Schrijven van reserve-majoor B.G. Meijerman inzake kapitein Sluis
HOOFDREGELINGSBUREAU
REGELINGSBUREAU LANDMACHT.
------------------
Krijgsgeschiedenis.
afdeeling Ic.
-------
nr. 1272.
's-Gravenhage, 22 Januari 1941.
Uit de door U gegeven verslagen van de krijgsverrichtingen van Uw voormalig Bataljon, zou blijken, dat U voor den terugtocht op 14 Mei 1940 aan de onder U gestelde onderdeelen 13 Mei pl.m. 20.00 uur bevelen heeft gegeven.
Gebleken is, dat wijlen kapitein SLUIS, bij de volvoering van zijn opdracht gesneuveld, die opdracht niet heeft ontvangen en derhalve, niet willende terugtrekken, ten slotte geheel geïsoleerd stond met zijn handjevol mannen (pl.m. 1 sectie).
Ik verzoek U, mij mede te deelen, door wiens bemiddeling de betreffende order is overgebracht en of U een ontvangbewijs heeft ontvangen.
Vervolgens verneem ik gaarne, waarom de onder U gestelde troepen ten slotte ieder voor zich en niet onder Uw bevel zijn teruggegaan.
de Luitenant-Kolonel van den Generalen Staf,
V.E. Nierstrasz.
Aan
den Reserve-Majoor B.G. MEIJERMAN
Rembrandtweg 5
DOETINCHEM.
----------------------
==========================================================================
19de Regiment Infanterie
Iste Bataljon.
Voormalig Commandant.
Doetinchem, 23 Januari 1941
In beleefd antwoord op het schrijven van 22 dezer, no. 1272, onderwerp Krijgsgeschiedenis, Afdeeling C, meld ik U het volgende.
Het is me niet mogelijk over wat bij wijlen kapitein Sluis is geschied, voldoende inlichtingen te verschaffen. Mij is indertijd het verloop der gebeurtenissen geheel anders meegedeeld, doch daar me geen enkel geschrift ten dienste staat, is het me niet mogelijk U den naam van den berichtgever te melden. Het mij vertelde luidt als volgt:
De troep onder commando van den kapitein Sluis had gedurende een dag ongeveer geen eten gehad. Om zijn manschappen dit te verschaffen is kapitein Sluis met hen op het uur waarop hij terug moest trekken, eerst naar het cantinegebouw van III-8 R.A. gegaan. Dit bevond zich achter het hotel Bergzicht aan den weg Veenendaal-Rhenen. In deze cantine was eten en drinken aanwezig. Hierbij zou de troep door een afdeeling vijand overvallen zijn.
Doordat mijn luitenant-adjudant om orders te ontvangen nagenoeg den geheelen namiddag op den commandopost van Commandant 10 R.I. heeft moeten verblijven, was het mij onmogelijk me van mijn commandopost te verwijderen om de opstelling aan de Brinkesteeg persoonlijk na te gaan. Toen genoemde officier ten slotte met de orders kwam, heb ik met hem den toestand nagegaan en heb daarop aan de ondercommandanten opdracht gezonden om zich om 20.00 uur voor het ontvangen van bevelen op mijn commandopost te melden, of er zich door een officier of vaandrig te doen vertegenwoordigen. Op het gestelde uur heb ik het bevel tot terugtocht gedicteerd, hetgeen met de moeilijkheid gepaard ging, dat het nagenoeg donker was en er slechts licht van enkele electrische zaklantarens te onzer beschikking stond. De kapiteins Kooistra en Sluis waren niet gekomen. Ik heb de voor hen bestemde schriftelijke order meegegeven aan een nevencommandant. Of het bevel voor kapitein Sluis overgebracht is door kapitein Van der Sijde, Vermeulen of Hagedoorn kan ik me niet herinneren. Aan een schriftelijk ontvangstbewijs heb ik, waar de overbrenger een kapitein was, niet gedacht. Van de kapiteins van mijn eigen bataljon heb ik bericht gehad, dat ze aansluiting hadden in de lijn van de stelling; kapitein Sluis van 10 R.I. zond dat niet, hetgeen ik niet erg vond, daar mijn eigen kapiteins verband met hem gemeld hadden.
Wat de laatste vraag betreft kan ik met groote stelligheid antwoorden, daar ik over deze zaak uitvoerig van gedachte heb gewisseld met mijn luitenant-adjudant, die het terugtochtsbevel had ontvangen.
Daarbij was niet gegeven, wat er van den vijand bekend was en ik tastte daaromtrent volkomen in het duister. Ook was niet vermeld, hoe laat de terugtocht der troepen uit Veenendaal zou geschieden en evenmin wat de taak zou zijn van I-19 R.I. na het bereiken van Loerik. Het was dus geen gemakkelijke taak voor mij om uit te maken, wat ik persoonlijk zou moeten doen.
Bij de bespreking waren mijn luitenant-adjudant en ik beiden van meening, dat het niet anders kon, of we zouden weer een verdedigende stelling moeten inrichten, aangezien Loerik naar ons beider meening oost van de Waterlinie ligt. Daartoe was het noodig, dat ik, die niets van het terrein bij Loerik ken en zelfs geen kaart er van bezat, vóór den troep aldaar aankwam om een vluchtige verkenning te kunnen doen.
Bovendien behoefden de troepen onder mijn bevel, nadat ze uit de achterhoedestelling mochten gaan, geen dienst meer te doen als dekking voor andere troepen en zoo was me door Commandant 10 R.I. uitdrukkelijk in zijn bevel toegestaan, ze te verplaatsen met behulp van alle middelen van versneld vervoer, waarop ik de hand zou kunnen leggen.
Alle moeite daartoe gedaan bleek echter volkomen vergeefsch.
Om bovengenoemde redenen ben ik, zoodra me gebleken was, dat de aftocht uit de stelling aan de Brinkesteeg ingezet was, zooals door mij bevolen, zelf vooruitgefietst, er onderweg zorg voor dragende, dat op moeilijke punten van den terugtochtsweg door de bosschen naar Leersum, ordonnansen geplaatst werden om verdwalen van den troep te voorkomen.
Het spijt me ten zeerste, dat ik geen betere toelichtingen kan geven, dan ik hierbij gedaan heb, maar doordat thans ruim 8 maanden zijn verloopen sedert een en ander heeft plaats gevonden en me iedere aanteekening buiten het ingezonden verslag ontbreekt, kan ik niet nauwkeuriger zijn.
De reserve-majoor,
voormalig Commandant I-19 R.I.
B.G. Meijerman.
Aan
Den Heer Hoofd van het Regelingsbureau Landmacht
Afdeeling Ic,
te
's-Gravenhage.
|
