Verklaring van majoor G.P. de Kruijff

Verklaring afgelegd door den Luitenant-Kolonel, destijds Majoor der
Cavalerie G.P. de KRUIJFF van Staf-4 R.H. op 28 April 1947.
----

Ik was 2e Hoofdofficier bij het Regiment.
Ik heb in het gebied van Oosterbeek de versperringen en vernielingen gecontroleerd. In den weg Ede - Arnhem zou een tankgracht gemaakt worden door burgerpersoneel uit Arnhem. Deze kwamen echter niet. De Ritmeester VAN DER VOORT VAN ZIJP, die daar met zijn Eskadron zat, heeft toen zelf voor het maken van deze tankgracht zorg gedragen.

Op een gegeven moment, toen ik op den commandopost bij Langenberg was, kwam bericht, dat Duitsche tanks in aantocht waren. Toevallig kwam een groote trailer, die ik vlakbij den commandopost over den weg heb laten zetten. Ritmeester FEIST was namelijk nog niet klaar met de versperring.

Op een gegeven moment kwam bericht, dat het Eskadron NIJHOF bij Oranje-Nassau-oord bij Renkum het niet meer houden kon. Dit Eskadron lag onder vuur van twee kanten. De Overste DE MAREES VAN SWINDEREN gaf toestemming aan Kapitein NIJHOF om, indien noodzakelijk, op eigen initiatief terug te gaan. NIJHOF is over Wageningen - Rhenen teruggegaan. Bij het springen van de poort in de spoorbaan over den weg Oosterbeek - Arnhem is hij door een scherf in zijn enkel gewond. Ik heb gezien, dat hij in zijn commandopost, een café te Oosterbeek, waar ik op 10 Mei geweest ben, werd verbonden. NIJHOF heeft ook nog een wagon kolen laten werpen op een punt in den weg Arnhem - Oosterbeek bij het viaduct, waar de versperring nog niet was tot stand gebracht.

Later is Kapitein NIJHOF teruggegaan naar Oranje-Nassau-oord, waar hij een vuurgevecht heeft geleverd met Duitsche stoottroepen, die onder andere van artillerie waren voorzien. Ook heeft hij onder eigen artillerievuur gelegen. De Legerkorps-artillerie van IIe Legerkorps zou vuur brengen op verschillende punten. Terzake was overleg gepleegd met Majoor GEEL. Blijkbaar is dus één van deze punten geweest de plaats, waar NIJHOF zat. Het vuurgevecht met de Duitsche stoottroepen vond plaats ter hoogte van het Pompstation aan den weg Wageningen - Renkum.

Er kwam bericht, dat de Duitschers optrokken langs de spoorlijn Arnhem - Ede. Overste DE MAREES VAN SWINDEREN heeft het Eskadron BIJMA er heen gezonden. Dit Eskadron had de bruggen over het Apeldoorn-Dierensch kanaal vernield en is later op order teruggegaan naar Den Haag.

Het Regiment is op 10 Mei 's avonds teruggegaan over Ede-De Klomp naar Leersum. Op 11 Mei 's middags hebben wij een vliegtuigaanval van 1 vliegtuig gehad. Daarna zijn drie Eskadrons uitgestuurd onder andere naar Maarn en Maasbergen voor jacht op parachutisten. Alleen de Ritmeester FEIST heeft met een paar parachutisten voeling gehad, welke echter niet gevangen zijn genomen. Kort daarna kwam de opdracht, dat de Eskadrons moesten terugkomen. Ik heb ze opgehaald. De Eskadrons MAZEL en FEIST, die bereden waren, zijn op rijwielen gezet. De paarden zijn achtergebleven en later door MAZEL in Westelijke richting vervoerd. De Eskadrons zijn in de nacht van 12 op 13 Mei ingezet bij de spoorlijn te Rhenen, vanaf den Rijn tot - naar ik meen - paal 25. De volgorde was: Eskadron VAN PALLANDT tot aan den weg Rhenen - Wageningen; Eskadron FEIST tot aan paal 25.
De Ritmeester VAN DER VOORT VAN ZIJP is eerst in het voorterrein geweest om Kruiponder te hernemen. Halverwege is hij ingevolge order teruggenomen en ingezet aan de spoorbaan. Hij was vermoedelijk haaks omgebogen vanaf paal 25. In de bosschen Noord van den commandopost IVe Divisie kregen wij tegen ongeveer 24.00 uur de opdracht voor bovengenoemde stelling. De Overste zat aan den Nieuwe Veenendaalschen weg in den commandopost van II-19 R.I., terwijl ik zelf in een huis zat ter hoogte van de Israëlitische begraafplaats Noord-Oostelijk van de oude watertoren.

Bij het aanbreken van 13 Mei begon het Duitsche artillerievuur. Ik zat toen met den 1e Luitenant VAN LITH DE JEUDE in mijn commandopost. Er viel een schot voor het huis, daarna één er achter. Wij zijn toen weggegaan naar een ander huis iets Noordelijk van Vreewijk, ongeveer 300 meter Noordelijker. Nauwelijks waren wij daar aangekomen of de artillerie schoot door het dak. Weggaande, zag ik een loopgraaf achter den weg, welke loopt van Rhenen in Noord-Oostelijke richting. Hierin bevond zich onder andere een zware mitrailleur. Verder heb ik aldaar niets gezien. Deze loopgraaf liep naar voren en was verbonden met loopgraven tot aan de spoorlijn. Den geheelen ochtend viel er artillerievuur. Onze taak was het doordringen van den vijand over de spoorlijn te beletten. De Overste had een grootere opdracht; hij was ook Commandant van Rhenen en had het commando over de daar aanwezige troepen. De Ritmeester VAN DER VOORT VAN ZIJP stond niet meer onder mijn bevel, alleen nog de Ritmeesters VAN PALLANDT en FEIST. Ik ben in den loop van den morgen tot aan de spoorbaan geweest, tot even West van het viaduct. De Kapitein GELDERMAN van de Marechaussee heb ik eerst gezien, toen hij terugkwam om munitie te halen. Ik weet niet meer, wie ik bij het viaduct gezien heb. Vervolgens ben ik met den Luitenant VAN LITH DE JEUDE naar den Overste geweest om te hooren wat de Overste van den toestand wist. Ik had geen telefonische verbinding met den Overste. Hierbij werden wij onder vuur genomen uit huizen in den Noordrand van Rhenen. Toen ik goed en wel op den commandopost was, viel daar zwaar artillerievuur. De commandopost (een wit huis), was tot schuilplaats ingericht. In den commandopost waren de Overste en de Majoor VAN APELDOORN van de Infanterie. Van de verhouding tusschen deze twee weet ik niets af. Al heel spoedig kwam er bericht op den commandopost, dat de Duitschers waren doorgedrongen en den commandopost omsingelden. De Ritmeester QUARLES VAN UFFORD, die in reserve was, heeft ons in Noordelijke richting gebracht met onze eigen auto's. Ik liet mijn auto aantrekken en ben achter de auto van den Overste aangereden. De Overste vroeg mij: "DE KRUIJFF ga je mee!", althans gebruikte hij woorden van die strekking. Ik weet niet meer hoe laat het was toen wij weggingen. Wij kwamen onder mitrailleurvuur uit Westelijke richting. De auto's zijn niet beschadigd. Bij den viersprong Noord-Oostelijk van den Koerheuvel sprak de Overste een officier. Langs een omweg zijn wij gekomen op den weg Rhenen - Elst. Alles trok terug. Ik weet niet of de Overste order heeft gegeven om terug te trekken; zelf heb ik dit in geen geval gedaan. Ik heb verschillende wielrijders uit de terugtrekkenden gehaald en een stelling gevormd op een driesprong Westelijk van de Steenfabriek bij Remmerden. Later heeft de Overste vanuit dezen driesprong een patrouille uitgezonden onder commando van den Luitenant HOOFT GRAAFLAND om te zien wat er in Rhenen nog was.

De Overste heeft nog gesproken met den Kapitein LEFÈVRE DE MONTIGNY en is daarna naar Elst gegaan. Wij hebben den Oostelijke rand van Elst bij den weg naar Veenendaal afgesloten. Het was toen al donker. Na eerst in Leersum te zijn geweest, waar VAN RIEMSDIJK in den voet werd geschoten, zijn wij midden in den nacht of tegen den morgen teruggetrokken in Westelijke richting naar Utrecht.

De Overste DE MAREES VAN SWINDEREN was buitengewoon kalm en rustig. Hij gaf zijn orders op flinke wijze en is geen oogenblik zijn hoofd kwijt geweest. De Ritmeester FEIST is ook flink opgetreden. De oogenblikken, die ik tijdens het gevecht met hem in aanraking kwam, was hij rustig.

Ritmeester VAN PALLANDT heb ik alleen gezien, toen wij in den nacht van 12 op 13 Mei met het Regiment aankwamen en hij ons den weg wees. Ik ben met hem eerst per auto, later (in Rhenen) te voet naar Rhenen gegaan. Hij was heel rustig en normaal. Hij heeft mij gewaarschuwd tegen het vuren uit huizen door N.S.B.'ers. Hij was voordien met zijn Eskadron op den Grebbeberg geweest, alwaar het volgens hem een heksenketel was. Hij is naar zijn Eskadron aan de spoorbaan gegaan en ik ben op zoek gegaan naar mijn commandopost.

De Overste DE MAREES VAN SWINDEREN en ik zijn eerst op den commandopost van Kolonel VAN LOON geweest. Uit hetgeen de Kapitein LEFÈVRE DE MONTIGNY aldaar mededeelde, kon ik mij geen juist beeld van de situatie vormen. De houding van den Kolonel VAN LOON kan door mij niet beoordeeld worden; de Kapitein LEFÈVRE DE MONTIGNY gaf de orders, de Kolonel zat er bij.

De Kapitein NIJHOF is vermoedelijk ook in Westelijke richting gestuurd.

De Ritmeester VAN NOTTEN heeft bij Langenberg normaal zijn zaken gedaan.

Luitenant VAN LITH DE JEUDE was zeer goed, buitengewoon rustig. Ik heb hem een keer naar voren gestuurd naar den Ritmeester FEIST. Hij ging zoowel vrijwillig als op mijn last naar voren. Meer dan het goed verrichten van zijn plicht was het echter niet. Ook de door mij geteekende verklaringen betreffende Ritmeester VAN DER VOORT VAN ZIJP en anderen beschouw ik als zoodanig. Alleen voor Kapitein NIJHOF maak ik een uitzondering. Hij is gewond zijnde bij zijn onderdeel gebleven, hetgeen ik zeer waardeer.

's-Gravenhage, 28 April 1947.
(get.) G.P. de Kruijff.

Opgenomen: M.
Typ.: K.

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument
(PDF, 2.12 MB)