Verklaring van reserve-eerste luitenant-adjudant J.P.J. Verberne inzake M. Franssen
IIe LEGERKORPS
Stafkwartier, 19 Mei 1940
Onderwerp:
Aangifte betreffende de
gedragingen van den reserve
Kapitein M. Franssen van
2-III-11 R.I.
Op heden, den 19en Mei 1940, des namiddags omstreeks 15.00 uur verscheen voor mij, G.J.W. Gelderman, Kapitein der Koninklijke Marechaussee gedetacheerd bij het IIe Legerkorps:
VERBERNE, Jacques Pierre Jean,
reserve 1e Luitenant-adjudant van III-11 R.I., geboren 30 Juli 1911, die verklaarde:
"Op 12 Mei jongstleden, des namiddags ongeveer 15.30 uur ging ik met mijn Bataljonscommandant, den Majoor G.H. van der Ploeg van III-11 R.I. op den Grebbeberg naar voren ter verkenning van de stelling van 3-I-8 R.I.
Na verband te hebben opgenomen in deze stelling, waarbij de Majoor door een schot in den voet werd gewond en uitgeschakeld, ging ik verder naar voren. Ik bracht den nacht door bij den Kapitein Brittijn van 3-I-8 R.I. in zijn commandopost. In overleg met deze Kapitein ging ik des morgens daarop, 13 Mei te ongeveer 4 of 5 uur naar den commandopost van I-8 R.I., gelegen nabij de hulpverbandplaats aan den anderen kant van den verkeersweg over den Grebbeberg.
Op mijn terugweg van dezen commandopost, vergezeld van mijn ordonnans den dienstplichtige Kuijpers van 3-I-8 R.I. (thans vermist), werd ik van rechts beschoten door een enkel schot, gelost - naar het geluid te oordeelen - uit een Duitsch vuurwapen. Daarna werd geen vuur meer vernomen doch uit het boschje, van waaruit het schot was gelost, hoorde ik een stem, die zeide:
"Kameraden, höhr mal, nicht schieszen".
Ik antwoordde: "Ich verstehe dich nicht, was ist denn los?"
Na eenige onverstaanbare Duitsche woorden zei daarop dezelfde stem: "Werfen Sie die Waffen weg, dasz wir wissen dasz Sie nicht schieszen"; ik riep terug: "Komm mal her, wir sollen nicht schieszen".
Daarop kwam tot mijn groote verbazing uit dit boschje naar voren de mij bekende Kapitein M. Franssen van 2-III-11 R.I., ongewapend en zonder eenige uitrusting, doch met overjas en helm; hij was vergezeld van een sergeant (waarschijnlijk sergeant Seesing van hetzelfde onderdeel), eveneens ongewapend. De kapitein had mij nog niet kunnen zien, daar ik mij verdekt had opgesteld. Ik beval hem "Linksumher, der weg zurück". Toen ik daarop te voorschijn kwam, zag ik hem schrikken en commandeerde ik "looppas, naar den Bataljonscommandant", waarbij ik hem bedreigde met mijn pistool; na ongeveer 50 meter trachtte hij te ontvluchten naar rechts; ik riep: "Sta, of ik schiet", doch, daar hij niet gehoorzaamde, schoot ik naar hem, waarop hij zich liet vallen. Ik sommeerde hem toen op te staan en bracht hem naar den commandopost van Commandant I-8 R.I., den Majoor Landzaat. Ik meldde daar het voorval, doch de Majoor zeide, nadat hij een onderzoek beloofde: "Het zal wel niet zoo erg zijn". Ik keerde daarop terug naar de hulpverbandplaats om mijn opdrachten verder uit te voeren. Naar ik later heb vernomen, is kapitein M. Franssen gewond geraakt, ik heb hem niet meer gezien".
Vervolgens gehoord den reserve 1e Luitenant Van den Bogerd van 2-III-11 R.I., die verklaarde:
"Ik ben gedurende ongeveer 4,5 maand de oudste luitenant geweest bij de compagnie van Kapitein Franssen. Hij was een zeer onevenwichtig mensch en onaangenaam tegen zijn ondergeschikten. Wij vertrouwden hem niet en verdachten hem van niet-Nederlandsche gezindheid. Ik ben op de hoogte van hetgeen reserve Luitenant Verberne, die mij zulks vertelde, in het bosch op den Grebbeberg is overkomen en achteraf is dit verhaal geen verrassing voor mij".
Door mij, Kapitein, zij nader vermeld, dat na aangifte de koffer met eigendommen van den reserve Kapitein Franssen, welke koffer aanwezig bleek te zijn in het kwartier van bovengenoemde officieren, in hun bijzijn door mij is geopend met verbreking van het slot; dit onderzoek leverde verder niets op; de koffer heb ik voorlopig in beslag genomen en kan, indien niet meer noodig worden opgezonden naar de familie van den Kapitein Franssen.
Stafkwartier te Lopik, 19 Mei 1940
De Kapitein,
(get.) G.J.W. Gelderman
|
