Schrijven van reserve-kapitein P.D. van der Meulen
COMMISSIE VOOR KORPSONDERZOEK.
KOLONEL D.M. LUCARDIE.
MILITAIR ARRONDISSEMENT UTRECHT.
-------------------------------
No. 180 Persoonlijk.
ONDERWERP:
Krijgsverrichtingen op 13 Mei 1940.
's-Gravenhage, 11 September 1940.
Jan van Nassaustraat 2.
Telefoon 721053.
Van een verslag van Commandant 10 R.I. ontving ik heden een uittreksel. In dat uittreksel komt het volgende voor:
"13 Mei 1940.
13.30 uur. Bij commandopost Commandant 10 R.I. komen troepen aan van 19 R.I. ondermeer de kapitein Van der Meulen met zijn compagnie, die geen verliezen heeft noch gewonden maar toch terugtrekt, omdat hij verklaart, dat het in de stelling niet meer te houden is. De Regimentscommandant gelast hem onder bedreiging hem te zullen neerschieten om de opstelling van kapitein Kooistra te versterken."
Ik verzoek U mij te berichten of het gebeurde bij uw compagnie op datum als bovenvermeld naar uw meening door het bovenstaande juist is weergegeven, en daarbij alles te vermelden wat naar uwe meening dienstig kan zijn om de Commissie een juist beeld van de toedracht van zaken te verstrekken.
DE KOLONEL,
(get.) D.M. LUCARDIE.
Aan
den reserve-kapitein P.D. van der Meulen.
Prins Bernhardlaan 10.
HELMOND.
==========================================================================
P.D. van der Meulen.
Prins Bernhardlaan 10.
Helmond.
---------------------------
Helmond, 17 September 1940.
Aan de Commissie voor
Korpsonderzoek.
Jan van Nassaustraat 2.
Den Haag.
Mijne Heeren,
In antwoord op Uw schrijven No. 180 P. van de 11e dezer heb ik de eer U het volgende mede te deelen.
Het door U geciteerde uittreksel uit het verslag van Commandant 10 R.I. is grootendeels onjuist en verder niet ter zake. Het eenig juiste gegeven is, dat ik inderdaad op commandopost 10 R.I. geweest ben, maar op een veel later uur dan 13.30 uur. De gebeurtenissen, daaraan voorafgaande waren als volgt.
Als Commandant 2-III-19 R.I., dus als Commandant van een compagnie, kreeg ik op 13/5/40 in den laten namiddag persoonlijk bevel van den Luitenant-adjudant III-19 R.I. [2e luitenant Karsen] om terug te trekken.
Ik had reeds op 12/5/40, toen ik de order kreeg, behalve mijn front Oost ook een front Zuid te formeeren, een meer Noordwaarts gelegen stelling willen betrekken, daar in mijn oorspronkelijk vak een front Zuid geen schootsveld bood. Ik heb U dat persoonlijk in Zeist eenige maanden geleden ook reeds uiteengezet. Ik heb dan ook op 13/5/40 deze meer Noordwaarts gelegen opstelling ingenomen. Contact opnemende met de neventroepen van I-19 R.I. bevond ik, dat deze order hadden gekregen in de richting Veenendaal terug te trekken. Dit maakte de waarde van mijn voorgenomen opstelling twijfelachtig en ik zocht daarop direct contact met Commandant III-19 R.I. [majoor Weber], mijn bataljonscommandant. Deze was niet te vinden, terwijl eveneens de commandopost 19 R.I. geheel verlaten was. Inmiddels sloten andere compagnieƫn van III-19 R.I. zich bij mij aan en ik heb in de omstandigheden het commando over het bataljon op mij genomen, terwijl ik daarna verband kreeg met Commandant I-19 R.I. Dezen heb ik opgezocht en hij gaf mij de order, zeggende te handelen op last van Commandant 10 R.I., een opstelling in te nemen met mijn bataljon, ten Zuiden en Zuid-Westen van Prattenburg, welke hij mij nader op de kaart aanduidde. Een stelling, die Veenendaal moest beschermen tegen een vijand eventueel oprukkende langs de kunstweg Elst-Veenendaal of tusschen dezen kunstweg en de Oude Veenendaalscheweg. Ik heb deze stelling toen door III-19 R.I. doen innemen.
Bij mijn afscheid van Commandant I-19 R.I. heb ik hem verzocht om, indien mogelijk voor aanvulling munitie en eten voor III-19 R.I. te willen zorgen. Commandant I-19 R.I. kon dit niet, maar zou mijn verzoek overbrengen aan Commandant 10 R.I.
In de omstandigheden meende ik daar niet voor 100% op te kunnen rekenen. Om die reden ben ik later persoonlijk naar Commandant 10 R.I. gegaan ten einde op inwilliging van dit verzoek aan te dringen en zoo mogelijk eenige versterking te krijgen met het oog op de uitgestrektheid van mijn opstelling en de vermoeidheid van mijn troepen.
Commandant 10 R.I. gaf mij de identieke order als Commandant I-19 R.I., welke ik al uitgevoerd had, liet mij verder nauwelijks aan het woord komen en vatte mijn aandringen blijkbaar op als een symptoom van weigerachtigheid zijn order uit te voeren. Deze misvatting blijft volkomen voor rekening van Commandant 10 R.I., die mij geen gelegenheid gaf het doel van mijn komst behoorlijk uiteen te zetten en het onderhoud abrupt beƫindigde door te dreigen zijn pistool te trekken en mij neer te schieten. Commandant 10 R.I. verkeerde volgens mijn waarneming op dat moment in een toestand van groote opwinding. In elk geval bestaat het feit, dat Commandant 10 R.I. met een extreme maatregel dreigde, ten einde de uitvoering te verzekeren van een order, aan welker uitvoering bij hem geen twijfel had behoeven te bestaan, als hij mij rustig had aangehoord.
Volledigheidshalve vermeld ik, dat ik later van Commandant I-19 R.I. order voor de terugtocht op 14/5/40, welke ik dienovereenkomstig op 14/5/40 om ca. 3.30 of 4.00 uur heb aangevangen.
Resumeerende kan ik omtrent het door U geciteerde verslag het volgende opmerken.
- Op 13/5/40 was ik met mijn compagnie in mijn oorspronkelijke opstelling. Wat er op dat moment op commandopost 10 R.I. gebeurde weet ik niet.
- Vele uren later, kort voor de duisternis, heb ik mij persoonlijk op commandopost 10 R.I. vervoegd.
- Ik was aldaar niet als Commandant van een compagnie, maar als waarnemend Commandant van III-19 R.I., als hoedanig ik mij ook gemeld heb.
- Ik had geen compagnie bij mij, ik was alleen.
- Het feit of mijn oorspronkelijke compagnie wel of geen verliezen had op dat moment, staat, voorzoover het mij betreft, geheel buiten deze kwestie. Een feit is, dat ik niet wist of ik bij mijn compagnie wel of geen verliezen had, maar dat ik in elk geval aannam, dat deze gering waren. Het bataljon, III-19 R.I., dat ik op dat moment commandeerde, had wel verliezen. Hoeveel wist ik niet. Ik miste er een paar honderd, maar in mijn persoonlijke opinie waren dat voor het grootste deel vermisten. Ik herinner me geen vraag daaromtrent, maar mocht deze gesteld zijn, dan heb ik geantwoord in den geest van bovenstaande gegevens.
De opmerking in het door U geciteerde verslag: "Geen verliezen heeft noch gewonden", berust dus op een misvatting, haar plaatsing in het verslag berust op een verkeerde gedachtengang. Deze gedachtengang is in het geciteerde verslag niet uitgesproken, maar nog wel geaccentueerd door de toevoeging: "maar toch terugtrekt" en door de onderstreeping (aannemende, dat deze in het oorspronkelijke verslag ook voorkomt.) en ik moet daarom tegen deze geheele zinsnede en het verband waarin zij geplaatst is ernstig bezwaar maken. - De door Commandant 10 R.I. aan mij gegeven order had ik al gekregen van Commandant I-19 R.I. en werd al door III-19 R.I. uitgevoerd, een omstandigheid, die Commandant 10 R.I. van mij zou hebben vernomen, als hij mij de gelegenheid had gegeven uit te spreken.
De reserve-kapitein,
(get.) P.D. van der Meulen.
|
