Verhoor reserve-eerste luitenant G. Mink bij Gerechtelijk Vooronderzoek
Verhoor van verdachten
bij
Gerechtelijk Vooronderzoek
Heden den elfden November des jaars negentien honderd een en veertig zijn voor Ons
Mr. L.J. van Gelein Vitringa,
Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de arrondissements-rechtbank te 's-Gravenhage, bijgestaan door
Mr. A.M. Creutzberg,
waarnemend griffier, de persoon, die Wij hadden doen oproepen en die op Onze ondervraging heeft opgegeven genaamd te zijn:
GERRIT MINK,
geboren te Leeuwarden den 22 Maart 1909,
van beroep boekhouder-correspondent,
destijds reserve 1e Luitenant, wonende te
Arnhem, Couperusstraat 12.
- - - -
Nadat Wij hem ter hand hebben gesteld een afschrift van de vordering van den Officier van Justitie, d.d. 14 Mei 1941, strekkende tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek, zegt verdachte:
Op 10 Mei 1940 was ik Commandant van een Sectie zware mitrailleurs, behoorende tot de Mitrailleurcompagnie van II-8 R.I., welke Sectie in de gemeente Rhenen tegen het riviertje de Grebbe ten Zuidwesten van de boerderij Kruiponder in stelling lag. Daar ik was ingedeeld bij 2-II-8 R.I. was mijn rechtstreeksche Commandant de Kapitein Wiersinga, Compagniescommandant van 2-II-8 R.I.; het was mij bekend, dat voor mij en mijn Sectie de order "stand houden" gold; deze werd mij bij het begin van den oorlog nog eens mondeling bevestigd door den Kapitein Wiersinga.
Tot mijn Sectie behoorden 2 kazematten, benevens een open opstelling; laatstbedoelde stond onder commando van den sergeant[-capitulant] Van Burk. Ikzelf had geen eigen commandopost, doch maakte gebruik van de commandopost van den Luitenant Vos, Commandant linker-voorsectie van 2-II-8 R.I. De kazematten bevonden zich in den langs de Grebbe en ten Westen daarvan gelegen liniedijk. Mijn stellingen lagen midden in de Sectie van den Luitenant Vos; links ten Noorden waren wij niet aangeleund, terwijl wij rechts van ons een Sectie van 2-II-8 R.I., onder leiding van den Adjudant-Onderofficier Bison hadden.
Aan de bruikbaarheid van mijn stellingen mankeerde nogal een en ander; de kazematten waren niet telefonisch verbonden met mijn commandopost - achter ons hadden wij open terrein, terwijl het voorterrein richting Oost dicht begroeid was met struikgewas, griendhout, enz. - vlak vóór ons aan de overzijde van de Grebbe midden in ons schootsveld lag de boerderij Kruiponder - mijn kazemat No. 24 lag te laag, waardoor ik geen behoorlijk vuur in het voorterrein kon geven - het schootsveld van mijn 2e kazemat No. 25 was in Noordoostelijke richting over de Inundatie; de daarin opgestelde zware mitrailleur kon ik dus niet gebruiken bij een vijandelijken infanterie-aanval op Kruiponder, ingezet langs het Nieuwe Kanaal.
In den loop van den morgen van Zaterdag 11 Mei 1940 zijn de steunpunten van de voorposten gevallen en direct door den vijand in bezit genomen. Van daar uit heeft de vijand gedurende dien dag met tusschenpoozen stormaanvallen op mijn stelling en die van den Luitenant Vos gedaan. Wij zijn er echter in geslaagd deze aanvallen telkens af te slaan, zonder dat wij er echter een eind aan hebben kunnen maken. Wij hebben veel steun gehad van de zware mitrailleurs van III-19 R.I., evenals van het door ons aangevraagde eigen artillerievuur. Voornamelijk door dit laatste vuur sloeg de vijand aan het eind van dien middag op de vlucht.
Gedurende dien avond en den daarop volgenden nacht hebben wij het voorterrein regelmatig onder vuur gehouden. Naar ik van Luitenant Vos vernam is een vijandelijke patrouille in dien nacht over de Grebbe gekomen, doch weer teruggeslagen.
Dien Zondagochtend, toen het tamelijk rustig was, zijn eenige van mijn manschappen met een patrouille van Luitenant Vos over de Grebbe geweest; vanuit Kruiponder brachten zij eenige vijandelijke uitrustingsstukken mede terug.
Toen zich dit alles afspeelde was het moreel van mijn troep nog zeer goed te noemen; bij gebreke aan een behoorlijke opleiding liet de gevechtsvaardigheid echter veel te wenschen over. De schietvaardigheid was zeer gering, hetgeen ook zeer begrijpelijk is als men weet, dat mijn Sectie in den winter 1939 - 1940 slechts gedurende 2 dagen in de Harskamp met zware mitrailleurs heeft geoefend; gedurende de mobilisatie werd slechts 2 maal met de karabijn met scherp geschoten; in het gooien met handgranaten alsmede in het pistoolschieten waren mijn manschappen in het geheel niet geoefend. Een en ander heb ik den tweeden oorlogsdag inderhaast nog even met de troep geoefend.
Nadat een voorbereidend hevig artillerievuur was aangevangen zette de vijand den Zondagochtend pl.m. 11.00 uur een grooten aanval in; deze was echter niet meer gelijk den vorigen dag op onze stellingen gericht, doch meer in Zuidelijke richting. Het bleek mij, dat de hoofdaanvalsrichting gericht was tegen de bastions aan den voet van den Grebbeberg; dit leek mij zeer verklaarbaar, omdat daar ter plaatse de frontlijn en de tweede linie van 8 R.I. bij elkaar komen en de vijand bij het doorstooten van de Sluis achter de tweede linie komt te zitten.
Afgezien van eenig vijandelijk artillerievuur was het in mijn vak toen tamelijk rustig; van deze rustpoos in de gevechtshandelingen heb ik gebruik gemaakt om de voor ons schootsveld zoo hinderlijke boerderij Kruiponder te trachten op te blazen; zulks is echter mislukt.
Ik herinner mij, dat omstreeks dien tijd de Kapitein Wiersinga in onze stellingen is geweest. Op een vraag van hem hoe het ging heb ik geantwoord: goed. Ik was namelijk heel tevreden over de situatie in mijn vak; wij waren er immers in geslaagd ons den vijand van het lijf te houden en ik had goede hoop ook bij nieuwe aanvallen weerstand te kunnen bieden, zulks hoewel - gelijk gezegd - de bruikbaarheid van mijn stelling nogal wat te wenschen overliet.
Intusschen werden door mij de noodige maatregelen voor den komenden nacht getroffen, seinpatronen aangevraagd, enz.
Toen ik dien middag te omstreeks 16.30 uur op de commandopost van Luitenant Vos vertoefde kwamen daar 2 mij onbekende sergeanten binnen. Zij waren erg overstuur en in deplorabelen toestand. Zij werden door Vos en mij eenigszins gekalmeerd en vertelden, eenigszins op hun verhaal gekomen, het navolgende:
"Het rechter-bastion ten Zuiden van den Straatweg Wageningen - Rhenen was door den vijand genomen en de geheele 1e Compagnie van I-8 R.I. vernietigd; de vijand had, gelijk zij gezien hadden, op het rechter-bastion snelvuurkanonnen opgesteld en schoot daarmede richting Zuid - Noord over en op den langs de Grebbe gelegen liniedijk; groote verliezen bij de troepen in den liniedijk waren daarvan het gevolg geweest."
De Luitenant Vos zeide, dat hij deze mededeelingen direct zou doorgeven aan den Kapitein Wiersinga en verzocht mij buiten de commandopost te willen gaan kijken wat ik van hetgeen de sergeanten ons verteld hadden kon ontwaren. Ik deed zulks; met mijn kijker zag ik, dat groepen soldaten uit de ingangen van den langs den liniedijk gelegen loopgraaf te voorschijn kwamen om vervolgens over het open veld in Westelijke richting terug te trekken. Deze terugtocht geschiedde in troepjes van ongeveer 10 man met medeneming van de wapens.
Terwijl ik dit gadesloeg bemerkte ik, dat de vijand het vuur in Noordelijke richting verlegde, waardoor de terugtrekkende manschappen in het vuur terecht kwamen. In den aanvang dacht ik, dat deze troepen een andere opdracht hadden bekomen, doch al spoedig besefte ik, dat hier van een terugtocht sprake was.
Af en toe ging ik weer in de commandopost om Luitenant Vos op de hoogte te houden van wat ik gezien had; deze was namelijk bezig te telefoneeren met den Kapitein Wiersinga. Op een gegeven moment, terwijl ik weer buiten was, zag ik in Zuidelijke richting den Adjudant Bison met zijn manschappen in Westelijke richting terugtrekken; ik deelde dit direct aan Vos mede. Intusschen had Vos met den Kapitein nogmaals getelefoneerd; even later zeide hij tegen mij, toen wij buiten de commandopost stonden, dat hij den Kapitein van den gang van zaken, zooals wij dien vernomen en zelf gezien hadden, op de hoogte had gebracht. De Kapitein had hem gelast ter plaatse te blijven; of Vos gevraagd heeft of hij terug mocht trekken weet ik niet.
Vos en ik waren door het verloop van de krijgsverrichtingen zooals deze zich ontwikkelden verrast; immers wij hadden een dergelijke ontwikkeling zeker niet verwacht. Wij hadden al vroeger beseft, dat wij vlak tegenover Kruiponder op een gevaarlijk punt zaten, omdat een vijandelijke aanval zeer vermoedelijk op dat punt gericht zou zijn. Onze stelling was immers daar ter plaatse en zeer zeker in vergelijking met de bastions aan den voet van den Grebbeberg, tamelijk zwak te noemen. Naar ik meende te weten waren er plannen in voorbereiding geweest om bij langer voortduren der mobilisatie tegenover Kruiponder een zware versterking te maken.
Ware de vijand den vorigen dag met een grootere macht aangevallen (zij waren toen vermoedelijk ongeveer 150 man sterk) dan hadden wij zeer vermoedelijk onze stelling niet kunnen houden; de vijand zou dan na een eventueel doorstooten den liniedijk in Zuidelijke richting hebben kunnen oprollen.
Thans echter liep alles anders dan wij verwacht hadden, waardoor het aspect der militaire situatie in onze oogen geheel veranderde. Tezamen gingen wij na, wat de gevolgen van het doorbreken van den vijand ten Zuiden van ons en het daarop gevolgde terugtrekken van de in den liniedijk gelegerde troepen, voor ons beteekende. Wij beseften, dat onze beide Secties door het verloop van zaken eigenlijk in de lucht kwamen te hangen; naar wij moesten aannemen naderde de vijand ons uit Zuidelijke richting. Links van ons hadden wij geen eigen troepen; daar liep een hekversperring over een afstand van ongeveer een kilometer achterwaarts, om daarna af te buigen en in Noordelijke richting te vervolgen. Op een afstand van pl.m. 1 kilometer in Noordelijke richting begon de Inundatie.
Wij vroegen ons af, hoe wij ons, gegeven de thans veranderde situatie, voor het vak van de Sluis tot Kruiponder het meest nuttig konden maken. In onze oogen moesten wij trachten, door het afgeven van vuur in Zuidelijke richting het, door het terugtrekken van de troepen uit den liniedijk ontstane gat, te dichten. Recht vóór ons viel toen in het geheel niets voor; er werd zelfs daar door den vijand niet meer gevuurd, waaruit ik concludeerde, dat deze van dat punt was weggetrokken.
Na korten tijd met Vos over onze situatie van gedachten gewisseld te hebben, zeide deze, dat hij den Kapitein Wiersinga telefonisch om raad zou vragen; dit telefoongesprek is niet in mijn tegenwoordigheid gevoerd. Even later kwam Vos weer buiten; hij zeide tegen mij, dat de Kapitein hem had toegestaan naar eigen goeddunken te handelen, door tegen hem te zeggen: "Nou Vos, je moet zelf maar zien." Ik vond het vanzelfsprekend, dat dit ook voor mij gold.
Wij overlegden daarop wat wij zouden doen; ter plaatse blijven leek ons beiden nutteloos en niet in het belang van de verdere verdediging van den liniedijk. Eigen troepen hadden wij, links niet aangeleund zijnde, tegenover een uit Zuidelijke richting oprukkenden vijand niet te dekken. Wij zouden natuurlijk onze stellingen, die front-Oost waren gericht, wel met man en macht tegen den vijand uit het Zuiden kunnen verdedigen, doch dit leek ons niet in het belang van de verdediging van het geheele vak; het zou een doelloos opofferen van menschenlevens van ons beider Secties zijn geweest; dit meende ik niet voor mijn verantwoording te mogen nemen.
Na eenig heen en weer praten kwam Vos met een plan voor den dag; dit behelsde, dat wij onze stellingen ter plaatse zouden ontruimen, ongeveer anderhalve kilometer in Noordelijke richting zouden trekken, om daar nieuwe stellingen in te nemen, ditmaal front-Zuid gericht. Dit plan leek mij uitstekend; de vuurkracht van mijn Sectie zou eerst dan volledig tot zijn recht kunnen komen; ik kon dan namelijk vuur afgeven op het terrein vóór en achter den liniedijk in Zuidelijke richting en daarmede het doordringen van den vijand in Westelijke richting verhinderen; daarenboven kon ik dan met mijn linkerstuk den loodrecht op Kruiponder staanden nieuwen dijk bestrijken alsmede de inundatie bewaken. Volgens de voorschriften I.R. deel II A. - punt 140 is de Commandant van een vuurorgaan, indien de eigen taak niet om vervulling vraagt, op eigen initiatief verplicht de beschikbare vuurkracht zoo goed mogelijk bij doordringen van den vijand, aan de verdediging te doen medewerken. Naar mijn meening hadden wij onze taak, namelijk het doorstooten van den vijand bij Kruiponder, waardoor de liniedijk vervolgens in Zuidelijke richting kon worden opgerold, te verhinderen, volbracht. Indien wij op de door Vos voorgestelde wijze van stelling veranderden kon ik met mijn vuur den vijand in ieder geval sterk afbreuk doen. Vanuit onze nieuwe stelling zouden wij dan via de daarachter in Westelijke richting gelegen onderdeelen van 19 R.I. weer telefonische verbinding hebben gekregen.
Nadat wij half en half besloten hadden het plan van Vos uit te voeren heeft deze nog eens getracht telefonisch contact met den Kapitein Wiersinga te krijgen, doch tevergeefs. Het zenden van een ordonnans had onder de gegeven omstandigheden geen zin; als deze er al in zou slagen veilig heen en terug te komen onder het hevig artillerievuur dan zou hij toch te laat gekomen zijn, omdat de vijand ons dan via den liniedijk zeer zeker reeds bereikt zou hebben.
Dien middag te omstreeks 17.30 uur nam ik, naar aanleiding van het met Vos gepleegde overleg, het besluit mijn stelling daar ter plaatse te ontruimen, teneinde een nieuwe stelling in Noordelijke richting gelegen in te nemen.
De hierboven geschetste omstandigheden en de door mij aangevoerde motieven hebben mij tot die decisie geleid. De mij oorspronkelijk gegeven order: "stand houden" kan naar mijn meening niet beteekenen, dat een Commandant onder alle omstandigheden ter plaatse in zijn stelling moet blijven, ook al vindt hij zulks nutteloos opofferen van menschenlevens. Hij moet de vrijheid hebben zoo noodig van stelling te veranderen, indien naar zijn inzicht zijn taak daar volbracht is.
Daarenboven ben ik van meening, dat de oorspronkelijke order is komen te vervallen doordat de Kapitein Wiersinga bij zijn laatste telefoongesprek met Luitenant Vos, dezen volle vrijheid van handelen had gegeven. Dit gold natuurlijk ook voor mij.
Ik hoorde Vos eenige zijner groepen opdracht geven op enkele punten gaten in de hekversperring te maken, waardoor wij dan Noordwaarts konden trekken. De eenige stukscommandant dien ik kon bereiken (omstreeks dien tijd was het vijandelijk artillerievuur weder in hevige mate toegenomen) was de sergeant Ketjen. Ik beval hem alles te verzamelen, de mitrailleurs uit de kazemat te halen en zich gereed te houden om, zoodra hij de troepen van Luitenant Vos zag vertrekken, deze te volgen. Reeds voordien had ik met den sergeant[-capitulant] Van Burk afgesproken, dat hij, als hij de manschappen van Ketjen zag vertrekken, met zijn mitrailleur en de mannen bij mij op de commandopost zou komen, vergezeld van de bediening van kazemat 24.
Daar ik de stukken nog niet zag komen begaf ik mij eerst gewoon loopende, later kruipende, naar kazemat 24; door mitrailleurvuur, komende door een gat in den dijk, alsmede door eigen mitrailleurvuur van 19 R.I., kon ik de kazemat niet bereiken. Ik ging terug naar kazemat 25, waar ik Ketjen met zijn manschappen gereed aantrof; ik heb nogmaals geprobeerd kazemat 24 en de open opstelling te bereiken; wederom tevergeefs.
Omkijkende zag ik onze troepen tot mijn schrik, in plaats van door de hekversperring in Noordelijke richting, langs deze versperring in Westelijke richting trekken; direct besefte ik, dat de beoogde manoeuvre bezig was te mislukken; bedoelde troepen waren te ver weg dan dat ik hen nog kon bereiken.
Enkele oogenblikken later zag ik enkele manschappen aan de overzijde van de hekversperring staan; ik ben daar naar toe gegaan in de verwachting, dat Vos daar zou zijn. Daar ter plaatse geen gaten in de versperring waren aangebracht ben ik er met veel moeite overheen geklommen. Vos bevond zich niet bij de soldaten; met hen trok ik in Noordelijke richting, om na eenige omzwervingen bij een onderdeel van 19 R.I. aan te komen. Ik was van plan naar de Bataljonscommandopost te gaan, doch gaf dit plan op, toen ik Vos tegenkwam, die mij zeide, dat deze niet te bereiken was.
Vóór het wegtrekken uit mijn stelling had mijn Sectie enkele gewonden.
U leest mij voor de vordering van den Officier van Justitie; te dien aanzien merk ik het navolgende op:
Ik erken de onder mijn bevelen staande stelling, als hiervoren aangeduid, opzettelijk te hebben ontruimd; dit geschiedde echter niet buiten noodzaak, omdat de door mij hierboven geschetste omstandigheden daartoe naar mijn meening zeer zeker noopten; "eigendunkelijk" geschiedde zulks evenmin; ik had hiervoor weliswaar geen opdracht van mijn rechtstreekschen Commandant, doch voelde mij wel door hem gemachtigd; immers via den Luitenant Vos had hij mij vrijheid gegeven naar bevind van zaken te handelen.
Met klem ontken ik mijn plicht als militair in eenig opzicht verzaakt te hebben. Ik geef toe, dat men over de juistheid van de door mij beoogde stellingverandering van meening kan verschillen, doch acht het verwijt van plichtsverzaking hier niet op zijn plaats.
Ik blijf van meening, dat, alle omstandigheden in aanmerking genomen, de door mij getroffen decisie juist is geweest; stond ik heden weer voor een dergelijk besluit - ik zou niet aarzelen opnieuw dezelfde decisie te nemen.
Commandant IIe Legerkorps heeft een onderzoek gelast naar mijn gedragingen; namens dezen Commandant heeft de Kapitein der Artillerie Onderstal mij na gehouden onderzoek op Maandag 13 Mei 1940 medegedeeld, dat ik volkomen was gerehabiliteerd van de verdenking, mij aan eenig militair vergrijp schuldig gemaakt te hebben.
Voorgelezen - volhard - geteekend.-
(get.) G. Mink.
Waarvan proces-verbaal.
De Griffier:
(get.) A.M. Creutzberg.
De Rechter-Commissaris:
(get.) L.J. van Gelein Vitringa.
|
