Verklaring van reserve-kapitein J.M. Schleper
Verklaring van den Reserve-Kapitein J.M. SCHLEPER, Commandant 2-III-29 R.I.
afgelegd in de vergadering der Commissie Militaire Onderscheidingen
d.d. 1 Juli 1947.
----
De Bataljonscommandant was de Majoor SCHOTMAN.
Toelichtende opmerkingen bij ingediende voordrachten en gevechtsverslag van ondergeteekende.
Ik had practisch geen aanteekeningen meer.
Het Auto-Bataljon is al een eind voor Amerongen teruggegaan, zoodat wij het laatste stuk moesten marcheeren. De menschen hadden weinig nachtrust gehad en door het telkens halthouden en opstaan was de marsch door het bosch nogal vermoeiend. Tijdens de marsch waren wij niet het voorste bataljon. Het was al 2 à 3 uur na "U" (waarop wij uit de uitgangsstelling voorwaarts moesten gaan), waardoor er weinig tijd was om nog verdere inlichtingen te verkrijgen van den Bataljonscommandant. Ik beschikte over een goede kaart, dezelfde die ik gebruikte in het land van Maas en Waal. Ik denk, dat de eigen patrouille 100 à 150 meter voor ons uit was. Luitenant HARTKAMP is pas later op mijn bevel naar voren gegaan. Ik heb de zware mitrailleurs opdracht gegeven om vuur uit te brengen in het verlengde van de Wetering Steeg om te voorkomen dat deze weg onder vijandelijk vuur zou worden genomen. Ik had maar één officier bij de compagnie en voelde, dat ik de zaak daardoor verder niet in de hand zou kunnen houden, gezien wat er links en rechts van ons gebeurde. Ik heb geen bevel gegeven om terug te trekken, maar de menschen waren niet meer in de hand te houden.
Ik heb de genoemde menschen voorgedragen, omdat ik in aanmerking nam de omstandigheden waaronder zij stand hielden: de compagnie rechts was al teruggetrokken, terwijl links reeds vijandelijke afdeelingen in het terrein waren. Dit alles had een demoraliseerende indruk op de troep. Ik denk dat zij, nadat ik ben weggegaan, nog twee à drie uur hebben standgehouden.
Luitenant HARTKAMP had tot taak om met een patrouille het voorterrein te verkennen en waar te nemen hoe sterk de vijand was. Hij is nog bij mij in de stelling teruggekomen voordat de compagnie wegging. Ik heb KROSSE opdracht gegeven om stand te houden omdat Luitenant HARTKAMP toen op een andere plaats zat. Wij zaten in een verbindingsloopgraaf, omdat dit niet anders kon. Toen HARTKAMP terugkwam van zijn patrouillegang, kwam hij in onze loopgraaf en zat toen ongeveer 100 meter van mij af. Hij zag er toen nogal verschrikt uit, maar dat was heel begrijpelijk, want hij had juist tusschen twee vuren ingezeten. Ik ben toen nog een kwartier bij KROSSE gebleven. Ik heb den Luitenant HARTKAMP niet voorgedragen, omdat ik niet vond, dat zijn algemeene gedrag uitblonk boven het normale, wat men in oorlogstijd van een officier mag verwachten.
Ik ben bij de voordrachten alleen afgegaan op de verklaring van den sergeant KROSSE. Ik heb slechts enkelen voorgedragen, die volgens hem bijzonder hebben uitgemunt.
Wij waren zoo dicht bij den vijand, dat wij tijdens het vuren de Duitschers konden zien vallen, hetzij gewond, hetzij om zich te dekken.
Bij de opdracht aan KROSSE heb ik geen tijd genoemd. De sergeant KROSSE commandeerde de vierde sectie. Er waren ook menschen van de derde sectie bij, zoodat KROSSE aanvankelijk over 5 lichte mitrailleurs moet hebben beschikt.
Ik heb den Luitenant HARTKAMP ook gevraagd over het optreden van deze menschen en hij heeft mij de namen van VAN KLEEF, ONCLIN en VAN DIEREN niet speciaal genoemd.
KROSSE was een buitengewoon flinke sergeant. De groep is met munitie teruggekomen en de meeste menschen hebben hun wapens mee teruggebracht.
Eén is er gesneuveld [A.J. Rison] en circa zeven waren er gewond, waarvan één zwaargewond.
60% van de compagnie bestond uit Amsterdammers, 10% Rotterdammers en de rest voornamelijk uit Twentenaren. De houding van de Amsterdammers vond ik over het algemeen niet zoo schitterend. Die van de Twentenaren was beter.
's-Gravenhage, 1 Juli 1947.
(get.) J.M. Schleper.
Opgenomen: F.M.V.
Typ.: K.
|
