Verhoor van sergeant-majoor-instructeur L.M. van Battum

Verhoor op 27 September 1940 van den sergeant-majoor-instructeur van Battum L.M.
van 22 R.I., Artillerielaan 14 Ede (Gelderland); thans bij IV District Opbouwdienst,
81e Korps, 2e Afdeeling te Wijhe.

Ik was op 10 Mei 1940 ingedeeld bij III-35 R.I. bij de compagnie van den kapitein Heijnen. De commandopost compagniescommandant was gevestigd onder het viaduct (eerste van de spoorbrug af).
Des avonds tevoren te 11.00 uur bij den compagniescommandant ontboden op het fort waarbij de compagniescommandant mededeelde, dat bijzondere waakzaamheid vereischt was en de opstellingen te drie uur bezet moesten zijn. Dit is geschied. Na dit gemeld te hebben te pl.m. 3.15 uur vernam ik van den fourier Van Keulen, dat er grensoverschrijding was. De vliegtuigen kwamen over. Ik zag voorts, tusschen 3.30 en 4.00 uur meen ik, een trein mijns inziens uit goederenwagens bestaande aan de overzijde van de spoorbrug staan. Er werd toen van beide kanten gevuurd. De brug ging in de lucht. Ik had drie stekelvarkens: W5, 13 en 14. (zie schets); de rivier kan ik niet zien; stekelvarken W5, commandant sergeant Kranenburg (gr.v. 22 R.I.), 13, commandant sergeant Rayer (gr.v.), 14 commandant sergeant Tieman (O.D.). Een officieel bericht van grensoverschrijding heb ik niet gehad. Artillerievuur viel voor en achter mijn opstellingen aan den dijk. Alleen mijn stekelvarken 14 kon op de brug vuren, toen de Duitschers over de bogen kwamen. Te 7.30 uur bereikte mij de mededeeling, dat de commandopost compagniescommandant onbezet was, en de telefooncentrale daar onbeheerd stond. Het artillerievuur nam in hevigheid toe; mijn opstellingen en de dijk lagen onder geweer- en mitrailleurvuur van de Duitschers, die op het fort waren en reeds verder doorgedrongen. Bij stekelvarken 14 kon ik niet meer komen en ik ben achter stekelvarkens 13 en W5 blijven liggen. Ik ben daar ter plaatse gebleven tot pl.m. 10.00 uur; verbinding met den compagniescommandant heb ik niet meer gehad; ik heb den kapitein dien dag niet meer gezien.
Het artillerievuur nam toe. Met den adjudant-onderofficier Klinkspoor en pl.m. 20 man zijn wij teruggegaan, dit zijn menschen van voren en uit de geweeropstellingen meest van [stekelvarken] 14, die door vuur van links eruit geschoten waren. De stekelvarkenbezettingen zijn gebleven. Een opdracht hoe in deze omstandigheden te handelen heb ik tevoren nooit gehad. Een verzamelplaats was niet opgegeven.
Wij zijn door Arnhem gemarcheerd en waren pl.m. 10.30 uur aan het station maar er liep geen trein meer. Langs omwegen hebben wij ons ten slotte pl.m. 19.00 uur in Doorn bij troependetachement IIe Legerkorps gemeld en zijn vandaar doorgezonden naar Leersum. Wij waren toen adjudant-onderofficier Klinkspoor, ikzelf en pl.m. 18 man. Den volgenden morgen, Zaterdagmorgen (11 Mei) was het weer 3.30 uur reveille; gemeld bij een majoor en zijn wij ingedeeld. Het overschot van mijn sectie kreeg de adjudant-onderofficier Klinkspoor; ik zelf kreeg geheel nieuwe menschen, allen per rijwiel als parachutistenwacht. Te pl.m. 17.00 uur werd ik op de commandopost geroepen (Dartheide) en kreeg ik de opdracht van een majoor of van een overste met een kapitein (kapitein Franssen) en een veldwachter huiszoekingen te doen. Wij hebben geen Duitsche militairen gevonden. Zaterdagavond waren deze huiszoekingen afgeloopen en hebben wij geslapen in een barakkenkamp; ik zelf in het huis naast het kwartier van den kapitein Franssen. Te 3.30 uur was het weer reveille en zijn wij vertrokken in de richting Rhenen (Zondag 12 Mei). Onderweg vernam ik, dat wij te Rhenen een versterkte stelling zouden innemen aan de Holleweg. Halverwege Elst-Rhenen in een boschperceel, links van den weg, zijn de rijwielen en de uitrusting achtergelaten en ging het te voet verder naar Rhenen. In Rhenen hebben wij sectiesgewijze op de verbandplaats gelegen tot pl.m. 10.00 uur. Toen kreeg ik van den kapitein opdracht sectiesgewijze Rhenen binnen te gaan. Alles lag onder artillerievuur. Mijn sectie moest ik plaatsen in het postkantoor; het was gesloten; ik heb het opengehakt en mijn sectie binnengeplaatst. De ramen waren geblindeerd; geen uitgang achteruit. Ik zat als in een muizenval. Allerlei troepen gingen terug van 8 R.I. en 12 Lang Staal (?). Alle sectiecommandanten werden bij den compagniescommandant ontboden en de kapitein deelde mede vernomen te hebben van terugtrekkende troepen, dat er niet veel aan te doen was en dat de Duitschers op den berg zaten. "Komen er pantserwagens, kijk dan maar niet want dan richt je een bloedbad aan; daar kun je niets tegen doen. Komen er auto's met militairen, handel dan als militair". Ik ben toen de omgeving van het postkantoor gaan verkennen. In de omgeving van het plantsoentje keek ik door een heg en toen kwam een patrouille van de artillerie (?). De commandant vroeg mij het woord, mij onbekend. Het was mij niet medegedeeld.
De patrouille nam mij mede naar een majoor der Artillerie in een donker onderkomen (commandopost). Ik kon mij legitimeeren op mijn verlofpas en kon terug naar mijn sectie. Het woord is mij niet medegedeeld. Terug in het postkantoor was alles verlaten; postkantoor, winkel van een andere sectie, school alles leeg. Alleen een paar ziekendragers. Langs zijstraatjes enz. ben ik gegaan naar de gasfabriek en vandaar langs de batterijen door het bosch weer naar de groote weg. Juist kwam ik op de groote weg (pl.m. tusschen paal 106 en 107) niet ver van mijn rijwiel af (maar dat wist ik niet) toen de kapitein eraan kwam met 2 sectiën of meer per rijwiel, gaande richting Rhenen, die mij toeriep "Zoo van Battum ben je daar, het is een vergissing wij gaan terug." Ik vroeg mijn rijwiel te gaan halen, hetgeen de kapitein niet noodig vond, daar volgens zijn meening in Rhenen bij de muziektent rijwielen stonden. Ik ben te voet naar Rhenen gegaan (zonder rijwiel). Ter hoogte van het witte huis zag ik links bij de oprijlaan menschen van de sectie van adjudant-onderofficier Klinkspoor. Ik ging daar naar den adjudant-onderofficier toe en heb hem de order van den kapitein medegedeeld om weer te volgen naar Rhenen. Dit is geschied. In Rhenen aangekomen bleek geen enkel rijwiel bruikbaar te zijn; alles was defect. De kapitein heb ik niet gezien. Bij het zoeken naar rijwielen ben ik den adjudant-onderofficier Klinkspoor kwijtgeraakt. Aan den ingang van Rhenen zag ik een luxe wagen waarin een soldaat zat. Aangehouden. Hij zocht naar commandant munitietrein. (12 Lang Staal (?)). Ik vroeg toen waar hij heen ging. Hij verklaarde naar Elst te gaan, waarop ik zoover met hem mede ben gegaan, tot de plaats waar de rijwielen waren achtergebleven. Daar aangekomen alle rijwielen weg en ook de uitrusting. Een wachtmeester van de artillerie verwees mij voor een rijwiel het bosch in, echter alle rijwielen defect. Uit verschillende rijwielen heb ik met den wachtmeester één goede gemaakt. De wachtmeester heeft mijn kijker vastgehouden en behouden. Juist te voren ontmoette ik den sergeant, toegevoegd aan den kapitein Franssen, die mij de opdracht gaf mij te melden bij een kapitein in een zijweg te Rhenen. Op het kruispunt aan de groote weg passeerde mij de auto van den kolonel Barbas met den kapitein Aanholt aan het stuur. Ik ging richting Rhenen en passeerde onderdeelen van 19 R.I. en 24 R.I. en vervolgens Rhenen in. Over het viaduct werd ik beschoten van rechts uit het 3e huis van achter. Ik heb teruggeschoten en ben doorgereden. Een eind verder ben ik aangeroepen en het bleek de luitenant Van den Boomgaard [Van den Boogerd?] te zijn. Ik sprong van de fiets, toen sprong een granaat in mijn nabijheid, scherven raakten mij en mijn hand bloedde. Ik heb mij neergelegd achter den luitenant Van den Boomgaard. Er viel veel artillerievuur. Hij meende dat mijn sectie achter "Rust Wat" links van den weg lag. Ik wilde mijn fiets weghalen en werd bevuurd door een Duitsche mitrailleur. Het was schemer. Ik naar de overzijde van den weg. Ik ben de zijlaan links van den weg ingekropen om mijn sectie te zoeken, die ik in het duister niet vinden kon; bovendien kreeg ik vuur van voren. Plotseling stond de soldaat Friedrich (van de sectie van adjudant-onderofficier Klinkspoor) naast mij. Hij was geheel van streek. Ik ben met hem teruggegaan. Hij te voet, ik met mijn fiets. Bij het viaduct werden wij beschoten langs de spoorbaan uit het Noorden; het was donker (Zondagavond). Bij de hulpverbandplaats door Rhenen heen aangekomen, werd ik flauw; ik had sedert Zaterdagavond niet meer gegeten. Ook de majoor Van der Ploeg was daar gebracht. Om te rusten zijn wij gestuurd naar de steenfabriek. Tegengehouden door de militaire politie ben ik weer teruggegaan. Bij den ingang van Rhenen kwam ik de sectie van den Luitenant Van den Boomgaard op rijwiel reeds tegen, gaande richting Elst. Gekomen bij het viaduct in de schemer van Maandagmorgen, passeerden mij verschillende menschen, die teruggingen. Onder andere Jagers (van 24 R.I.).
Er werd veel gevuurd.
Te 9.00 - 9.30 uur ging het met stroomen terug, bij sectiën tegelijk. Daar ik geen commando had en mijn compagnie terug was gegaan, ben ik weer langs de batterijen teruggegaan en vernam op de groote weg bij Elst dat alle menschen van de IJssel zich moesten melden bij K.C. Driebergen. Zij wezen mij de weg echter verkeerd. Het lag daar onder zwaar artillerievuur; het was pl.m. 10.00 - 10.30 uur.
Langs omwegen ben ik naar Driebergen gereden. Aldaar gemeld bij den kapitein Witteveen van de Artillerie pl.m. 14.00 uur.
Met den staf 15 R.A. ben ik langs omwegen naar Lopik teruggegaan.

Voorgelezen, volhard en geteekend,
w.g. L.M. van Battum.


Aldus in onze tegenwoordigheid verklaard, goedgekeurd en geteekend,
De majoor,
w.g. F.A.J. de Klerck.

De kapitein,
w.g. J.K.H. de Roo van Alderwerelt.

Voor eensluidend afschrift,
De kapitein,
(get.) J.K.H. de Roo van Alderwerelt.

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 1
(PDF, 2.35 MB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 2
(PDF, 7.91 MB)