Verklaring van reserve-eerste luitenant P.F.J.M. Storms
Verklaring afgelegd door den Reserve 1e Luitenant P.F.J.M. STORMS van
M.C.-III-19 R.I. in de vergadering van de Commissie Militaire
Onderscheidingen van 19 December 1946.
------
Ik was op 10 Mei 1940 commandant van de rechter sectie van M.C.-III-19 R.I.
Soldaat OUDE NIJHUIS behoorde tot het rechter stuk van mijn sectie (koepelkazemat 32). De bezetting van deze koepel bestond uit 1 Commandant met 2 of 3 man. Van de bezetting herinner ik mij sergeant VISSCHER, OUDE NIJHUIS, AALTING of PAALMAN.
U leest mij voor een verslag van Kapitein SCHUMAN. Ik geef hierop de volgende toelichting.
11 Mei 1940 viel er artillerievuur op de stelling van mijn sectie. De rechtstreeksche verbinding, die ik met den Kapitein had, werd daardoor verbroken. Mijn commandopost was gevestigd in een boomgaard 100 à 200 meter schuin rechts achter mijn twee linker opstellingen. Ik weet niet of alle secties telefonische verbinding hadden; de stopsectie waarschijnlijk niet.
Ik kan mij niet precies meer herinneren hoelang de verbinding telkens verbroken was, alvorens deze hersteld werd.
Soldaat ESHUIS ken ik alleen van naam, ik heb wel gezien dat iemand de verbindingen herstelde.
De losse opstellingen hadden schietgaten en waren geheel overdekt.
Van ontvangen vuur op Zaterdagmiddag kan ik mij niets herinneren.
De aanvoer van munitie was goed; ook het eten kwam bij ons aan, al was het laat.
Op 12 Mei 's morgens ongeveer 3 uur viel er artillerievuur op mijn sectie. Met mijn sectie heb ik telkens op verzoek van Kapitein WIERSINGA de nevencompagnie gesteund.
Zondagmiddag heb ik bij mijn sectie geen verliezen geleden.
In den loop van Zondagmiddag ontving ik bericht dat Engelsche motorartillerie zou zijn aangekomen bij Amerongen om ons te ondersteunen. Vlak daarop kregen wij echter eigen artillerievuur. Wij hebben een half uur onder dit vuur gelegen. Ik heb hierbij geen verliezen geleden; de aarden opstelling was buitengewoon goed. Mijn menschen waren goed gedekt. Mijn uitkijkpost, die in de loopgraaf stond, stond bloot aan scherfwerking. Mijn opstellingen lagen ongeveer 100 meter uit elkaar. Voor karabijnschutters waren in de borstweer (de loopgraven hadden een borst- en rugweer, evenals de opstellingen, die onderling door een loopgraaf waren verbonden) schietgaten aangebracht. Ik heb in de pantserkoepel steeds vertrouwen gehad.
Ik had geen seinpatronen.
's Avonds om 6 uur verschenen voor mijn sectie soldaten van de sectie van Luitenant VOS, met witte vlaggen, waarop twee van mijn stukken gevuurd hebben. Ik had namelijk kort te voren bevel ontvangen te vuren op alles wat zich in het voorterrein vertoonde. Er kwamen bij mij twee gewonden aan, die in het voorterrein gewond waren. De verwonding was ontstaan door granaatscherven. Waren zij in de stelling gebleven dan zouden zij misschien niet gewond geraakt zijn. Wij hebben hen voorloopig met zakdoeken verbonden.
De terugtrekkende manschappen waren onder invloed van vijandelijk artillerievuur geweest, en toen zij bovendien nog onder eigen artillerievuur kwamen werden zij gedemoraliseerd en verlieten hun opstelling. De stelling in Kruiponder heeft meer vijandelijk artillerievuur ontvangen dan de mijne.
Kapitein WIERSINGA heb ik een of tweemaal gesproken. Hij viel mij toen nog niet op als een minder goed commandant. Hoe hij later is opgetreden weet ik niet uit eigen waarneming.
De tusschenlijn van de Zuidelijke Compagnie was op 12 Mei 's avonds half 10 verlaten. Wij kregen toen vijandelijk mitrailleurvuur.
De groep van 1-III-19 R.I. bleef bij mij zoolang ik haar noodig had in mijn oorspronkelijke opstelling. Toen ik een grendelstelling moest vormen heb ik de groep teruggestuurd naar haar eigen commandant. De grendelstelling werd gevormd op den berm van "den Dijk", front Zuid, de stukken met ongeveer 100 meter tusschenruimte. Er was daar geen graafwerk, ik ben daarmede begonnen.
Op 13 Mei te 0.30 uur kreeg ik bericht dat een tegenaanval zou plaats vinden. 12 Uur 's middags had ik de oude opstellingen weer ingenomen. Toen ik in de grendelstelling zat werd ik geregeld gepasseerd door gedemoraliseerde troepen. Op een gegeven moment hing ik daar volkomen in de lucht. Ik ben naar de commandopost van 1-III-19 R.I., waarbij ik ingedeeld was, gegaan en heb, naar ik meen, aan Kapitein WESTHOF gevraagd wat ik doen moest. Deze zeide mij dat het heele bataljon zijn oude opstellingen weer moest innemen, dus ook mijn rechter sectie. Kapitein BUWALDA heb ik niet gesproken. Deze opmerking in het verslag van Kapitein SCHUMAN is onjuist.
Ik ben de Frieschesteeg afgeloopen om weer in de oude opstelling te komen en ben rechtsaf geslagen de Weteringsteeg in. Aan weerszijden langs deze steeg zag ik de voorste lijn van de aanvallende bataljons liggen; ik ben ze gepasseerd. (Er was naar ik meen een bataljon Jagers bij) Zij lagen in den berm van den weg te eten. Ze lagen niet onder vijandelijk vuur, wel onder het gezicht van den vijand. Het hoofd is gekomen tot eenige honderden meters Noordelijk van den Hardenweg welke loopt van Achterberg naar Kazemat 31. Ik ben linksaf gegaan het terrein in en heb mij naar de oude opstellingen begeven. Ik gaf last deze opstellingen weer te bezetten. Zelf bleef ik in mijn commandopost. Ik ben begonnen met het herstellen van de telefoonverbinding. Het was toen 13 Mei ongeveer 11.30 uur. Toen ik 5 à 10 minuten bezig was ontving ik van alle kanten vuur, hetgeen ik even heb beantwoord totdat onze munitie zoo goed als op was. Van te voren had ik niets gezien, in het hooge groene gras waren de gecamoufleerde Duitschers op 100 meter afstand niet te onderscheiden. Plotseling werd ik omsingeld en gevangen genomen. Ik had 1 korporaal naar achteren gezonden met verzoek om versterking; deze kwam niet terug. Handgranaten waren niet aanwezig. Zoolang wij de Duitschers onder vuur konden krijgen hebben wij gevuurd, doch de vijand lag vrij spoedig binnen den dooden hoek van mijn opstelling. Wij hebben ons daarom moeten overgeven. Toen ik uit de loopgraaf kwam stonden er 40 à 50 Duitschers om mij heen. Tijdens mijn gevangenneming ging van andere zijden het gevecht door. Twee van mijn mannen en eenige Duitschers vielen. Totaal had ik 5 gesneuvelden en 3 gewonden, die op het laatste oogenblik (tijdens het handgemeen) vielen. Van mijn sectie is niemand terug gegaan. Op het oogenblik dat de Duitschers mij omsingelden stond sergeant VISSCHER bij mij, werd zwaar gewond en is later overleden. Mijn sectie was in totaal 38 man sterk.
OUDE NIJHUIS was ontegenzeggelijk een flink militair, die behoorlijk zijn zaken deed. Hij toonde initiatief en had doorzettingsvermogen. Ik heb hem daarom plaatsvervangend stukscommandant gemaakt. Om beurten met sergeant VISSCHER moest hij de aflossing bij mij in den commandopost halen. Als ik in de kazemat kwam trof ik hem steeds in rustigen toestand, hij was nimmer zenuwachtig. Ik heb niet gehoord dat hij de mannen moed in sprak. Voor zoover ik mij herinner heb ik hem niet voor een onderscheiding voorgedragen.
VAN DUINEN heeft zeer lang als nr. 1 achter het stuk gezeten, deels om anderen rust te geven, deels tengevolge van zijn dienstijver. Ik heb dit zelf waargenomen. Hem heb ik wel voorgedragen.
's-Gravenhage, 19 December 1946.
(get.) P.F.J.M. Storms
|
