Verklaring van reserve-kapitein Ir. W.J. Dewez
Verklaring afgelegd door den Reserve Kapitein Ir. W.J. DEWEZ van III-11 R.I.
in de vergadering van de Commissie Militaire Onderscheidingen
op 16 Januari 1947.
-----
Op 12 Mei 1940 werd III-11 R.I. verplaatst van Leersum naar de Grebbe. Ik was aanvankelijk Commandant van 2-I-11 R.I. Deze Compagnie is verdeeld naar ik meen als volgt: 1 sectie ging naar Zeist, 1 sectie naar Driebergen en de rest werd verdeeld over de eerste en derde Compagnie, die naar Rotterdam gingen. Zelf kreeg ik een nieuwe Compagnie van ongeveer 90 man, samengesteld uit diverse onderdeelen, o.a. een sectie van 35 R.I. [22e Grensbataljon] komende uit Westervoort onder bevel van adjudant-onderofficier KLINKSPOOR, voorts een gedeelte van den Staf van het Bataljon en zware mitrailleurs en huzaren.
In Rhenen ontstond op 12 Mei wrijving tusschen Majoor van der PLOEG en Kapitein FRANSSEN. De eerste moeilijkheden ontstonden bij den Holleweg bij den Koerheuvel, waar de Majoor alle troepen liet rusten in een kuil waar de granaten overheen vlogen. De tweede moeilijkheid betrof de legering in Rhenen. De Majoor wilde namelijk alle troepen in het dorp, dat onder artillerievuur lag, onder brengen. De Compagniescommandanten vonden dit niet tactisch. De Kapitein STEENBERGEN was Commandant van de Mitrailleurcompagnie. Ik heb het bevel van den Majoor opgevolgd, de andere Compagniescommandanten hadden geen gelegenheid meer tot inkwartiering.
Op een gegeven moment trok den troep uit Rhenen terug, als gevolg van een terugtrekkende beweging van 8 R.I en van de artillerie. De Majoor van der PLOEG was op dat moment nergens te vinden. Ook de groep van adjudant KLINKSPOOR trok mee terug. Ik heb getracht deze groep nog te achterhalen, hetgeen mij niet gelukte. De rest van mijn onderdeel bleef met een aan mij toegevoegde sectie zware mitrailleurs.
Op een gegeven moment kwam een motorordonnans uit de richting Utrecht, die ik aanhield. Deze had bevelen bij zich waar in stond, dat Rhenen in straatgevechten moest worden verdedigd. Ik heb mijn menschen opgesteld op een kruispunt van wegen midden in het dorp. Toen ik daar een tijd gezeten had kwam de Majoor terug. Hij vroeg mij waar de rest van het Bataljon was en gaf mij opdracht den troep terug te halen. Op mijn advies mocht ik echter blijven zitten. De Majoor is toen zelf den troep gaan halen en kwam met de rest van het bataljon terug. Er ontstond een woordenwisseling tusschen den Kapitein FRANSSEN en den Majoor. Ik had den indruk dat de Majoor overstuur was.
Later zei de Majoor dat wij een tegenaanval moesten doen. Ter hoogte van het viaduct zei de Majoor ondermeer: "de Franschen zijn doorgedrongen over 's-Hertogenbosch - Nijmegen; wij gaan de Duitschers van den Grebbeberg af gooien". Ik vroeg nog naar de opstellingen van eigen troepen enz. doch de Majoor wist het niet. Hij zou een signaal geven (hoornsignaal "voorwaarts") waarop wij moesten aanvallen. Hij gaf de lijn van het aanvalsvak aan. Ik kreeg het vak tusschen den straatweg en den Rijn. Zelf heb ik dit gewijzigd in een strook van 250 meter Zuid van en aansluitend aan den straatweg. Links voor mij lag een open terrein. Vanuit een boschrand kreeg ik over dit terrein vuur. Ik gaf aan een groep opdracht een flankaanval te doen, welke werd uitgevoerd. Het signaal "voorwaarts" kwam daarna. Wij lagen toen in de uitgangsstelling. Wij zijn vooruit gegaan door het kreupelhout en kwamen, na een loopgraaf gepasseerd te hebben, voor een prikkeldraad-versperring. De rechter groep vond daarin een opening 300 meter Zuid van den grooten weg. Daar zijn wij doorgegaan. Adjudant KLINKSPOOR, die ik achteraan had geplaatst is met zijn onderdeel achter gebleven. Eén groep liet ik naar rechts en twee groepen naar den straatweg afbuigen. Toen kwam opeens het signaal verzamelen. Ik begreep niet waarom dit signaal gegeven werd. Wij kregen regelmatig vuur van Duitsche zijde. Wij zijn teruggetrokken, behalve de rechter groep. Ik heb nog naar dezen groep laten zoeken, doch hem niet gevonden. Onder vuur van de Duitschers zijn wij door hetzelfde gat weer door de prikkeldraadversperring gegaan.
In den loopgraaf heb ik mijn menschen achter gelaten. Van een aanval van de bezetting van de stoplijn weet ik niets af. Zelf ben ik naar achteren gegaan om den Majoor te zoeken. Ik trof hem 50 meter achter de stoplijn. Op het punt waar ik uiteindelijk bleef liggen zat één man van de sectie zware mitrailleurs onder hevig vijandelijk vuur met groote koelbloedigheid te vuren. De kogels sloegen in den boom waar hij achter zat. De Majoor stuurde zijn adjudant naar mij toe, doch deze had geen bevelen. De Majoor schreeuwde mij toe dat ik moest vuren op een boschje waarin naar ik wist eigen menschen zaten. Ik heb derhalve niet gevuurd. Wel heb ik den Majoor gezegd dat ik bereid was dit boschje te doorzoeken. De Majoor schreeuwde mij verder toe dat hij gewond was. Ik zei tot hem dat hij dan een vervanger moest aanwijzen. Even later zag ik den Majoor gesteund door een soldaat weg hinken. De Majoor leunde op dezen soldaat. Ik heb niet gezien dat bedoelde soldaat op een motor gekomen is.
Kort daarop ben ik weer naar de stoplijn gegaan, die door het restant van mijn onderdeel bezet was. Ik heb de mitrailleurs op de borstwering laten leggen en posten met handgranaten uitgezet. De linker vleugel was aangeleund aan den straatweg. 's Nachts wilden de Duitschers een aanval doen; wij hoorden fluitsignalen langs de stoplijn over grooten afstand. Aangezien echter één groep van mij (de rechter groep) nog in het voorterrein was heb ik aanvankelijk niet durven vuren. Eerst toen ik uit geschreeuw hoorde dat het Duitschers waren heb ik het vuur geopend en den geheelen nacht onderhouden. De aanval ging des nachts niet door. In den vroegen morgen werd de Duitsche aanval echter tegen het aanbreken van den dag ingezet. Bij ons aan den straatweg kwamen ze naar ik meen tegen 4 à 5 uur in den loopgraaf. Wij zijn door den loopgraaf teruggetrokken in de richting van den Rijn.
Daar stootte ik op Kapitein BRITTIJN, die een gedeelte van de stoplijn vanaf een kromming daarin volledig bezet had. Deze wist van den Duitschen aanval niets af. Hij zeide mij dat zijn bataljonscommandopost in Ouwehands Dierenpark gevestigd was en dat de Majoor LANDZAAT zijn Bataljonscommandant was. Ik stelde de rest van mijn troep (ongeveer 20 man) onder bevel van Kapitein BRITTIJN en ging mij zelf bij den Majoor LANDZAAT melden. Deze gaf mij opdracht te blijven om den commandopost te helpen verdedigen. Ik kreeg aangewezen een hooipakhuis en een villa om deze met ongeveer 20 man te verdedigen. Ik had geen mitrailleurs te mijner beschikking. Op weg naar den Majoor had ik zware mitrailleurs zien liggen. Ik vroeg derhalve wie bereid was één van deze mitrailleurs op te halen, waarop zich twee soldaten aanboden. Na geruimen tijd keerden deze terug met een lichte mitrailleur die zij uit het voorterrein onder de handen van de Duitschers hadden weggehaald, aangezien gebleken was dat bedoelde zware mitrailleurs onklaar waren. De namen van deze soldaten zijn mij helaas niet bekend.
Het hooipakhuis werd al spoedig in brand geschoten. Ik ging terug naar den Majoor LANDZAAT. Deze stond boven aan de trap van het paviljoen met een geweer te vuren en was gewond. Later kregen wij een sterke Stuka aanval, terwijl ook het artillerievuur in hevigheid toenam. Ik was toen weer bij mijn onderdeel teruggekeerd. Ook de villa werd kapot geschoten. Daarna ben ik op handen en voeten weer naar den Majoor LANDZAAT gegaan. Hij lag onder aan de trap en was dood. Ik neem althans aan, dat dit de Majoor LANDZAAT was.
Van den Majoor van der PLOEG ging geen leiding uit. Ik heb in 1940 een klacht tegen hem ingediend en ben op eigen verzoek destijds door kolonel LUCARDIE gehoord. Ik blijf volledig bij mijn verklaring, die ik tegenover dezen Hoofdofficier heb afgelegd.
De Duitschers, die mij gevangen namen hebben mij slecht behandeld. Hoeveel verliezen de Duitschers geleden hebben is mij niet bekend; ik heb gesneuvelde Duitschers op vrachtauto's zien laden.
's-Gravenhage, 16 Januari 1947.
(get.) Ir. W.J. DEWEZ.
Opgenomen M. typ. GTh.
|
