Schrijven van reserve-kapitein J. van den Berg inzake voordracht

J. VAN DEN BERG

WINTERSWIJK,
JULIANASTRAAT 13
29 November 1940.

Aan
het Hoofd Regelingsbureau Veldleger
te
's-Gravenhage.


Na ontvangst van uw schrijven no. 742, schreef ik u, dat ik mij onmiddellijk met mijn voormalige officieren in verbinding zou stellen. Dit heb ik gedaan maar het bleek zeer moeilijk om contact te verkrijgen. Door middel van P.T.T. en registratiebureau kon ik slechts een gedeelte van de adressen krijgen, terwijl er enkele nog foutief waren. Een en ander gaf groote vertraging en zoodoende ontving ik pas gisteravond een brief, aan de hand waarvan ik u de volgende gegevens kan verstrekken.

Van mijn voormalige compagnie (1-II-8 R.I.) zou ik voor een eervolle vermelding willen voordragen:
- de dienstplichtig korporaal P. van Schayk,
- de dienstplichtige Valk,

en wel om de volgende redenen.

"Zich als vrijwilliger aangemeld voor het bedienen in voorste lijn van een extra lichte mitrailleur, waarvoor geen gedekte opstellingsplaats aanwezig was, zodat zij genoodzaakt waren tegen de borstwering op te kruipen en met het wapen erover heen te vuren; ondanks zwaar vijandelijk mitrailleur- en geschutvuur dit geruimen tijd volgehouden, den vijand aanzienlijke verliezen toebrengend en deze daardoor dwingend zich daar ter plaatse terug te trekken."

Ter toelichting diene het volgende. Uit de voorste lijn ontving ik bericht, dat vijandelijke afdeelingen zich genesteld hadden in 't griendhout Noord van de linkervleugel van mijn compagniesvak en gelegen vlak langs de Grebbe aan de Oostzijde. Ik meldde dit feit aan mijn Bataljonscommandant met de mededeeling, dat ik dit gebied maar ten deele kon bestrijken van uit mijn vaste opstellingen. De Bataljonscommandant zond daarop een lichte mitrailleur met de opdracht deze te gebruiken voor het bevuren van dit griendhout. Deze mitrailleur is naar de voorsectie gebracht, alwaar de genoemde dienstplichtigen zich onmiddellijk voor de bediening aanmeldden. Zij hebben het wapen, dat splinternieuw was, schietvaardig gemaakt en hebben daarna, zich telkens verplaatsend, het vuur op den vijand geopend. Toen het wapen door een, in de nabijheid inslaand projectiel, geheel met zand werd bedolven, hebben zij het wapen uitgegraven, schoongemaakt en opnieuw in werking gesteld. Later hebben zij zich bij den Vaandrig Wassenaar gemeld met de mededeeling, dat zij aan hun opdracht hadden voldaan.

Getuigen, die de dienstplichtigen aan het werk hebben gezien, zijn:
de voormalig sergeant-capitulant A.W.J. Vos, thans Rijksambtenaar, Lage Mierde (ten Zuiden van Eindhoven)
en
de voormalig sergeant-capitulant Dijkman, waarvan mij alleen bekend is, dat hij nu Rijksambtenaar is.

De nadere namen (voorletters) van de voorgedragenen, noch hun adressen zijn mij bekend.

Wat de korporaal Van Schayk aangaat, nog het volgende:

"Hij deed bij mijn compagnie dienst als schoenmaker. Zo kwam hij, bij het uitbreken van de oorlog, in mijn commandopost. Hij heeft zich toen verscheidene malen als ordonnans verdienstelijk gemaakt door het overbrengen van bevelen naar de sectiƫn, terwijl het terrein onder vuur lag. Eigener beweging vroeg hij of hij niet naar de voorste lijn mocht gaan, omdat hij zo spoedig mogelijk aan de strijd wilde deelnemen. Dergelijke mensen konden we in de eerste lijn gebruiken en ik heb hem dan ook dadelijk laten gaan. Zijn boven beschreven gedrag heeft bewezen, dat hij daar op zijn plaats was."

De Reserve Kapitein,

(get.) J. van den Berg

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument
(PDF, 1.51 MB)