Verhoor adjudant-onderofficier J. Bison bij Gerechtelijk Vooronderzoek

Verhoor van verdachten
bij
Gerechtelijk Vooronderzoek

Heden den zeven en twintigsten October des jaars negentien honderd een en veertig zijn voor Ons
Mr. L.J. van Gelein Vitringa,
Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de arrondissements-rechtbank te 's-Gravenhage, bijgestaan door
Mr. A.M. Creutzberg,
waarnemend griffier, de persoon, die Wij hadden doen oproepen en die op Onze ondervraging heeft opgegeven genaamd te zijn:

JAN BISON,
oud 52 jaren, van beroep gepensioneerd
Adjudant-Onderofficier, wonende te Arnhem
aan de Zaslaan No. 22.-
- - - -

Nadat Wij hem ter hand hebben gesteld een afschrift van de vordering van den Officier van Justitie, d.d. 14 Mei 1941, strekkende tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek, zegt verdachte:

Bij het uitbreken der vijandelijkheden met Duitschland in Mei 1940 was ik als Adjudant-Onderofficier ingedeeld bij 2-II-8 R.I.; ik was Commandant van de rechter-voorsectie van die Compagnie, welke Sectie langs het riviertje de Grebbe in de gemeente Rhenen ten Zuidwesten van de boerderij Kruiponder in stelling lag.
Mijn Sectie had 4 steunpunten aangebracht in de loopgraaf, gelegen in den dijk tegen de Grebbe; deze loopgraaf liep vanaf Kruiponder tot aan Heimerstein in Zuidelijke richting. Ieder steunpunt beschikte over een lichte mitrailleur.
Vanaf Zaterdagmorgen 11 Mei 1940 heeft mijn stelling regelmatig met korte tusschenpoozen onder vijandelijk artillerievuur gelegen; in den loop van den Zaterdag was de vijand met patrouilles tot in het voorterrein voor mijn stelling genaderd. Dien dag werd over en weer met lichte mitrailleur gevuurd.
In den loop van den Zondagochtend heeft mijn Sectie den vijand, die zich in het dichte kreupelhout aan de overzijde van de Grebbe had genesteld, vanuit de loopgraaf met handgranaten bestookt; daardoor hebben wij den vijand op enkele punten weten te verdrijven, waardoor het vuur eenigszins verminderde. De stemming van de troep was toen over het algemeen rustig te noemen; de manschappen waren echter door het vanaf den ochtend van den vorigen dag aanhoudend artillerievuur en gebrek aan nachtrust vermoeid.
Den Zondagmorgen 12 Mei 1940 lag het artillerievuur voornamelijk op de Grebbeberg ten Zuiden van mijn stelling. Onze Compagnie maakte gedurende den oorlog front-Oost; links van mijn stelling lag de Sectie van den Luitenant Vos; rechts was ik aangeleund aan een Sectie van 1-II-8 R.I.
Uit het feit, dat de rechts van mij gelegen Grebbeberg onder zwaar artillerievuur lag, leidde ik af, dat de hoofdaanval van den vijand tegen dat punt gericht was. Bevestiging van mijn vermoeden, dat rechts van ons flink gevochten werd, kreeg ik toen in het begin van den middag van dien dag 2 sergeants van 1-II-8 R.I. bij mij kwamen; zij vertelden, dat zij hun mannen niet meer in de hand hadden, dat hun Officieren naar achteren waren en zij deze, omdat de verbindingen verbroken waren, niet meer konden bereiken. Hun manschappen waren naar hun zeggen tengevolge van de vlak in de nabijheid aan den gang zijnde gevechten uiterst zenuwachtig. Beide sergeants leken mij uiterst nerveus; ik heb hun echter moed ingesproken, waarop zij naar hun troep zijn teruggegaan.
Korten tijd daarna drongen enkele groepjes losloopende manschappen, die uit mijn rechter-nevenvak kwamen, door de loopgraaf heen. Daar ik bang was, dat de komst van deze manschappen een ongunstigen invloed zou hebben op de stemming van mijn troep, heb ik hen zonder meer naar hun vak teruggejaagd; gelegenheid om met mijn mannen te spreken heb ik hun dus niet gegeven.
Niet lang daarna kwamen opnieuw een tweetal sergeants van rechts door de loopgraaf heen; zij waren uiterst opgewonden en riepen, dat de vijand reeds door het vak van I-8 R.I. (gelegen rechts van II-8 R.I.) was doorgebroken; volgens hun zeggen zou de vijandelijke artillerie reeds op den Grebbeberg, dus op onze rechterflank, zijn opgesteld. Daar ik op dat moment druk bezig was heb ik geen gelegenheid gehad mij verder met hen te bemoeien, vandaar dat ik hen niet heb kunnen terugsturen, zoodat zij via mijn loopgraaf in de richting Kruiponder zijn verdwenen. Dat hun mededeelingen mijn troep zeker niet bemoedigd hebben spreekt vanzelf.
Ikzelf was er op dat oogenblik nog lang niet van overtuigd, dat laatstbedoelde sergeants de waarheid spraken; dat de toestand in mijn rechter-nevenvak niet erg gunstig was moest ik toen toch wel aannemen. Ik werd daarin versterkt door de komst van den mij bekenden sergeant [J.W.] van den Toorn van 1-II-8 R.I.; hij zeide mij, dat de 1e Compagnie in Westelijke richting terugtrok en de vijand vanuit het Zuiden door de langs de Grebbe gelegen loopgraaf naderde. Een en ander klonk zeer alarmeerend en was aanleiding voor mij om beveiligingsmaatregelen te treffen. Ik heb toen een gedeelte van mijn rechtergroep de loopgraaf laten afgrendelen naar het Zuiden.
Kort daarop drongen talrijke soldaten, van rechts komende, ons gedeelte van de loopgraaf binnen; van welk onderdeel zij waren weet ik niet. Zij waren kennelijk op de vlucht en stieten op mijn afgrendelingsmitrailleur.

Het op-de-vlucht-zijn van bedoelde manschappen was voor mij een teeken, dat de loopgraaf langs de Grebbe vanaf Heimerstein door den vijand werd opgerold; hetgeen ik hierboven verklaarde over de komst van diverse militairen in den loop van dien middag en hetgeen zij vertelden had - gelijk gezegd - reeds voordien bij mij den indruk gewekt, dat de toestand rechts van ons ongunstig zoo niet mis was; nu echter kon ik niet anders dan aannemen, dat de vijand inderdaad in ons rechternevenvak was doorgebroken en mijn stelling op het punt stond opgerold te worden. De loopgraaf liep vanaf mijn linker-steunpunt nog slechts 500 meter in Noordelijke richting door (Kruiponder) en hield daar op; ik moest er dus van uitgaan, dat van de geheele loopgraaf, beginnende bij Heimerstein, het overgroote deel was opgerold.
Het leek mij daarom doelloos daar ter plaatse te blijven; zulks te meer, daar onze stelling was ingericht op het afslaan van een vijandelijken aanval uit Oostelijke richting, een aanval vanuit front-Zuid zou met de mij ten dienste staande middelen niet te weerstaan zijn geweest. In mijn oogen deed ik beter mijn stelling, die m.i. hopeloos was, te ontruimen en mij met mijn manschappen bij mijn Compagniescommandant te melden voor een nieuwe opdracht.

Voor mij als Commandant van de rechter-voorsectie van 2-II-8 R.I. gold de order: "Stand houden"; deze had ik in de mobilisatiedagen reeds gekregen en werd mij op 11 Mei 1940 nog eens persoonlijk door mijn Compagniescommandant, den Kapitein Wiersinga, bevestigd.
U vraagt mij, of het door mij beoogde terugtrekken naar mijn Compagniescommandant niet in strijd is met bedoelde order; zulks is naar mijn meening niet het geval; de situatie ter plaatse was zóó geworden, dat ik vond dat mijn oorspronkelijke opdracht daardoor was komen te vervallen. Ik wijs er U nog op, dat ik geen verbinding meer had met mijn Compagniescommandant, zoodat ik met hem niet kon overleggen over mijn voorgenomen plan de stelling te ontruimen; evenmin kon ik dus nieuws krijgen, waaruit mij zou kunnen blijken, dat mijn tot zekerheid geworden vermoeden, dat de toestand rechts van mij mis was, onjuist was. Alle omstandigheden in aanmerking genomen meende ik echter gerechtigd te zijn het persoonlijk initiatief te nemen terug te gaan. Behalve regelmatig vijandelijk artillerie- en mitrailleurvuur had ik op het moment dat ik besloot de aan mijn bevelen toevertrouwde stelling te verlaten geen rechtstreekschen vijandelijken infanterie-aanval op die stelling gehad, noch uit Oostelijke noch uit Zuidelijke richting. Mijn Sectie had toen 1 doode en enkele lichtgewonden. De 4 steunpunten waren nog intact; 1 mitrailleurnest was vernield.

Op grond van b.s. omstandigheden en door mij aangevoerde beweegredenen nam ik op Zondag 12 Mei 1940 des namiddags pl.m. 16.30 uur het besluit mijn stelling te ontruimen en met mijn manschappen terug te trekken op de ongeveer 1000 meter Westelijk achter ons gelegen Compagnie-reserve, en mij te melden bij mijn Compagniescommandant. Van laatstgenoemde had ik daartoe geen machtiging of opdracht ontvangen.
Ik vernietigde de overgebleven munitie en organiseerde den terugtocht; deze geschiedde groepsgewijs en moest over het open weiland geschieden. Ikzelf leidde de laatste groep. Tijdens dit teruggaan vond onverwacht een vijandelijke artillerie-overval plaats; daarbij hebben wij 1 doode te betreuren gehad.
Ik meldde mij bij den Kapitein Wiersinga, die mij heeft ingedeeld bij de Ondersteuningssectie.
U leest mij voor de vordering van den Officier van Justitie d.d. 14 Mei 1941. Ik ben van meening niet schuldig te zijn aan de daarin vermelde feiten, die mij verweten worden. Gelijk hierboven door mij betoogd achtte ik het doelloos ter plaatse te blijven; het gevolg immers daarvan zou zijn geweest, dat wij òf na omsingeling gevangen genomen zouden zijn geworden òf vernietigd zouden zijn. Een en ander naar mijn opinie nutteloos. Van op-de-vlucht-gaan is geen sprake; ware dit mijn bedoeling geweest, ik zou - daar de vijand uit het Zuiden kwam - in Noordelijke richting weggetrokken zijn. Door te handelen gelijk ik gedaan heb kwamen mijn manschappen en ik beschikbaar voor nieuwe opdrachten.

Voorgelezen - volhard - geteekend.-
(get.) J. Bison.

Waarvan proces-verbaal.

De Griffier:
(get.) A.M. Creutzberg.

De Rechter-Commissaris:
(get.) L.J. van Gelein Vitringa.

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument
(PDF, 1.99 MB)