Schrijven van reserve-kapitein Mr.Dr. M.H.H. Franssen
HOOFDREGELINGSBUREAU
REGELINGSBUREAU LANDMACHT.
Afdeeling Ic.
nr. 1984.
Onderwerp:
Krijgsgeschiedenis.
's-Gravenhage, 1 October 1941.
Jacob Mosselstraat nr. 2
Uw schrijven van 27 September 1941 nr. 1127 geeft mij aanleiding U het volgende mede te deelen :
-
Het bevel van Kapitein DEWEZ om een achterwaartsche beweging uit te voeren, waarvan U in Uw gevechtsbericht melding maakte, is door Kapitein DEWEZ volgens diens verklaring niet gegeven.
Ik zal het daarom in het belang van de krijgsgeschiedenis op prijs stellen, indien U wilt mededeelen wie U een dergelijk bevel heeft overgebracht. -
Het telefonisch onderhoud, waarop ik doelde, had - afgaande op mijn inlichtingen - plaats op een andere plaats dan U beschrijft en in het bijzijn van enkele officieren.
-
De punten, waarvoor U de aandacht vroeg als zijnde van belang voor de krijgsgeschiedenis hadden, voor zooveel zij juist zijn, zooals vanzelf spreekt, reeds de aandacht. Het zou mij te ver voeren, daarop in te gaan.
Slechts wil ik er op wijzen, dat het Duitsche legerbestuur zijn aanvalsuur aan een tegenstander niet pleegt bekend te maken, zoodat Uwe mededeeling: "het legerbestuur moet op Dinsdag met zekerheid geweten hebben wat er gebeuren ging" nogal zonderling aandoet.
Aangezien U het sneuvelen van Majoor LANDZAAT niet heeft bijgewoond en er omstreeks het tijdstip, waarop dit plaats vond geen eigen artillerievuur in de omgeving van den commandopost van dien Majoor is afgegeven, is Uw meening ter zake met vrij groote zekerheid onjuist.
Het is overigens zeer goed mogelijk, dat er onjuistheden in de door U bedoelde publicatie voorkomen.
In verband met vele tegenstrijdigheden in de verklaringen van hen, die de verdediging van dat huis hebben medegemaakt is een volkomen juiste reconstructie niet mogelijk. Uit het vele mij ter beschikking staande materiaal, ook na die publicatie verkregen, is inmiddels wel gebleken, dat eventueele onjuistheden niet van zoodanig ernstigen aard zijn, dat het karakter der publicatie erdoor zou worden geschaad.
Intusschen is het voor de juiste beschrijving van de krijgsgeschiedenis van belang, indien U mij omtrent ernstige onjuistheden inlicht. -
Tenslotte deel ik U mede, dat de Afdeeling Ic. deze week wordt verplaatst naar Jacob Mosselstraat nr. 2, telefoon 772120.
de Generaal-Majoor,
o.l. de Luitenant-Kolonel van den Generale Staf,
(get.) V.E. Nierstrasz.
Aan
den reserve-kapitein
Mr. Dr. M.H.H. FRANSSEN.
Korte Voorhout nr. 12b
's-Gravenhage.
==========================================================================
Dr. M.H.H. FRANSSEN
ADVOCAAT EN PROCUREUR
IN ZAKE: 1127.-
Antwoord op Uw
schrijven 1984.
Onderwerp:
Krijgsgeschiedenis.
's-GRAVENHAGE, 15 December 1941.
KORTE VOORHOUT 12B
Gelieve TE VERMELDEN bij UW ANTWOORD no. 1127.
Den HoogEdelGestrenge Heer
Luitenant-Kolonel V.E. NIERSTRASZ,
Jacob Mosselstraat 2,
's-GRAVENHAGE.
=================
HoogEdelGestrengen Heer,
-
In Uw schrijven dd. 1 October 1941 heeft U nagelaten mij de ontvangst te bevestigen van de door mij U toegezonden foto-copie van een verklaring van den Luitenant Van den Boogerd dd. 2 October 1940 (in mijn schrijven abusievelijk vermeld: 2 October 1941).
Deze verklaring is voor de Krijgsgeschiedenis van belang, omdat met deze en met mijne verklaring de onwaarheid van de bewering van den Kapitein Van Buuren bewezen wordt. -
Uw schrijven dd. 1 October 1941 heb ik reeds telefonisch met U besproken. Zoowel hetgeen mij bekend is omtrent het sneuvelen van den Majoor Jacometti alsook omtrent het sneuvelen van den Majoor Landzaat, houd ik mij voor zelf te publiceeren. Dit een en ander zal afwijken van hetgeen daaromtrent in de Militaire Spectator werd bekend gemaakt. Ik kan niet inzien, dat de Krijgsgeschiedenis daardoor beter wordt gediend, dat de publicatie van deze gegevens door U plaats heeft in plaats van door mij [opmerking kantlijn: "Het sneuvelen van Majoor Jacometti kan Kapitein Franssen slechts van hooren zeggen hebben"], te meer waar ik mij reeds éénmaal de moeite gegeven heb U mondeling in te lichten en een tweede maal telefonisch, terwijl desondanks de feiten niet getrouw zijn weergegeven.
Voor het overige acht ik het principieel verkeerd, dat de Krijgsgeschiedenis door den vroegeren Generalen Staf beschreven wordt, die nu eenmaal de meest belanghebbende partij in deze aangelegenheid is. [opmerking kantlijn: "De Generale Staf adviseert en werkt uit volgens de beslissing van hun Chef."]
Een vonnis laat men nu eenmaal niet door partijen maken en evenmin het vonnis der historie.
Ik merk nog op, dat U in Uw genoemd schrijven spreekt van het tijdstip van het sneuvelen van Majoor Landzaat. Ik deel U mede, dat dit tijdstip U ten eenenmale onbekend is, en dat alle gevolgtrekkingen uit eigen artillerie-vuur in een bepaalde richting van nul en geener waarde zijn, nog geheel afgezien van het feit, dat alle artilleristische mededeelingen omtrent vuren in een bepaalde richting voor mij geen waarde hebben.
Ik heb met eigen oogen aanschouwd, dat onze artillerie niet in staat is gebleken den weg Rhenen-Wageningen te vernietigen. -
Thans nog een enkel woord omtrent het bevel der Compagnie achterwaarts te verplaatsen en daarna ter rechter zijde van den weg te komen.
Toen de Compagnie gelegen was ter Westzijde van het voetbalveld, en ik tevergeefs den Bataljonscommandant gezocht had, en hem niet vond, ook niet toen ik het geheele front der Compagnie was langsgegaan, begaf ik mij naar midden-voor mijner Compagnie. Toen ik de loopgraaf passeerde bracht mij een soldaat, die door de loopgraaf van de richting van den rijksweg kwam, het bewuste bevel over. Aangezien ik mij echter zelf van de juistheid wilde overtuigen, ben ik door de loopgraaf heengeloopen tot nagenoeg aan den rijksweg; ik herinner mij, dat aldaar door een sergeant en een soldaat bevestigd werd, dat het bewuste bevel gegeven was door een officier [opmerking kantlijn: "wie?"] op den rijksweg; ik herinner mij ook, dat ik aldaar gevraagd heb naar een telefoon, omdat ik mij telefonisch met het vak ter rechter zijde van den weg in verbinding wilde stellen, teneinde nogmaals te verifieeren. Ik herinner mij niet getelefoneerd te hebben, in elk geval heb ik geen bevestiging gekregen van het bewuste bevel. Ik ben toen teruggegaan naar het midden der Compagnie en heb daar in de loopgraaf mijn bevindingen medegedeeld aan eenige officieren, die ik inmiddels ontboden had, te weten Kapitein Steenbergen, en een Luitenant zijner Compagnie, Luitenant Van den Boogerd van mijne Compagnie, die mijn opvolger was, en den Luitenant van 8 R.I., die zich in de loopgraaf bevond, en aldaar het bevel had. Het bewuste bevel leek mij logisch [opmerking kantlijn: "was onlogisch"], omdat ter rechter zijde van den weg het terrein bedekt was en men dus vooruit kon, terwijl ter linker zijde het geheele terrein open was. [opmerking kantlijn: "Dan moet Kapitein Franssen eens spreken met de menschen van 3-I-8 R.I."] Het bevel was logisch, de bevestiging was wel niet geheel positief, doch ik had geen reden eraan te twijfelen of het bevel was gegeven.
Mogelijk heeft de Luitenant Verberne het gegeven [opmerking kantlijn: "dat wordt dan wel verder uitgezocht"]. Indien hij zich dit bevel niet mocht herinneren, wil dit nog volstrekt niet zeggen dat hij het niet gegeven heeft, aangezien mij reeds in vredestijd gebleken is, dat hij lijdende was aan geheugenstoornissen en mij voorts bleek van een niet geheel normalen geestelijken habitus. -
Het spijt mij, dat ik Uw schrijven zoolang onbeantwoord heb moeten laten. Zooals ik U echter tevoren telefonisch mededeelde zou deze vertraging haar oorzaak vinden in uitstedigheid en overbelastheid met arbeid.
Indien U verdere inlichtingen wenscht, stel ik mij gaarne ter beschikking.
Met de meeste hoogachting,
Uw dienstwillige
(get.) M.H.H. Franssen
|
