Verklaring van reserve-eerste luitenant J.P.J. Verberne

Verklaring van den Reserve 1e Luitenant J.P.J. VERBERNE Jr., Staf-III-11 R.I.,
afgelegd in de vergadering der Commissie Militaire Onderscheidingen
d.d. 10 Februari 1947.
----

Ik ben op 3 Januari 1940 benoemd tot Luitenant-adjudant van Majoor RICHTER. Kapitein Mr.Dr. M.H. FRANSSEN was Kapitein-adjudant. Majoor RICHTER was oud-kringleider van Lochem; hij was in 1932 of 1933 uit de N.S.B. gegaan. Hij werd destijds verdacht van een onjuiste constructie van zijn opstelling in Renswoude; deze is practisch onbruikbaar gebleken.
Kapitein FRANSSEN was zeer slap. Hij werd voor den oorlog verdacht van N.S.B.-schap.
Van den aanvang af heb ik noch Majoor RICHTER noch Kapitein FRANSSEN vertrouwd.
Majoor RICHTER is gestuurd naar depôt Delft wegens onbetrouwbaarheid. In zijn plaats is ongeveer anderhalve maand voor den oorlog Majoor VAN DER PLOEG gekomen. Wij hebben hem direct ingelicht. Hij was echter zeer voorzichtig; liet zich niet uit.
Kapitein FRANSSEN is benoemd tot Commandant van de 2e Compagnie.

Opdracht werd ontvangen op te rukken richting Grebbeberg om daar de stoplijn in den Grebbeberg te bezetten. Er waren geen verdere gegevens; alleen zou de vijandelijke sterkte daar uit 15 à 20 man bestaan. (Later is echter gebleken, dat dit niet het geval was; de sterkte was zeker 6.000 man).
Majoor VAN DER PLOEG heeft mij toen opdracht gegeven om ordonnans te spelen, teneinde de verspreide onderdeelen van de Mitrailleur-Compagnie te waarschuwen, dat zij zich moesten verzamelen. Het verzamelpunt van het Bataljon was vóór den Grebbeberg in Rhenen. Het geheele Bataljon is verzameld en opgerukt in colonne-verband. (Ik was er niet bij). Toen het Bataljon het viaduct in marsch-colonne was gepasseerd, heeft Majoor VAN DER PLOEG de verschillende compagnieën verspreid in het terrein.
Op een gegeven moment, toen de Grebbeberg opgerukt werd langs den grooten weg, werd er in front zwaar mitrailleurvuur van den vijand ontvangen. Het mitrailleurvuur kwam Oost van de stoplijn, over de stoplijn heen langs den weg. Na oriëntatie bleek, dat wij ons even achter de stoplijn bevonden, die wij moesten bezetten. (Ik heb Majoor VAN DER PLOEG ontmoet even voor de stoplijn).
Door het hevige mitrailleurvuur liepen de mitrailleurschutters weg. Majoor VAN DER PLOEG heeft toen zelf een mitrailleur bediend, welke op een kar geplaatst stond. De Majoor werd gedurende dit vuren gewond. Hij is niet direct afgevoerd. Hij is blijven commandeeren tot hij bijna flauwviel door het bloedverlies. (Het was ongeveer 10.30 uur, toen wij op den Grebbeberg kwamen).
Ik was hier echter niet bij, omdat ik opdracht van Majoor VAN DER PLOEG had om de stoplijn te verkennen, omdat ons niets bekend was. Wij hadden ook geen kaart. Het bevel – om de stoplijn te bezetten – is vermoedelijk ontvangen van den Divisie-Commandant. Wie het bericht overgebracht heeft, weet ik niet.
Ik ben naar voren gegaan om de stoplijn te verkennen. Ik heb verbinding gezocht en gevonden met den Commandant van 3-I-8 R.I., Kapitein BRITTIJN. Deze bevond zich in zijn commandopost even achter de stoplijn, afstand ongeveer 45 meter. Ik heb Kapitein BRITTIJN ingelicht hoe de toestand was.
Deze had echter juist tevoren een tegenstoot moeten uitvoeren met de geheele compagnie. Zij hadden zware verliezen geleden; er waren pl.m. 65 man overgebleven. De Kapitein zat in zak en asch. Tijdens dezen tegenstoot hadden de Duitschers zich niet laten zien. Toen de manschappen van Kapitein BRITTIJN tot op ongeveer een halve meter afstand genaderd waren, werden zij weggemaaid. Toen zij teruggetrokken, hadden zij vuur in den rug van eigen troepen ontvangen.
Ik ben van de commandopost van Kapitein BRITTIJN teruggegaan naar mijn bataljon. Het was intusschen donker geworden. In het donker kon ik mijn bataljon niet meer terugvinden, wat mij zeer verbaasde. Ik kon geen mensch terugvinden.
(Gebleken is, dat Kapitein FRANSSEN als plaatsvervangend Bataljonscommandant order heeft gegeven om terug te trekken, zonder bevel te hebben ontvangen van hoogerhand. Wij hebben den indruk gekregen, dat het gebeurd is uit lafheid).

Ik heb den nacht in den commandopost van Kapitein BRITTIJN doorgebracht; ik had besloten den volgenden dag (13 Mei) weer naar mijn bataljon te gaan. In dezen commandopost was het een groote wanorde. Kapitein BRITTIJN trok zich nergens iets van aan. Hij lag op zijn kribbe; als er moeilijkheden waren, moesten de jongens die maar zelf opknappen. Leiding was er niet. Dit was voor hen ook zeer vermoeiend, omdat zij niet afgelost werden. Ik heb in dezen nacht op den commandopost nog Kapitein DE WEZE [Dewez?] ontmoet, die verslag uitbracht. Hem nog opdracht gegeven de linkervleugel van Kapitein BRITTIJN te versterken; het is mij echter onbekend wat hiervan terechtgekomen is.
Doordat de Kapitein BRITTIJN niet regelend optrad, heb ik besloten de leiding in handen te nemen. Ik heb Kapitein BRITTIJN om een ordonnans gevraagd om aan den Bataljonscommandant (Majoor LANDZAAT) den toestand uit te leggen en om versterking te vragen. Toen er niemand bereid bleek om te gaan, ben ik zelf gegaan met den ordonnans KUYPER. Over den heenweg hebben wij drie kwartier à één uur gedaan. Wij ontvingen steeds vuur; het kwam voornamelijk uit de boomen; wij moesten steeds dekken. Het is gebleken, dat het zoogenaamde trikmunitie was. Over den terugweg hebben wij maar één kwartier gedaan. Wij waren toen wat onvoorzichtiger, omdat wij bemerkten, dat dit vuur maar weinig uitwerking had.
Bij den Bataljonscommandant gekomen, heb ik hem den toestand uitgelegd. Het was ongeveer 8.30 à 9.00 uur in den ochtend.
Majoor LANDZAAT heeft toen de opdracht gegeven om stand te houden, koste wat het kost. Hij deelde mede, dat er geen versterking aanwezig was; er was zelfs geen verbinding meer met den Regiments-commandopost. Er was ook geen verbinding meer te maken; zij waren ingesloten door de Duitschers. Ik heb hem nog medegedeeld, dat standhouden zeer moeilijk was, omdat wij ieder uur 10 tot 12 man verloren, zoodat wij binnen drie uur heelemaal geen troepen meer zouden hebben. Ik moest echter aan Kapitein BRITTIJN doorgeven stand te houden.

Op den commandopost van Majoor LANDZAAT bemerkte ik, dat deze nog over weinig munitie en wapens beschikte. Ik heb toen met een sergeant – ik meen SLOOTEN – en den ordonnans KUYPER een zwaren mitrailleur op een trekkar van de Mitrailleur-Compagnie opgehaald en deze vol met munitie geladen. Wij hebben hem toen gezamenlijk naar den commandopost van Majoor LANDZAAT getrokken. Dit gebeurde onder zwaar mitrailleurvuur van den vijand. Majoor LANDZAAT heeft hierom niet verzocht; ik heb dit op eigen initiatief gedaan.
Ik ben vervolgens met den ordonnans KUYPER den weg overgestoken – welke onder vuur lag – om bij de hulpverbandplaats 2 man mee te nemen, omdat wij in de opstelling gewonden hadden.
Toen wij op den terugweg waren – het was in de bocht van de Heimersteinschelaan vlakbij den grooten straatweg – werden wij plotseling vanuit den zijkant van den weg toegeroepen: "Wir sind Freunde, nicht schiessen". Uit de dekking kwam tot onze groote verbazing Kapitein FRANSSEN – ongewapend – met zijn sergeant-toegevoegd. (Hij had gedacht, dat wij Duitschers waren). Ik heb hem naar voren laten komen; ik wilde mij overtuigen of het inderdaad Kapitein FRANSSEN was. Kapitein FRANSSEN werd lijkbleek. Ik heb hem gecommandeerd: "Handen omhoog". Ik wilde hem naar den commandopost van Majoor LANDZAAT brengen. Ik heb hem nog gezegd, dat, indien hij zou vluchten, ik op hem zou schieten. Hij is inderdaad gevlucht; ik heb hem toen door zijn rechterheup geschoten. Hij is neergevallen en voorover blijven liggen en hield zich of hij dood was. Ik hield hem echter het pistool voor het hoofd en heb hem gecommandeerd op te staan. Hij is toen huilend opgestaan en strompelde in de richting, waarheen ik hem commandeerde. Ik heb hem naar den commandopost van Majoor LANDZAAT gebracht en daar is hij gebleven. (Luitenant KETELAAR heeft later medegedeeld, dat de sergeant-toegevoegd een shell-shock had).

Vervolgens zijn wij naar den commandopost van Kapitein BRITTIJN teruggegaan. Daar aangekomen, heb ik met den Vaandrig het gevechtsveld overzien. Wij beschikten nog maar over weinig munitie. In dit frontgedeelte hadden wij nog 4 mitrailleurs. Per mitrailleur beschikten wij over twee-en-een-halve trommel; per geweer over 36 patronen. Verder heb ik nog alle munitienissen laten onderzoeken. Hierin bevonden zich handgranaten. Het bleken echter aanvals- en geen verdedigingshandgranaten te zijn. Ik heb nog geprobeerd – met den Vaandrig IN DEN BOSCH – te kijken in hoeverre de troep geoefend was in het gooien met handgranaten. Er was echter niemand, die het beheerschte. Ik heb vervolgens met den Vaandrig en een soldaat deze handgranaten klaargelegd in het stellinggebied.

Kapitein BRITTIJN was er niet vandoor; hij was zeer versuft.

Ik heb toen onmiddellijk het bevel uitgevaardigd niet te schieten, want als er te veel geschoten zou worden met onze geringe munitie, zouden wij er zoo doorheen zijn. Ieder schot, dat gelost werd, werd gecontroleerd.
Wij hebben het zoo eenigen tijd uitgehouden, tot plotseling één der manschappen riep: "Hoera, versterking". Inderdaad zagen wij in de verte soldaten aankomen. Door mijn kijker kon ik echter waarnemen, dat het Duitschers waren.
Langzamerhand werden wij nu Zuidelijk gedrukt. Wij waren aan alle kanten ingesloten.
Ik vond het van weinig nut om ons over te geven en besloot langzamerhand terug te trekken.

Voor dit moment ben ik nog even het vak gaan verkennen van Kapitein RANGELROOY. Er werd later boven [?], in de stoplijn van Kapitein Brittijn hevig gevochten. Het was er een tamelijke wanorde. Een sergeant-majoor van een andere groep was teruggevallen op de stoplijn. Deze had een schouderwond en een shell-shock en riep: "Redden wat er te redden valt, redt je leven". Ik heb daar zoo goed mogelijk de orde hersteld, ik meen met KUYPER, maar dat weet ik niet zeker.
Ik heb daar staaltjes meegemaakt van den persoonlijken moed van den Hollandschen soldaat. Er waren er die in hun eentje rustig op de loopgraaf bleven staan vuren.

Wij besloten nu langzamerhand het front te verkleinen. (Kapitein BRITTIJN was intusschen teruggetrokken).
(Een mitrailleur van de Duitschers bestreek den uitgang van de loopgraaf. Deze mitrailleur is buiten gevecht gesteld).
De aftocht hebben gedekt: Vaandrig IN DEN BOSCH, een ordonnans (vermoedelijk KUYPER) en ik. De ordonnans had opdracht in Noordelijke richting met de handgranaten te gooien, de Vaandrig Oost en ik West. De Vaandrig en ik hebben elkaar afgewisseld.
Wij hebben twee aanvallen met handgranaten afgeslagen. Deze handgranaten had ik in het loopgravenstelsel klaar laten leggen, zoodat wij ze nu met het terugtrekken konden gebruiken.
Voor één aanval zagen wij plotseling een witte ster in de lucht. Deze was door de Duitschers afgeschoten; hierna werd de aanval ingezet. Zij hebben den aanval gestopt, toen wij met de handgranaten gooiden; zij zijn niet onmiddellijk verder opgerukt.

Wij zijn onderlangs den Grebbeberg getrokken, langs de oude trambaan naar het station Rhenen.
Tijdens deze terugtocht heb ik nog een lichten mitrailleur op mijn rug medegenomen. Plotseling werden wij van boven af den Grebbeberg onder vuur genomen. Ik heb den mitrailleur toen op de schouder van Vaandrig IN DEN BOSCH gezet en zoo vuur naar boven afgegeven. Vijftig meter verder heb ik nogmaals vuur afgegeven. Wij zijn vervolgens verder gemarcheerd. Op een gegeven oogenblik kregen wij achter ons artillerievuur. Dit kwam steeds dichterbij. Wij meenden, dat het bedoeld was op de spoorbrug. Het was eigen artillerievuur.

In Elst heb ik mij gemeld bij Kapitein HENDRIKS van den Staf van de IVe Divisie. KUYPER heb ik niet meer gezien.

Betreffende ordonnans KUYPER.

Het was moeilijk een ordonnans te krijgen. Kuyper stond altijd direct klaar. Hij was steeds even actief. Hij riskeerde letterlijk alles. Hij was niet te houden.

[handgeschreven opmerkingen: "Bij vergelijking bleek dit niet een doorslag van het oorspronkelijke stuk te zijn. Na aanbiedend. met drie wijzigingen." en "afdruk, alleen de wijzigingen/aanvullingen van Luitenant Verberne waren in dit exemplaar niet aangebracht."]

's-Gravenhage, 10 Februari 1947 (11 Juni 1949).
(get.) J.P.J. Verberne Jr.

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 1
(PDF, 3.77 MB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 2
(PDF, 3.73 MB)