Verklaring van dienstplichtig sergeant A.J. Liemburg
Verklaring afgelegd door den dienstplichtig sergeant A.J. LIEMBURG van 2-III-11 R.I. in de vergadering van de Commissie Militaire Onderscheidingen op 16 Januari 1947.
OPMERKINGEN naar aanleiding van voorgelezen brief van ondergeteekende betreffende den Luitenant G.J. van den BOOGERD en over destijds ingediende voordrachten tot onderscheidingen voor personeel van 2-III-11 R.I.
De Bataljonscommandant was de Majoor van der PLOEG, de Compagniescommandant de Kapitein Dr. M.H.H. FRANSSEN. Mijn Sectiecommandant was de Luitenant PIET. Ik behoorde tot de 2e sectie en was opvolger-sectiecommandant.
De Luitenant van den BOOGERD was commandant van de 1e sectie, doch later Compagniescommandant toen de Kapitein FRANSSEN uitviel (raakte op den eersten dag gewond, sergeant H. SEESING (sergeant-toegevoegd) wonende Keienburg (Gemeente Hengelo (Gld)) zal dit tijdstip nauwkeurig kunnen aangeven.)
De Kapitein FRANSSEN is verder in Arnhem verpleegd en trad direct na de gevangenschap met de Duitsche officieren in contact. (Mededeeling van Kapitein van der SPEK). Volgens mij leeft hij nog en zit vermoedelijk in een kamp [Strafgevangenis van Scheveningen]. Hij was bij ons niet gezien, hij had niet bepaald het vertrouwen.
Commandant van de 3de sectie was de sergeant FREERIKS (later N.S.B.'er), momenteel in de gevangenis naar ik meen en reeds veroordeeld, Hij is na den oorlog krijgsgevangen gemaakt. Hij heeft uit angst in de schuilkelder gezeten vanaf het moment, dat wij in de stelling aankwamen. (Volgens sergeant J. NIKKELS uit Hengelo (O)). Commandant van de 4de sectie was de sergeant-capitulant VISSER, tijdens de bezetting Marechaussee te Lobith.
Als getuige voor het optreden van den Luitenant van den BOOGERD kan ik buiten FREERIKS alleen nog noemen den Luitenant PIET uit Amsterdam. De Luitenant PIET is door de gevechtshandelingen van ons weggeraakt in de verwarring van het gevecht.
De Kapitein RAGUT behoorde tot een andere Compagnie van ons Bataljon. Hij was achtergebleven, bij het begin van den oorlog, ter bewaking van het munitiedepôt in Driebergen. Hij heeft de helft van de compagnie die daar voor bewaking lag voor een tegenaanval naar den Grebbeberg gestuurd, onder Luitenant DANIELS. (die daar direct op den eersten dag is gesneuveld). Bij aankomst van den Kapitein RAGUT in Boskoop (uit Driebergen), na de capitulatie zei hij: "ik heb de schimmel tusschen mijn teenen staan van angst".
Het afschrift van het gevechtsbericht van den Luitenant van den BOOGERD heb ik bij mij. (Gaarne terug, is van Mevrouw de Weduwe van den BOOGERD). [Gerrit Jan van den Boogerd werd op 25 juli 1944 bij Fort Rhijnauwen gefusilleerd wegens deelname aan het verzet]
OPMERKINGEN NAAR AANLEIDING HIERVAN:
Na het eerste signaal "voorwaarts" lagen wij op de bovenste stelling. Daar liepen wij vast. Wij lagen daar in een aanvalspositie. De Luitenant PIET, sergeant LANGEFELD, een sergeant van de S.R.O.I. en ik lagen daar bij elkaar. De groepen lagen verder verspreid door het kreupelhout. Toen kreeg de Luitenant PIET het bevel "100 meter terug" (van wie weet ik niet) om ons opnieuw te ordenen.
Het laatste bevel dat de Luitenant PIET gaf was "maak je groepen klaar, want wij gaan terug". De Luitenant had zich niet omgedraaid om te zien of wij gereed waren en was reeds met enkelen terug gegaan. Toen juist kregen wij een zware artilleriebeschieting en de meeste projectielen vielen achter ons. De Luitenant PIET was reeds zoover terug, dat ik hem niet meer zag. Ik nam toen het bevel over, want vond het zelfmoord, om door dit artillerievuur terug te gaan. De rest heb ik verzameld. Wij zijn weer naar voren gegaan onder het artillerievuur uit, en bereikten de rugdekking van de oorspronkelijke stelling, waarop wij nog even hebben liggen wachten voor eventueel contact met den Luitenant PIET. Daarna zijn wij de loopgraven die daar waren ingegaan. Sinds dien heb ik den Luitenant PIET niet meer gezien. Er waren in de loopgraaf nog menschen van verschillende regimenten o.a. van het 8ste en 19de R.I. en naar ik meen ook van het 35e. Daar was geen kader bij. Op een gegeven moment was er een Luitenant (naam onbekend), deze nam het bevel over van dat stuk loopgraaf. Hij wilde de chaos ordenen. Hij was blijkbaar beter op de hoogte van dat stellinggedeelte daar, dan ik. Ik moest rechts blijven (steunpunt aan den straatweg nabij Ouwehands Dierenpark). Hij zou mij links dekken. Hij gaf mij de opdracht: "stand houden tot den laatsten man en de laatste patroon". Hierop gaf hij mij de hand. De sergeant LANGEFELD was van dit alles getuige. De Luitenant is met enkele soldaten weg gegaan en ik heb hem niet meer terug gezien.
Hierna begon voor mij het georganiseerde gevecht. Ik had veel meer dan een sectie onder mijn commando. Als gevolg van het kruipen door het struikgewas zaten de lichte mitrailleurs onder het zand en waren de gereedschapstasschen geopend en praktisch leeg. Ik had toen in het geheel geen verbinding meer. Korporaal B. PLASMAN (Geerdink Zijdeweg, Enschede) heb ik met een soldaat, tegen het vallen van den nacht, naar achteren gestuurd om steun van zware mitrailleurs en artillerie te vragen. Hij had zich hiertoe vrijwillig gemeld. Het artillerievuur ging ondertusschen door. Hij heeft 4-maal getracht hier doorheen te komen. De laatste maal is dit gelukt. Helaas kreeg ik geen vuursteun (vermoedelijk omdat het daar achter ook een chaos was).
(Verdere toelichting op het citaat van de gevechtsberichten van den Luitenant van den BOOGERD).
Ik vermoed, dat de Luitenant van den BOOGERD onder "viersprong" verstaat het viaduct.
De genoemde Reserve 2e Luitenant van der VEEN was ook van ons Bataljon.
Ik heb zelf veel hinder gehad van vuur dat in de loopgraven kwam uit de boomen.
De Politietroepen (met de witte tressen) heb ik bij het viaduct zien opereeren.
Toen de Luitenant van den BOOGERD met 8 man in den avond uit Rhenen ter verkenning naar den Grebbeberg ging zat ik nog op den Grebbeberg.
Door het plotselinge optreden van de Duitschers, die uit de boomen kwamen zijn onder andere de sergeant A. ZWIER (nu in Indië), sergeant F. GELEVERT (Oldenzaal) en Ep v.d. SCHAAF (Meidoornstraat Oldenzaal), krijgsgevangen gemaakt en in een van de huizen gestopt links van den weg, vlak voor het viaduct. De Duitschers gingen inmiddels rustig door met vuren. De Luitenant van den BOOGERD liet op dit huis het vuur openen met een stuk Pag., niet wetende, dat onze menschen daar in zaten. Hierop kregen de Duitschers het te kwaad en stuurden onze jongens door ons vuur terug naar onze stellingen over het viaduct heen, met de mededeeling "Jetz werden sie durch Ihre eigenen kamaraden erschossen". Hierbij is gesneuveld de soldaat SPÖLMINK.
Toen alle munitie verschoten was, de mitrailleurs onherstelbaar geworden waren, de geweren niet meer te gebruiken waren (de grendels moesten wij aan de wanden losslaan) hebben wij nog met handgranaten gegooid, totdat de duisternis viel. (Duitsche handgranaten hebben wij ook nog in en over onze loopgraven gehad. Ik heb duidelijk Duitsche bevelen hooren geven). Daarna ben ik nog gaan zien of de Luitenant, die mij het laatste bevel om stand te houden had gegeven, er nog was. Ik vond slechts een man van mijn groep (vermoedelijk Klein Braskamp uit Geesteren (G)), die achter een zwaren mitrailleur zat.
Wij kenden den weg daar niet. Door de vier dagen van inspanning, zonder slaap, praktisch zonder eten en drinken, waren wij doodop. Wij hadden daar ook kunnen blijven zitten tot wij krijgsgevangen gemaakt waren, maar dat wilden wij niet en daarom moesten wij, koste wat het kost, terug. Wij zaten daar temidden van de Duitschers.
's Zondags nachts zijn wij in de stoplijn gebleven met plm. 20 man. In den nacht van 13 op 14 Mei hebben wij de loopgraven verlaten en zijn bij heldere maan over het hek van Ouwehands Dierenpark geklommen (in groepjes van twee, dwars door den dierentuin, een gat geknipt in de omrastering aan de achterzijde, dwars door het geïnundeerd gebied ter vermijding van landmijnen en via Achterberg onder de spoorbaan doorgegaan (het viaduct bij Rhenen was bezet), richting Elst.
Bij Elst lagen duizenden fietsen en daar hebben wij gebruik van gemaakt. Van daar gingen wij per fiets naar Amerongen, alwaar ik den Luitenant van den BOOGERD met ongeveer 30 man van de Compagnie ontmoette. Dit gedeelte van de Compagnie was juist teruggekeerd van een opgedragen en uitgevoerde verkenning. Deze verkenning geschiedde ongewapend (zie gevechtsbericht van Luitenant van den BOOGAARD).
Ik kwam als een van de laatsten te Amerongen aan. De Staf van het muziekkorps van 8 R.I. was daar bezig in groote haast rijwielen te verzamelen.
Vanuit Amerongen ben ik met den Luitenant van den BOOGAARD doorgefietst naar Utrecht. Even buiten Utrecht hebben wij gerust. In Jutfaas heeft de Luitenant uitgezien naar onze eigen onderdeelen. In Vreeswijk kwam de capitulatie.
Sergeant ROFFEL had in de mobilisatie een motor gekocht. Hij was hierdoor tijdens de oorlogsdagen ordonnans van den Majoor van der PLOEG. De weg tusschen den Grebbeberg en het viaduct lag geregeld onder artillerievuur. Regelmatig zag ik hem onder hevig artillerievuur en direct gericht vuur op onze stelling met de motor langs den weg rijden. Het gepuf uit zijn motor beteekende onder die omstandigheden voor mij een moreele steun. Verder is mij bekend dat hij met eigen levensgevaar Majoor van der PLOEG, toen hij gewond was, uit de vuurlinie heeft gehaald en op zijn motor naar achteren heeft gebracht.
Voorgedragen zijn door den Luitenant PIET als plaatsvervangend compagniescommandant van 2-III-11-R.I. (destijds door den Luitenant voorgelezen):
sergeant LANGEFELD (Oldenzaalschestraat Enschede);
sergeant van de S.R.O.I.;
sergeant ROFFEL M. (thans woonachtig te Oldenzaal);
ondergeteekende;
mijn groep (o.a. KAMP uit Deurningen, KREBBERS (vermoedelijk Winterswijk), W. KORTER (Oldenzaal) en KOEKOEK? (Oldenzaal).
's-Gravenhage, 16 Januari 1947.
A.J. LIEMBURG.
Opgenomen FMV.
typ. GTh.
|
