was en dat hij toen reeds dood was.
De Compagnie die ik van 24 Augustus 1939 tot 24 October 1939 en van 8 - 10 Mei 1940 commandeerde en waarbij ik vrijwel iedereen kende, werd op 10 Mei vrijwel geheel opgelost, doordat de helft naar Zeist moest en de andere helft over verzwakte andere Compagnieën verdeeld werd. Ik werd toen ter beschikking gesteld van den commandant van een ander Bataljon en kreeg toen aanvankelijk het bevel over een zgn. anti-valschermtroepen-afdeeling (samengesteld uit diverse onderdeelen) die bij het oprukken naar den Grebbeberg nog in totaal 62 man sterk was.
Mocht het mij nog gelukken namen en vooral die van bovenbedoelden sergeant op te sporen, dan zal ik U die zeker mededeelen.

DE RESERVE-KAPITEIN,
(get.) W.J. Dewez

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument
(PDF, 1.15 MB)