Verklaring van dienstplichtig soldaat H.A. van Spronsen
Verklaring afgelegd door den dienstplichtig soldaat H.A. van SPRONSEN van
Verbindingsafdeeling Staf III-11 R.I., in de vergadering van de Commissie
Militaire Onderscheidingen, op 17 April 1947:
Van Amerongen zijn wij op 12 Mei met het Bataljon naar den Grebbeberg gegaan. Bij de Watertoren in Rhenen hebben wij een tijd gelegen en kregen daar een beschieting van vijandelijke artillerie. Hierbij vielen geen gewonden of dooden. Toen wij daarna naar den grooten weg gingen kregen wij opdracht – ik meen van Kapitein FRANSSEN – om naar Amerongen terug te gaan aangezien de duitschers waren doorgebroken. Dicht bij Amerongen werden wij door een Kapitein van de Artillerie weer terug gestuurd. Wij zijn per fiets naar den Grebbeberg terug gegaan. Ter hoogte van het Kerkhof werden wij door de duitschers beschoten. Tengevolge daarvan ontstond er een paniek. Ik heb mij aan de rechter zijde van den weg achter een boom gedekt. De paarden van de munitiewagen van de Batterij 6 veld sloegen op hol. Een Sergeant uit Enschede is per motor waarop de Luitenant Verberne als duo-passagier zat, erachteraan gegaan. Deze Sergeant is daarbij gesneuveld. Majoor van der PLOEG stond op straat met den tamboer naast zich. Hij liet dezen het signaal voorwaarts blazen. Nadien heb ik den Majoor van der PLOEG niet teruggezien.
Ik heb geen duitscher gezien; deze zaten verscholen in het kreupelhout. Ik kwam met eenige anderen waaronder ANALBERS, op een zandweg naast den hoofdweg. Wij werden door de duitschers die in het kreupelhout zaten beschoten. Toen onze patronen op waren zijn wij gegaan naar het viaduct bij de spoorbaan. Onderweg dicht bij het viaduct kwam ik in een huis waar een paar gewonden lagen. Deze heb ik verzorgd.
Ik kreeg opdracht om een loopgraaf te graven naar het 1e huis achter de spoorbaan. Af en toe viel er een schot. In de loopgraaf heb ik gezeten tot 2e Pinksterdag 's avonds. Sergeant VAN DER WERFF zag ik in de loopgraaf voor het eerst op 2e Pinksterdag tegen 8 à 10 uur 's morgens, toen ik uit een nis in de loopgraaf munitie ging halen. Sergeant VAN DER WERFF zat aan de andere zijde van de loopgraaf dan ik.
In de loopgraaf zaten verder ANALBERS, Korporaal FABER, RADEMAKER en een mij onbekende soldaat uit Rijssen, die gesneuveld is.
's Middags tegen 14.00 uur werd van de overzijde van den spoorbaan uit een huis geschreeuwd: "niet schieten, wij zijn Hollanders". Er kwamen een aantal Hollandsche krijgsgevangenen uit, die in hun hemd liepen. Zij gingen het viaduct over. Op dat moment ging ik water halen in het 2e huis achter den loopgraaf. Het eerste huis achter de loopgraaf was stuk geschoten. Bij de krijgsgevangenen ontmoette ik Korporaal de MOET, die geen geweer en helm meer had. Ik heb hem den helm gegeven van den naast mij in de loopgraaf gesneuvelden soldaat uit Rijssen.
De Kapitein GELDERMAN is tegen 16.00 uur weggegaan om munitie en versterking te halen. Vóór hij wegging zei hij tegen ons, dat wij spaarzaam met de munitie moesten zijn. Tot ongeveer 18.00 uur hebben wij het volgehouden. Toen waren al onze patronen op. Een 1e Luitenant van de Pag. (HOLLERT) gaf opdracht terug te gaan. Achter elkaar zijn wij door de loopgraaf naar het 1e huis daarachter terug gegaan. Ik ging tegelijk met ANALBERS, RADEMAKER en FABER.
Uit de kelder van het 1e huis achter de loopgraaf zijn 's middags in opdracht van den Kapitein GELDERMAN, 2 soldaten gehaald, die zich daar schuil hielden. De Kapitein GELDERMAN heeft ze in de loopgraaf opgesteld bij de W.C. [M.C.?]
's Middags tegen 14.00 uur sprong het viaduct. Er is eerst een beschieting van artillerie geweest, welke 's morgens tegen het licht worden reeds was begonnen. De granaten vielen dicht in de buurt van onze stelling.
's-GRAVENHAGE, 17 April 1947
(get.) H.A. van Spronsen
|
