Verklaring van dienstplichtig soldaat J. Gerritsen
Verklaring van den dienstplichtig soldaat J. GERRITSEN van Verbindingsafdeeling
Staf-I-8 R.I. afgelegd in de vergadering der Commissie Militaire Onderscheidingen
d.d. 10 Maart 1947.
---
Ik heb samengewerkt met HAGEN en VAN HAL in den commandopost van Kapitein COLETTE. Deze Kapitein heeft een minder aardigen indruk op ons gemaakt. Hij heeft ons tweemaal verlaten. De eerste keer was in den nacht van Zaterdag op Zondag. 's Zondagmiddags heeft hij ons omstreeks 12 uur verlaten en is niet meer teruggekeerd. Wij zijn toen met zijn drieën achtergebleven. Wij hebben zelf de leiding genomen. Wij zijn gebleven tot Zondagmiddag. Het commando was uit elkaar geslagen; er was geen verbinding meer en wij konden ook geen verbinding meer krijgen. Wij hebben geprobeerd Majoor LANDZAAT te bereiken om de verbinding te herstellen. Wij zijn daar naar toegegaan (onder vuur). Wij hebben zooveel mogelijk berichten vernietigd, maar wij hadden ook berichten bij ons.
Even voor Ouwehands Dierenpark op de grens van het kerkhof en het eikenhakhout lag een sectie mitrailleurs. Deze vuurden op den weg. Wij hebben aan Kapitein VAN DIJK teekenen gegeven om te trachten het vuur te doen stoppen. Hij zag echter gauw, dat wij Hollanders waren. Er was nog een Vaandrig bij ons, die gewond werd; de naam weet ik echter niet.
VAN HAL en ik zijn bij den Majoor gekomen. Wij kwamen buiten om de kelder in, waar Luitenant DE JONG ons heeft ingelaten (hij was de adjudant van den Majoor). De Luitenant SLUYTER [Schlüter] was ook aanwezig. De centrale stond bij den Majoor in de kelder.
Wij hebben den Majoor onze wederwaardigheden verteld en hoe het er bij stond. Wij hebben hem gezegd, dat wij geen verbinding meer hadden en dat de vijand in de nabijheid zat.
De Majoor heeft toen aan ons gevraagd of wij met een patrouille terug wilden gaan om te kijken hoe de zaak er voor stond. Wij zijn teruggegaan en zijn gekomen tot bij de villa van Dr. VAN DER HULST. Wij konden niet verder komen. Ik heb met KEES BLES in een granaattrechter onder een boompje gelegen, onmiddellijk tegen het hek van het huis. Wij vertrouwden het toen niet langer, want er werd geschoten; wij zijn teruggegaan in het huis van den dokter. Toen wij in het huis waren, kreeg dit een treffer. Ik stond met BLES voor het raam tegen een linnenkast aan. De treffer ging dwars door de kast heen; versplinterde het glas van een vaste waschtafel; het was een ravage. Toen wij daar even zaten, kwam Luitenant DE JONG met Luitenant SLUYTER binnen. Deze gaf ons opdracht om een poosje te gaan rusten, want de slag was op komst. Het was de avond van den 12en Mei.
Wij zijn toen naar het Paviljoen gegaan, en daar hebben wij den nacht doorgebracht op den beganen grond, in de achterkamer. Wij hebben daar gelegen tot de schemering. Wij lagen zoo, dat wij het uitzicht op den weg hadden. Wij lagen op de buik te slapen. Een paar hielden de wacht. Van deze manschappen waren er weinig van de Verbindingsafdeeling, er waren voor mij veel vreemden. Onder andere was VAN HAL, BLES, DELGIJER en Luitenant SLUYTER aanwezig. Ik denk, dat wij met een 30 man waren.
Toen het begon te schemeren, zag ik iemand op den grooten weg loopen. Ik kon niet onderscheiden, wie het was. Het was een militair met zijn armen over elkaar. Sergeant VAN DOORN heb ik attent gemaakt op dezen man. De militair kwam terugloopen en toen heeft de Majoor bevel gegeven te schieten. Volgens den Majoor was het een Duitscher.
Toen ik nog eenigen tijd gelegen had, gaf de Majoor mij opdracht om met hem mee te gaan. Wij zijn uitgegaan met nog een paar soldaten. De namen kan ik niet zeggen.
Het Paviljoen ligt ongeveer 50 meter van den grooten weg. Langs dezen grooten weg loopt een berm. Ik werd gezet achter de zuil van Ouwehands Dierenpark. Het was de inrit van Ouwehands Dierenpark. Ik stond daar, toen liep de Majoor alleen het weggetje in, richting Ouwehands Dierenpark. Plotseling werd op mij en op den Majoor geschoten. Ik wilde tegen den Majoor zeggen, dat er een Mof in de boom zat; ik zag hem op dat moment. Wij hebben niet op hem geschoten, omdat wij de zon in ons gezicht hadden en wij alleen maar over een karabijn beschikten. Ik ben met den Majoor teruggeloopen; de anderen waren weg. Wij kwamen in het Paviljoen terug en toen heeft de Majoor opdracht gegeven om direct den Duitscher onder vuur te nemen. Ik had een lichten mitrailleur bij een dooden militair zien liggen en die ben ik gaan halen. Hij lag precies op de hoek van het weggetje van Ouwehands Dierenpark en den grooten weg. Ik kwam terug met den mitrailleur; deze was echter defect. Ik kon de mitrailleur niet herstellen, ik was hier niet mee op de hoogte. Ik ben vervolgens de mitrailleur-gereedschapstasch gaan halen, welke ook bij den dooden militair lag. Er werd tijdens deze tochten steeds geschoten (geen artillerievuur). Toen de mitrailleur in orde was, heeft de Majoor hem zelf bediend. (Kapitein HÖPINK van de pag. heeft nog getracht mij eenige theorie van dezen mitrailleur te geven).
De Majoor heeft ergens een ruit uitgeslagen, heeft de mitrailleur op een tafel gezet en vervolgens door dit raam geschoten. Ik ben daar gebleven en heb met een karabijn geschoten; ik ben niet naar de kelder geweest.
Ik ben ook nog even naar boven geweest en toen ik naar beneden kwam, viel er iemand boven op mij. Het was een soldaat uit Tiel. Hij was in de schouder getroffen; ik heb hem naar de kelder gebracht.
Bij ons boven, is nog iemand van Joodsche bloede binnengekomen, genaamd CHOTZEN. Het was een typeerend iemand. Hij zette een stoel met den rug naar den weg van Ouwehands Dierenpark, zette hierop de foto van zijn gezin en schoot zoo op den weg. Hij heeft nog een wond in de kaak gekregen.
Ik heb ook nog Kapitein DALES helpen verbinden. Deze is gewond door blijven schieten.
Ik ben daar gebleven totdat de Majoor gezegd heeft, dat wij moesten vertrekken. Hij heeft ons bedankt voor de eer aan het Vaderland bewezen. Iemand heeft nog tegen den Majoor gezegd, dat hij mee moest gaan.
Er was een gang van het Paviljoen naar het Hotel "Grebbeberg". Deze gang gaf geen aansluiting met het Hotel. Wij moesten uit den gang over een raam springen, dan pas kwamen wij in het huis (keuken). Toen wij in de kelder van het Hotel kwamen, werden wij krijgsgevangen gemaakt. VAN HAL was er ook bij. Het Hotel brandde al; wij zijn door de Duitschers uit het keldergat getrokken.
Toen wij nog in het Paviljoen waren, heeft de Majoor gezegd: "Ik volg jullie". Ik vermoed echter, dat het hem niet gelukt is, omdat het Paviljoen al in brand stond. Boven in de nok van het huis was een granaat terecht gekomen.
Korporaal HOPPINGA [Hottinga] heeft in de achterkamer met een revolver geschoten.
Over ROEFS kan ik niets bijzonders mededeelen.
VERHOEVEN is gesneuveld. Hij kwam uit Oosterbeek; zijn voornaam ken ik niet.
Naar aanleiding van de voorgelezen verklaring van ROOS; "Ik kan mij niet herinneren, dat ROOS den mitrailleur met mij gehaald heeft."
's-Gravenhage, 10 Maart 1947.
(get.) J. Gerritsen.
Opgenomen: K.
|
