Schrijven van reserve-tweede luitenant G.T. Grooters
HOOFDREGELINGSBUREAU
REGELINGSBUREAU LANDMACHT
Afdeeling Ic.
-------
Nr. 2302.
Onderwerp:
Krijgsgeschiedenis.
's-Gravenhage, 25 November 1941.
Jacob Mosselstraat 2.
Ik verzoek U, mij ten behoeve van de Krijgsgeschiedenis te willen inlichten over het volgende:
In den avond van 12 Mei 1940 werd U aangewezen, om personeel van 8 R.I., dat op 19 R.I. was teruggetrokken, te geleiden naar den commandopost van Commandant II-8 R.I. Onder dat personeel bevond zich onder meer de Luitenant Vos.
Volgens het gevechtsverslag van Commandant III-19 R.I. zou U hebben gerapporteerd, dat die commandopost verlaten was. Aangezien deze commandopost niet verlaten is geweest en de bezetting eerst in den laten namiddag van 13 Mei in den commandopost is gevangen genomen, verzoek ik U, mij een verslag van de door U gemaakte tocht te doen toekomen, waaruit ik kan nagaan, waaruit U het verlaten van dien post heeft geconcludeerd.
De Luitenant Vos maakt in zijn verslag geen melding van het geleide, dat hij van U had moeten hebben, zoodat ik in Uw verslag mededeeling verzoek of genoemd officier wellicht niet met U is medegegaan.
Wel maakt hij melding van de aanwezigheid gedurende een deel van zijn tocht van de Luitenant Mink en vaandrig Klooster.
Gaarne verneem ik tevens waar het personeel van 8 R.I. is gebleven, nadat U den commandopost (die niet die van Commandant II-8 R.I. geweest kan zijn) onbezet heeft gevonden.
Den Generaal-Majoor,
o.l. de Luitenant-Kolonel van den Generalen Staf,
(get.) V.E. Nierstrasz.
Aan
Reserve 1e Luitenant
G.T. Grooters
Groote Oost 17
Hoorn
==========================================================================
Hoorn, 4 December 1941.
Aan Commandant
Regelingsbureau Landmacht,
Jacob Mosselstraat 2,
's-G R A V E N H A G E.
In antwoord op Uw schrijven d.d. 25 November j.l. No. 2302 Afd. Ic. heb ik de eer U het volgende mede te deelen:
Op den avond van 12 Mei 1940 werd mij door Commandant III-19 R.I. opgedragen met een patrouille, samen te stellen uit mijzelf, een sergeant, twee korporaals en enkele manschappen, mij te begeven in de richting Kruiponder, vanwaar onderdeelen van II-8 R.I. terugtrokken, omdat zij daar aan hevig artillerievuur waren blootgesteld; daar dit eigen vuur was en zeer binnenkort gestaakt zou worden of inmiddels reeds gestaakt was, moesten de terugtrekkende troepen hun opstellingen wederom innemen, aldus Commandant III-19 R.I.
Mij met mijn patrouille op weg begevende ontmoette ik op de Weteringschesteeg den luitenant Vos met enkele manschappen en stelde hem in kennis met mijn opdracht. De luitenant Vos deelde mij mede, dat de toestand aan de Kruiponder absoluut onhoudbaar was tengevolge van het hevige artillerievuur; daardoor trokken de troepen vandaar verstrooid terug. Hij achtte het noodzakelijk zelf Commandant III-19 R.I. omtrent de werkelijke situatie in te lichten, waarna ik hem geleidde naar de commandopost van genoemden commandant. Toen ik mijn bevindingen aldaar mededeelde, wenschte Commandant III-19 R.I. den luitenant Vos niet te hooren en gaf mij bevel hem te brengen naar Commandant II-8 R.I. Daar mij de plaats van die commandopost niet bekend was, moest ik hieromtrent inlichtingen inwinnen bij Commandant M.C.-III-19 R.I. Aldaar werd mij zoo duidelijk mogelijk deze plaats in het bosch op de Grebbeberg aangeduid. Inmiddels hadden zich meerdere onderofficieren en manschappen bij ons gevoegd, welke ook uit de richting Kruiponder kwamen. Toen we de boschrand hadden bereikt was het intusschen donker geworden, zoodat wij de weg in het bosch spoedig kwijt waren. Aan de rand van het bosch ontmoetten wij een officier met een patrouille, welke zich in tegenovergestelde richting begaven. Misschien is dit de luitenant Mink geweest, anders kan ik mij niet herinneren een luitenant te hebben ontmoet. Ik meende echter in hem te herkennen een kapitein, commandant van een verbindingsafdeeling van 8 R.I., welke ik vaag kende. Een en ander zal de luitenant Vos beter moeten kunnen ophelderen, daar hij immers tot 8 R.I. behoorde. Door bedoelden officier werd ons alleen de richting aangegeven in welke wij ons moesten begeven. Verderop in het bosch ontmoetten wij nog een vaandrig met een patrouille; wellicht is dit de vaandrig Klooster geweest; ook hem kende ik echter niet persoonlijk. Aan hem werd nogmaals de weg gevraagd. Hoewel toch de luitenant Vos en meerdere onderofficieren en manschappen op voor hen bekend terrein waren, gelukte het ons tengevolge van de dichte duisternis niet de goede weg te behouden. Eindelijk arriveerden wij bij een hekversperring en vonden een opening, welke niet bewaakt werd. Binnen deze hekversperring bevond zich een commandopost. Volgens de mededeelingen van degenen, die tot 8 R.I. behoorden, welke ik als vreemdeling aldaar geloofwaardig kon achten, moest dit de commandopost van Commandant II-8 R.I. zijn. Naar alle waarschijnlijkheid was deze verlaten, daar geen bewaking aanwezig was. Om ons te overtuigen zou de luitenant Vos naar binnen gaan, daar de officieren, welke op de commandopost aanwezig zouden moeten zijn, hem persoonlijk kenden. Hij kwam evenwel spoedig terug met de mededeeling dat de post verlaten was. Daar toen het gevaar niet denkbeeldig was omsingeld te worden (intusschen werd er geregeld in onze onmiddellijke nabijheid gevuurd) achtten wij het raadzaam mogelijkheden te onderzoeken om ons beter te oriƫnteeren. In het bosch ontmoetten wij niemand, wel werden wij vrij geregeld door geweerschutters onder vuur genomen. Toen wij de boschrand achter ons hadden en tegen de nog roode Westelijke hemel goed afteekenden, werden wij vrij hevig onder vuur genomen. Ofschoon bevolen werd rechtsomkeert te maken, was het onmogelijk vuur uit te brengen, daar in de donkere boschrand geen doelen te vinden waren; bovendien had het weinig uit kunnen richten, daar de meeste van de Kruiponder teruggekomen manschappen onbewapend waren. Tevens dreigde ons gevaar van de zware mitrailleurs (naar ik meen van de Divisie-reserve), welke langs de harde weg, loopende van de Cuneraweg naar de spoorwegovergang, waren opgesteld; dezen moest kenbaar gemaakt worden dat wij eigen troepen waren, ofschoon zij ervan in kennis gesteld waren dat wij in het voorterrein waren, doch onze terugweg niet konden opgeven. Op bovengenoemde weg en aan de Cuneraweg waren we nog een korte tijd blootgesteld aan vijandelijk artillerievuur zonder dekkingsmogelijkheid.
Tengevolge van het een en ander was de troep tamelijk verstrooid geraakt; zooveel mogelijk werd daarom een punt van verzameling bekend gemaakt. Persoonlijk heb ik met een soldaat verder een zwaargewonden soldaat vervoerd, welke wij in een schuur aan de zorgen van de hospitaaltroepen overlieten. Vanaf de aanvang van dit verslag tot op dit moment (op de kruising Frieschesteeg-Cuneraweg) ben ik steeds in gezelschap geweest van den luitenant Vos. Hij moet zich mijn persoon en mijn geleide daarom herinneren. Wanneer dit niet zoo is, kan dit alleen verklaard worden door zijn eenigszins overspannen toestand.
Met luitenant Vos ben ik toen overeengekomen dat hij op genoemd punt (wat als verzamelpunt zoo goed mogelijk was aangeduid) zou wachten op nakomende manschappen, terwijl ik inmiddels aan Commandant III-19 R.I. verslag zou gaan uitbrengen.
Niet anders wetende dan dat wij de commandopost van Commandant II-8 R.I. hadden bezocht meldde ik zulks aan Commandant III-19 R.I. Naar mijn overige bevindingen werd geen navraag gedaan, maar kreeg ik bevel onmiddellijk met mijn sectie de commandopost te beveiligen tegen eventueel doorgedrongen vijandelijke onderdeelen. Daardoor was het mij onmogelijk mij weer met luitenant Vos in verbinding te stellen, welke ik sindsdien niet meer heb gezien.
de reserve 2e luitenant G.T. Grooters,
(get.) G.T. Grooters
Adres:
Westersingel 3
Hoorn
|
