Uittreksel uit het verslag van het verhoor van reserve-kapitein G.J. van Rangelrooij
Uittreksel uit het verslag van het verhoor
van den reserve-kapitein G.J. van Rangelrooij
voormalig Commandant 1-I-8 R.I., voor de Commissie
van onderzoek op 2 Juli 1940.
-------------------
Zaterdag hoorden we voor 't eerst onze eigen artillerie gedurende een half uur vuren. De Westrand Wageningen begon te branden. We hebben gedurende den heelen dag artillerievuur van de Duitschers gehad, met tusschenpoozen, als verontrustend vuur. Soms een half uur achtereen, soms druppelend.
Zondag werd bij het aanbreken van den dag het vijandelijk artillerievuur van vrij zwaar kaliber steeds heviger en juister. Er werd van onze zijde den heelen nacht heel veel gevuurd, ook bij mijn compagnie. Ik heb gepoogd dit te beletten. De Bataljonscommandant heeft mij nog gevraagd of wij of de nevencompagnie stormvuur hadden afgegeven. We zijn niet met granaatkartetsen beschoten, want ik heb veel scherven, maar geen enkel rond kogeltje gevonden. De grond trilde echter geweldig en de luchtdruk was groot. Ongeveer 13.00 uur had gedurende 2 uur een onafgebroken beschieting plaats. Ook weer met zwaar kaliber. Dit heeft het moreel ondermijnd.
.................
Ik hoorde tevens van terugstroomende mitraillisten en PAG-schutters dat de bosschen in brand stonden. Ik weet niet precies, wat er allemaal terugging. Ik heb niet geschreeuwd "terug naar je stellingen", omdat de weg te nauw was en het een geweldig gedrang van zenuwachtige, verschrikte menschen was, maar ik heb alles naar de stoplijn gedirigeerd, voorzoover het in beweging was: de rest is op zijn plaats gebleven. Ik kon geen telefonische verbinding krijgen. Aangekomen in de stoplijn (15.00 uur) vond ik Kapitein BRITTIJN in wanhopige stemming: hij had den tegenstoot gedaan, die mislukt was. Hij had ook niet voldoende hulp gekregen. Ik verzamelde de teruggeloopen menschen van sergeant-majoor-instructeur HEESTERMAN, er waren ook menschen van de voorposten bij; ik leefde in de veronderstelling, dat de drie andere secties nog op hun plaats waren. Met de verzamelde menschen ben ik naar de opstelling van de 4e Sectie gegaan. In den loop van den morgen had ik bericht gekregen, dat valschermtroepen op den Grebbeberg waren geland. Ik heb er geen gezien, wel dooden. Ik heb ook gehoord, dat geroepen werd "Wir gehen nach unten" en we werden sedert dat oogenblik ook van de boomen uit beschoten. Dit was scherp en fopmitrailleur door elkaar.
Met circa 20 man ben ik teruggekomen en we hebben toen front Noord gemaakt. Er was echter niets te zien, maar er werd toen met scherp en los door elkaar geschoten.
Waar de vijand door de frontlijn is gebroken, weet ik niet. Wellicht over de Grebbesluis, die niet behoorlijk gesprongen was.
Ik ben pl.m. 18.00 uur erop uitgetrokken om de toestand voor op te nemen. Voortdurend werd ik uit de boomen beschoten. Met mijn kijker zag ik witte vlaggen op de stelling van den Luitenant NIEMANTSVERDRIET, den vaandrig van BEERS en den vaandrig STAPHORST staan. Hoe zich dit afgespeeld heeft, weet ik niet. Wat verbindingen betreft was de toestand ook meer dan ongelukkig. Zoodra met de sluiter gewerkt werd, werd erop gevuurd en ik had reeds vroeger seinlampen gevraagd, maar ik kon ze niet krijgen.
De Majoor was 't geheel met me eens; met de 1e Sectie was geen verbinding mogelijk.
Voorgelezen, volhard en geteekend,
de reserve-Kapitein Commandant 1-I-8 R.I.
w.g. G.J. van Rangelrooij.
Voor eensluidend uittreksel,
de Kapitein,
(get.) J.K.H. de Roo van Alderwerelt.
|
