Toelichting op dagboek en gevechtsberichten van luitenant-kolonel J.M. de Kruijff
8e Regiment Artillerie.
Als toelichting op het dagboek en de gevechtsberichten moge ik nog het volgende opmerken.
10 Mei
1 en 2-I-8 R.A. en 2-III-8 R.A. werden aanvankelijk in de verwisselstellingen geplaatst. In de nacht van 11 op 12 Mei werd de verwisselstelling verlaten, 2-I-8 R.A. ging naar de normale stelling; 1-I-8 R.A. naar de reservestelling van deze batterij, aangezien de normale stelling en de kort achter deze stelling opgestelde luchtdoelbatterij reeds onder vijandelijk artillerievuur en vuur en bommen van vijandelijke vliegtuigen lag, waardoor het minder gewenscht werd geacht de normale stelling van deze stelling te betrekken; 2-III-8 R.A. kreeg opdracht naar de normale stelling van 3-III-8 R.A. te gaan.
Deze laatste stelling van 3-III-8 R.A. was nog slechts in een begin van voorbereiding en onvoldoende gedekt.
Wegens de slechte geoefendheid van het personeel van deze laatste batterij, die nog slechts kort geleden van het depot was gekomen, werd voor deze batterij de goed ingerichte en goed gedekte normale stelling van 2-III-8 R.A. aangewezen, daar verwacht kon worden dat deze 3e batterij van weinig nut zou zijn, indien zij in de niet klaar zijnde stelling werd geplaatst en dit personeel nog geenerlei routine in het maken van dekkingen had opgedaan.
In den loop van den dag werden door mij de verschillende verwisselstellingen en de ingenomen normaal stellingen bezocht teneinde de genomen maatregelen te controleeren.
11 Mei
II-19 R.A. (Legerkorpsartillerie) kon slechts gedeeltelijk aan de ten behoeve der divisie-artillerie af te geven voorbereide vuren voldoen. Dit is een gevolg van de meermalen van hoogerhand gegeven bevelen, dat geen groote opruimingen mochten worden verricht. Toen de strijd uitbrak was het hiervoor te laat. Ook dezen dag werden door mij verschillende batterijen en waarnemingsposten en de hulpverbandplaats bezocht; onder andere toen het gerucht de ronde deed dat Amerika en Italiƫ aan Duitschland den eisch gesteld hadden Nederland binnen 24 uur te verlaten. Alhoewel dit bericht mij zeer onwaarschijnlijk voorkwam, heb ik er toch gebruik van gemaakt om het personeel aan te moedigen. De geest onder het personeel was uitstekend.
Het door III-8 R.A. in brand schieten van den toren van Wageningen gaf aan de batterijen veel zelfvertrouwen. Ook het bericht dat de Engelschen met vliegtuigen zouden komen heb ik ter opwekking aan zooveel mogelijk personeel medegedeeld. Ik weet mij niet meer te herinneren wanneer dit is geweest.
Door de Duitschers werden verschillende vuurseinen afgegeven die op de onze geleken. Daarom werden de vuurseinen gewantrouwd en dit te meer omdat het personeel weinig bekend was met onze eigen vuurseinen.
12 Mei
Om ongeveer 7.00 uur werd van Commandant IVe Divisie bericht ontvangen dat I-16 R.A. ter versterking te mijner beschikking werd gesteld. Er kon niet worden medegedeeld of deze afdeeling uit twee of uit drie batterijen bestond, evenmin wanneer deze afdeeling ongeveer zou verschijnen.
Wegens de onmogelijkheid voor deze afdeeling goede stellingen te vinden, die onder andere niet van 's-vijands zijde waren in te zien, besloot ik 2 batterijen in de reservestelling van 2 en 3-I-8 R.A. te plaatsen en voor de eventueel derde batterij te nemen een stelling die aanvankelijk reeds was geprojecteerd, doch die wegens weinig dekking tegen luchtwaarneming niet genomen was.
Ik gaf opdracht aan Commandant 2 en 3-I-8 R.A. de schootsvelden voor de reservestellingen vrij te maken en de toegevoegd officier met alle vuurvoorbereidingen naar de reservestelling te doen gaan.
Toen de Afdeelingscommandant om ongeveer 10.15 uur op de opgegeven plaats verscheen, heb ik hem de stellingen voor twee zijner batterijen getoond, heb hem met den algemeenen tactischen toestand op de hoogte gebracht en hem medegedeeld, dat de vuurvoorbereidingsstaten door den toegevoegd officier van 2 en 3-I-8 R.A. geleverd zouden worden.
Daarna ben ik met den Afdeelingscommandant naar het terrein gegaan waar ik de derde batterij in stelling dacht te doen komen.
De aanvankelijk gedeeltelijk voorbereide stelling bleek helaas voor de linker sectie door infanterie onbruikbaar te zijn gemaakt, zoodat er nogal wat werk gedaan moest worden om de plaatsen voor het derde en vierde stuk weer gereed te maken. Er was ook nog een tweede stelling mogelijk, waarvan echter niets was voorbereid.
Beide stellingen waren onvoldoende gedekt tegen luchtwaarneming. Ik liet daarom den Afdeelingscommandant de keuze tusschen beide stellingen. Blijkbaar is hierbij een misverstand ontstaan daar de Afdeelingscommandant meende dat hij geheel vrij was in de keuze der stelling. Hierdoor werd zonder mijn voorkennis een stelling gekozen, die wel tegen luchtwaarneming gedekt was, doch van 's-vijands zijde gedeeltelijk was in te zien, slechts ongeveer 150 meter lag voor een batterij van III-8 R.A. (midden batterij), terwijl bovendien de waarnemingspost van de rechter batterij III-8 R.A. in de batterij van 16 R.A. kwam te liggen. De nadeelige gevolgen bleven dan ook niet uit, want deze batterij trok 13 Mei vrij spoedig hevig artillerievuur tot zich, waardoor twee vuurmonden onklaar raakten, munitie in brand vloog, 1 man gedood en enkelen gekwetst werden.
Het personeel van deze batterij was bij aankomst zeer vermoeid en werd dan ook toegestaan enkele uren te rusten.
De stelling moest bij duisternis worden ingenomen, daar gedekte nadering niet mogelijk was.
13 Mei
Wegens het late uur van bekend worden van den tegenaanval kon er niet aan gedacht worden batterijen van stelling te doen veranderen.
Aanvankelijk werd medegedeeld dat twee afdeelingen 4 R.A. hun vuursteun zouden verleenen, toen echter Majoor Van GOOR, Commandant II-4 R.A., om ongeveer 2.00 uur bij mij kwam, bleek dat alleen II-4 R.A. mede zou doen.
Veel tijd van voorbereiding was er dus niet. Wel had Majoor Van GOOR de afdeeling reeds een frontverandering doen ondergaan, de afstand tot de voorste infanterie was echter te groot om deze afdeeling rechtstreeksche steun van Commandant 29 R.I. te maken.
Wegens de onzekerheid omtrent de plaats der eigen troepen werd door Divisiecommandant gevraagd het vuur te leggen Zuidoost van de Grift.
De tegenaanval zou om 4.30 uur beginnen en opende de artillerie (I en III-8 R.A., I-16 R.A. en II-4 R.A.) op het juiste moment het vuur. Door het ongeveer drie uur te laat inzetten van den aanval zal het nuttig rendement wel niet aan de verwachtingen hebben beantwoord. Volgens verkregen inlichtingen van Duitsche zijde is de vijand na het een half uur afgeven van vuurstooten door onze artillerie teruggetrokken daar zij een tegenaanval, die helaas niet direct kwam, vreesde. Later zijn de voorbereide vuren Zuidoost van de Grift nog eens herhaald.
De berichten omtrent onze eigen troepen en den vijand werden in de late ochtend hoe langer hoe verwarder.
Met den Chef Staf heb ik toen gesproken over het eventueel aantrekken der voorwagens. Ten einde de troepen door het teruggaan der artillerie niet nog meer te demoraliseeren werd in onderling overleg besloten de voorwagens ter plaatse te laten en stand te houden tot het uiterste, zooals de opdracht luidde.
De toestand werd wel gevaarlijk doch nog niet hopeloos geacht, alhoewel telkens berichten van terugtrekkende troepen binnen kwamen.
Op een gegeven moment, vermoedelijk ongeveer 14.00 uur kwam de Majoor BLOEMKOLK, Divisiepaardenarts, buiten adem op mijn commandopost met het bericht dat de Divisiecommandant den commandopost verliet en dat wij ten spoedigste onzen commandopost moesten verlaten. Dit is toen betrekkelijk kalm geschied.
Voor de bevelen voor den terugtocht verwijs ik naar de verslagen van de Afdeelingscommandanten.
Terwijl ter hoogte van kilometerpaal 10 aan den kunstweg Rhenen - Elst een opname-stelling werd ingenomen, werden door mij stellingen verkend voor de overgebleven batterij van I-8 R.A. en twee batterijen van I-16 R.A., ter hoogte van Paardekop vt. 161-445.
De beide batterijen van I-16 R.A. werden onder bevelen gesteld van majoor Van der WIEL. Uit deze stelling is niet gevuurd behoeven te worden daar geen berichten van een achtervolgenden vijand binnen kwamen. Nadat de batterijen korten tijd in deze stelling gestaan hadden werden bevelen gegeven voor den terugmarsch achter de Hollandsche Waterlinie. I-16 R.A. moest zich naar Wijk bij Duurstede begeven en zich daar weer onder bevelen van Commandant 16 R.A. stellen.
Na veel wederwaardigheden werd 14 Mei te ongeveer 1.00 uur door mij met kapitein De MAN [Vuurregelingsdienst] en de chauffeur IJSSELSTEIN, onze aangewezen plaats, bereikt.
14 Mei
De IVe Divisie zou worden gereorganiseerd. I-8 R.A. kreeg opdracht zich onder de bevelen te stellen van Commandant Brigade B en in het vak van deze brigade in stelling te komen.
III-8 R.A. gelegerd te Tull en 't Waal, kreeg opdracht zich naar Benschop te begeven en de afdeeling daar onder te brengen. (De vuurmonden waren in de stelling onklaar gemaakt en daar achtergelaten).
In den namiddag werd het bericht bekend dat de Opperbevelhebber had besloten de wapenen neer te leggen, hetgeen aanvankelijk door nagenoeg niemand werd geloofd en bij velen een groote teleurstelling en verbittering verwekte.
-o-o-o-o-o-o-
|
