Verklaring van reserve-eerste luitenant F. van Capelle

Verklaring van den Reserve 1e Luitenant F. VAN CAPELLE, Staf-II-19 R.I.,
afgelegd in de vergadering der Commissie Militaire Onderscheidingen
d.d. 20 Februari 1947.
-----

Ik was Adjudant van den Majoor VAN APELDOORN.

Wij waren ingekwartierd bij den Notaris en hadden hier tot Zaterdagavond de commandopost. De commandopost, welke voor den oorlog gereed gemaakt was, lag Oostelijk aan den Wageningschen kant, vlakbij het Oudemannenhuis. Afstand naar schatting 100 meter. Deze commandopost was model ingericht, niet verdedigbaar, want hij was onder den grond. Van hieruit liepen verbindingsgangen naar den Veenendaalscheweg en naar de Mitrailleur-Compagnie. Vrijdag had zich in de onmiddellijke nabijheid van dezen commandopost een afdeeling luchtafweergeschut opgesteld. Deze batterij was een volledige batterij met centrale vuurleiding. Deze bestond o.a. uit eenige Oerlikons en een paar oude grijze mitrailleurs (naam onbekend).
Wij hadden vernomen, dat er hierop een bombardement had plaats gehad. De Majoor vond het toen noodig om te gaan kijken. De Majoor en ik zijn er heen gegaan. Net toen wij er waren, vielen er weer bommen. Er vlogen steeds transportvliegtuigen over, waarop door de batterij gevuurd werd. Plotseling maakte zich echter hieruit een Stuka los, die zijn bommen afwierp. Het ging in een razend tempo. Iedereen zocht dekking. Hierop is niet gevuurd. De bommen vielen op ongeveer 40 meter afstand, in den zachten grond. Er waren twee groote gaten in den weg van ongeveer 4 meter diepte. Door de vliegtuigbommen was de verbindingsgang om naar de stellingen te kunnen komen vernietigd. Van de batterij was de centrale vuurleiding beschadigd.
Ik meen, dat Majoor VAN APELDOORN na den aanval aan zijn hand gewond was.
Na dezen aanval is de batterij verplaatst.
Wij ontdekten in het Rusthuis een geheel versterkten betonnen kelder. Hierin is de commandopost gevestigd. Het was aan den anderen kant van den weg.

Betreffende den aanval bij het sluisje (Grebbeberg).

Er moest 's nachts een aanval gedaan worden op de Duitschers, die de voorposten bezet hadden. De opdracht was een tegenaanval te doen met de blanke wapens en niet te schieten. De Duitschers moesten volkomen verrast worden. Er zouden booten klaar liggen om overgezet te worden. Deze waren er echter niet. Er is hier nog een auto gekomen met materiaal, waarbij de Kapitein der Genie VAN WALSEM aanwezig was.
Toen wij optrokken, begonnen onderdeelen van het 8e R.I., die niet gewaarschuwd waren, te schieten. Door het vuren kregen de Duitschers ons in de gaten. Vooraf hadden wij geen mitrailleurvuur gehad. Zij schoten lichtkogels af.
De Majoor en ik zijn naar voren gegaan om contact te zoeken met 8 R.I. Hij heeft bevel gegeven om niet te schieten. Dit kostte veel tijd.
De manschappen moesten over de spanten van de vernielde brug kruipen, welke onder vuur lag. Of er hier verliezen geleden zijn, is mij onbekend.
Intusschen was het reeds laat geworden, het was tegen het aanbreken van den dag. Kapitein VAN WALSEM, Majoor VAN APELDOORN, Kapitein VAN ALEWIJK en ik hebben toen de "koppen bij elkaar gestoken". De Majoor wilde den aanval eerst nog doorzetten, maar wij vonden, dat het geen zin meer had, mede omdat wij alleen wisten, dat de Duitschers tusschen Grift en Wageningen in de stellingen van III-8 R.I. zaten, maar verder geen bijzonderheden wisten. Een verrassing was toch verder totaal uitgesloten. Het bataljon is daarop teruggegaan; de aanval is niet verder doorgezet.
Van het Oudemannenhuis was er een telefonische verbinding met den Divisiecommandant. Deze lijn is opnieuw aangelegd. Wij hebben hiermede regelmatig contact gehad. Later was de verbinding verbroken.
's Nachts was 4 R.H. met Overste VAN SWINDEREN bij ons gekomen. Deze heeft toen het commando overgenomen. Deze groep Huzaren is echter Maandagochtend weer vertrokken zonder eigenlijk verder iets te zeggen. Wij waren zeer verwonderd. Hij heeft den Majoor VAN APELDOORN niet gezegd wat er ging gebeuren en heeft hem ook niet het commando weer overgegeven.
Daarna ben ik door Majoor VAN APELDOORN voor opheldering gestuurd naar den Commandant IVe Divisie. Ik ben achter om Rhenen heengegaan langs het Hotel "Koerheuvel". Wij zijn ook nog op den grooten weg geweest. Hier lagen overal uitrustingsstukken van de terugtrekkende troepen. KROOSHOF was chauffeur van de auto. Met deze wagen is niets gebeurd, alleen de voorruit was beschadigd.
Tegen pl.m. 12.30 uur arriveerde ik bij den Kolonel VAN LOON. Ik heb hem persoonlijk gesproken; hij zat alleen. Ik heb hem mijn opdracht verteld, waarop de Kolonel antwoordde, dat Majoor VAN APELDOORN weer het commando had. Ik heb hem verder nog medegedeeld, dat ik overal terugtrekkende troepen gezien had. Hij zei mij hierop: "De tegenaanval, die vanmorgen begonnen is, gaat goed. Waarschuw de menschen, die U tegenkomt, dat zij teruggaan." De opdracht voor den Majoor VAN APELDOORN was "standhouden", hetgeen ik den Majoor medegedeeld heb. De Kolonel VAN LOON was rustig. Hij vond het niet aangenaam, dat de troepen teruggingen.
Onderweg ben ik nog een Luitenant van de Militaire Politie - CORNELISSEN - tegengekomen. Ik heb hem ook nog opdracht gegeven om de troepen tegen te houden.
Ritmeester FEIST had gemeld, dat er een stelling van ons onbezet was. Majoor VAN APELDOORN en ik zijn dit gaan controleeren. Het bleek echter, dat deze zich vergist had. Het betrof een schijnstelling, die niet bezet was.
Wij zijn langs den rand van de spoorbaan door het terrein gegaan. Hier zaten opstellingen van zware mitrailleurs. Wij zijn doorgegaan naar de 3e Compagnie. (De 1e Compagnie is weggehaald en in het voorterrein ingezet, de 3e Compagnie is toen hier komen te zitten). Daarvoor was de stelling. Kapitein VAN ALEWIJK had hier een paar schijnstellingen. De eigenlijke stellingen lagen aan den harden weg.
Toen Majoor VAN APELDOORN gezien had, wat hij moest zien, is hij achtergebleven. Ik ben verder naar voren gegaan om naar de 3e Compagnie te gaan kijken. Er waren namelijk een paar granaten in een huis ingeslagen. De toestand was er echter rustig.
Toen ik terugkwam van den Kolonel VAN LOON heb ik den Majoor medegedeeld, dat hij op last van den Divisiecommandant stand moest houden. Ook heb ik hem ingelicht over de terugtrekkende troepen. Er schijnt ook bericht ontvangen te zijn van den Regimentscommandant, dat wij terug moesten trekken. Het heele Regiment trok terug. Wij hadden dus nu tegenstrijdige orders. Wij hebben dit met elkaar besproken. Ik had niet den indruk, dat Majoor VAN APELDOORN terug wilde.
Kapitein WEZEPOEL en ik zijn toen naar voren gegaan om te bekijken, hoe de toestand er in het voorterrein voorstond. (Ik heb zelf toestemming aan Majoor VAN APELDOORN gevraagd). In onze stelling hadden wij veel vreemde troepen gekregen zonder veel verband.
Toen wij naar voren gegaan waren, kwamen er vliegtuigen. Toen de bommen gevallen waren, zag ik uit het gebied, waar de troepen lagen (onbekend van welke onderdeelen), manschappen uit de loopgraven oprijzen, teneinde terug te trekken.
Ik zag hier twee officieren, aan wie ik gevraagd heb, wat ze gingen doen. Ze antwoordden, dat ze gingen terugtrekken. Ik zei hun echter, dat er geen Duitschers waren. Het is mij niet gelukt ze terug te krijgen. Ik zag ook nog een stel soldaten met een witte vlag. Deze diende, dat er geen eigen troepen op hen zouden schieten. Zij hadden opdracht om terug te trekken. Ik heb ze door laten gaan, omdat zij - volgens opdracht - een zeker punt moesten betrekken.
Ik ben Kapitein WEZEPOEL kwijtgeraakt. Kapitein WEZEPOEL heeft onder zijn manschappen een paniek bezworen. Hij heeft het heel flink gedaan.
Vervolgens zag ik de 3e Compagnie ook op staan. Hier kwam ook al beweging in om terug te trekken. Ik ben toen naar den Majoor gegaan en heb hem gezegd: "De stellingen worden verlaten, alles trekt terug." De Majoor is daarop naar achteren gegaan om in den boschrand een stelling te formeeren, omdat hij niets meer voor zich had.
Ik ben weer teruggegaan om de Verbindingsafdeling - die nog in het terrein zat - te waarschuwen, dat de zaak terugtrok. Ik wilde hen niet in de steek laten.
Toen ik terugkwam, was de Majoor weggetrokken met den verderen Staf. Ik ben hem verder kwijtgeraakt tot in Amerongen.
Ik ben vervolgens Kapitein WEZEPOEL weer tegengekomen. Wij zijn nog even teruggegaan en hebben den Majoor BENDER (of DEKKER), Commandant 11e Grensbataljon, ontmoet, die op de troepen stond te wachten; hij scheen het verband kwijt te zijn.
Kapitein WEZEPOEL en ik zijn verder gegaan, wij wilden naar den Divisie-commandopost. Onderweg kwamen wij Luitenant KUIPER (van ons onderdeel) tegen, die Commandant van de Divisiewacht was. Deze had hooren zeggen, dat de Divisie-commandopost verlaten was. Er waren bommen gevallen en als gevolg daarvan was er een paniek geweest. De heele zaak was ontruimd. (Waarom de Divisiecommandant weggegaan is, weet ik niet).
Wij zijn doorgegaan en hebben nog met Kapitein PUFFIUS en Kapitein LE FÈVRE DE MONTIGNY gesproken. Deze laatste zei, dat de Divisie bij Elst was, waar ze bezig waren nieuwe stellingen te maken. Ik heb nog tegen hem gezegd, waarom de stellingen toch verlaten werden, er waren geen Duitschers. De Kapitein zei er echter niet veel op. Ik kreeg echter wel den indruk, dat hij hevig het land had over den gang van zaken.
Daarna zijn Kapitein WEZEPOEL en ik nogmaals teruggegaan naar onze stellingen; deze waren verlaten; geen Duitscher was echter te zien.
Ik vond den toestand ook uiterst bevreemdend. Ik heb persoonlijk de schuld van het terugtrekken gegeven aan de vreemde onderdeelen, die op de stellingen terugvielen.

Betreffende WUNDERINK en KNOL.

Deze hebben vrijwillig berichten overgebracht, omdat zij motor konden rijden, terwijl de normale ordonnansen slechts over rijwielen beschikten. De wijze, waarop zij het gedaan hebben, was voor volle 100% in orde.

KROOSHOF heeft munitie geladen in een vrachtauto. Verdere bijzonderheden kan ik echter niet mededeelen. Hij heeft moedig met vrachtauto's en personenauto gereden, hoewel één hand niet bruikbaar was.

's-Gravenhage, 20 Februari 1947.
(get.) F. van Capelle.

Opgenomen: K.

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument
(PDF, 1.87 MB)