Verklaring van reserve-kapitein J. Piet
Reserve Kapitein PIET, J. van 2-III-11 R.I., verklaart bij zijn verschijning
voor de Commissie Militaire Onderscheidingen, op 3 Februari 1947:
Ik was Commandant van ik meen de 1e sectie. Sergeant LIEMBURG was Groepscommandant.
Op 10 Mei 1940 zijn wij vanuit Amerongen opgerukt naar Leersum waar wij jacht hebben gemaakt op parachutisten. Ook op 11 Mei en in de nacht van 11 op 12 Mei, doch zonder resultaat te boeken, daar het noodeloos alarm bleek te zijn.
12 Mei werd ons Bataljon aangewezen om een tegenstoot te doen op de Grebbeberg onder commando van Majoor VAN DER PLOEG. De heele Mitrailleurcompagnie van het Bataljon, de 2e Compagnie en een onderdeel onder Kapitein DEWEZ. Ons Bataljon kwam onder zwaar mitrailleurvuur. De bediening dekten zich waardoor de Majoor kwaad werd en om een goed voorbeeld te geven naar voren ging, waar hij direct gewond raakte.
De 2e Compagnie werd ingezet aan de Noord of linksche zijde van de kunstweg naar Wageningen onder Commando van Kapitein FRANSSEN. De tegenstoot liep vast achter het intacte prikkeldraad bij de stoplijn. Hier hebben wij in de loopgraaf bij de stoplijn, waar ook nog een bezetting in was, naar ik meen van 8 R.I., onze mitrailleurs opgesteld. Dit was tegen schemering. Kapitein FRANSSEN gaf mij door middel van een ordonnans bevel om achterwaarts terug te trekken. Verzamelpunt Hotel Grebbeberg. Ik heb aan de groepscommandanten onder andere aan Sergeant LIEMBURG, Sergeant LANGEFELD en de 3e Groepscommandant een Sergeant van de School Reserve Officieren Infanterie, naam kan ik me niet meer herinneren, bevel gegeven om met mij terug te gaan naar het verzamelpunt. Dit is niet geheel uitgevoerd, bij het verzamelpunt bleken er verschillende weg te zijn. Ik ben daar aangekomen met Sergeant LANGEFELD. Inmiddels was het heelemaal donker geworden. Ik heb mij daar gemeld bij Kapitein FRANSSEN. Zijn bevel van terugtrekken was naar ik meen, omdat met het oog op het prikkeldraad de tegenstoot geen goede resultaten zou kunnen opleveren. Hij heeft mij hieromtrent niets verteld.
Wij hebben ons verder achteruit verzameld op de groote weg bij Ouwehand's Dierenpark waar Kapitein FRANSSEN ons heeft gelast links en rechts van de weg te gaan liggen, plm. 100 Meter van de weg Wageningen-Rhenen. Wij lagen gewoon in het bosch, er waren geen stellingen. Kapitein FRANSSEN is met Kapitein VAN DER SPEK en Kapitein STEENBERGEN op de weg gaan staan voor de versperring. Ik adviseerde hem, indien hij iets wilde organiseeren, terug te gaan achter het viaduct. Hij zei daarop: "Ik moet wachten op Kapitein DEWEZ", waar hij geen contact meer mede had. Ik weet niet meer hoelang wij daar gelegen hebben. Hierna kregen wij beschieting van duitsche zijde van licht mortier- of artillerievuur. Uit de voorste stelling van de stoplijn kwam een heel stel menschen terug hollen, pal er achter een duitsche aanval. Aan beide zijden van het prikkeldraad ontstond een gevecht waarbij Luitenant VAN VEEN meen ik is gesneuveld. Kapitein STEENBERGEN en Kapitein VAN DER SPEK raakten gewond. Mijn eigen Compagniescommandant heb ik niet meer terug gezien. Door den Kapitein was verzuimd de prikkeldraad-versperring af te sluiten, hoewel de Friesche Ruiters aanwezig waren.
De rest van mijn Compagnie was in een paniekstemming geraakt. Daar ik geen orders meer kreeg heb ik het commando van mijn Compagnie overgenomen, en order gegeven om terug te gaan achter het viaduct. Luitenant KETELAAR van de zware mitrailleurs is eerst terug gegaan en dekte onze terugtocht. Boven de brug brandde 1 lamp waardoor hij kon zien wanneer er Nederlanders over de brug gingen.
Luitenant VAN DEN BOOGERD, Commandant van de neven sectie heeft hetzelfde gedaan als ik. Hierna verzamelden wij ons achter het viaduct en probeerden wij een overzicht te krijgen van de situatie. Ook trachtten wij orde te krijgen in de Compagnie west van het viaduct.
Er was geen orde in te krijgen, de menschen waren gedemoraliseerd. Ik heb ze hierna in een huis laten rusten wat het eenige was om te doen en een wacht uitgezet. Met Luitenant VAN DEN BOOGERD heb ik toen besproken wat te doen, en zijn overeengekomen dat hij persoonlijk zou gaan kijken hoe de verdediging bij het viaduct was ingesteld. Na eenige uren kwam hij terug zonder resultaat. Hij had wel de indruk dat een verdedigde stelling achter het viaduct lag. De zware mitrailleurs, die niet zoo vermoeid waren als wij zijn daar bij het viaduct in stelling gebleven. Later hoorde ik dat er nog een stuk PAG. bij is gekomen. De duitschers hebben 's nachts wel geprobeerd achter het viaduct te komen, maar is niet gelukt.
Toen Luitenant VAN DEN BOOGERD terug kwam hebben wij enkele uren gerust tot plm. 4 uur in den morgen. Hierna zijn wij uit het huis getrokken en bood Luitenant VAN DEN BOOGERD weer aan op verkenning uit te gaan. Na eenige tijd kwam hij weer onverrichter zake terug, hij had nochtans de indruk dat het viaduct nog verdedigd werd. Hij kon niet over het viaduct komen daar de duitschers aan de Oostelijke kant van het viaduct in de huizen zaten. Hij kon geen commandopost vinden. Op dat moment kregen wij van de Militaire Politie bevel terug te gaan op Remmerden. Wij hebben nog getracht voeling te krijgen met de 4e Divisie wat niet gelukte. Luitenant KETELAAR heb ik niet meer gezien. Met Luitenant VAN DEN BOOGERD heb ik alles verzameld wat er aanwezig was.
Om plm. 7 of 8 uur 13 Mei kregen wij bevel van een Stafofficier om bij Remmerden een stelling in te richten ten Zuiden van de kunstweg. Dit heb ik gedaan. Op dit punt vervolgens geprobeerd weer contact te krijgen met de commandopost van de 4e Divisie, die volgens ontvangen berichten in een Boerderij in Remmerden moest zitten, doch tevergeefs.
Wij hebben hier nog enkele duitsche beschietingen meegemaakt. Een beschieting op Rhenen en verder zien beschieten een punt 2 à 300 Meter noord van de kunstweg, waar wij vermoedden dat de Commandopost van de 4e Divisie lag, hetgeen niet juist bleek. Op de rivier werd nog een Nederlandsche kanonnierboot beschoten, die niet werd geraakt. Later lag deze boot in de Sluis bij Vreeswijk.
De Militaire Politie ving daar de achterblijvers op. Via de Militaire Politie kregen wij bevel met het heele stel terug te trekken op Amerongen, dit was tegen de avond. Voordat wij hier aankwamen ving ons een Officier op, bij het Kruispunt Elst, die mij vroeg of ik mijn onderdeel in de hand had. Hij gaf mij opdracht een stelling te betrekken Oost van Elst aan weerszijden van de kunstweg, wat ik deed. Ik zag daar een stuk PAG inbrengen wat niet van mijn onderdeel was. Korten tijd daarna kwam Luitenant VERBERNE mededeelen dat op bevel van den commandant van het 4e Regiment Huzaren wij moesten terug trekken op Amerongen wat wij deden. Onderweg werden wij opgevangen door een Kapitein van de Brigade B, van het Indische Leger, naam onbekend. Later hoorde ik dat deze was terug getrokken uit het Maas-Waal gebied. Hij gaf mij opdracht om met mijn Compagnie een verkenning te verrichten in de richting van het Park Prattenburg in noord-oostelijke richting vanuit de oostelijke rand van Amerongen, met opdracht of de duitschers al zoo ver waren doorgedrongen. Ik meen dat wij gekomen zijn bij de kunstweg die komt van Elst in de richting Veenendaal. Ik heb alleen een verlaten artilleriestelling gezien en een onderdeel van 10 R.I., die terugtrok. Ik ben toen samen met Luitenant VAN DEN BOOGERD verder op verkenning gegaan, en ons onderdeel onder commando van de onderofficieren achter gelaten. Wij zijn geen enkele duitscher tegen gekomen. Hierna zijn wij bij schemering terug getrokken naar Amerongen. De Kapitein van de Brigade was niet meer te zien. Hier hoorden wij dat er een commando-post was in een zendelingenhuis. Bij aankomst bleek er niemand te zijn. Wij behoorden tot de laatste terugtrekkende troep.
Hier ontmoette ik Luitenant VERBERNE, die ons zei dat alles moest terugtrekken achter de Hollandsche-waterlinie. Wij zijn toen via een binnenweg terug gegaan naar Leersum, daar wees ons de Militaire Politie een weg aan via Nederlangbroek en Cothen, omdat dat de eenige weg was die nog droog was en wij niet over de groote weg mochten terug trekken naar Utrecht. Dit was in de nacht van 13 op 14 Mei. In de morgen kwamen wij in Utrecht aan. Hier heb ik eerst brood en kaas gevorderd voor mijn manschappen, plm. 40 man. Vaandrig VERMEULEN was er ook bij, doch hij was niet van mijn Compagnie. Daarna zijn wij van Utrecht naar Jutphaas gegaan waar wij hoorden dat de commandant van de 4e Divisie in IJsselstein zat. Hier kregen wij bevel ons te verzamelen in Vreeswijk, en hoorden wij de bekendmaking van de capitulatie.
Betreffende VAN DEN BOOGERD: In het gevecht heb ik hem niet gezien. Hij heeft zich normaal flink gedragen.
Betreffende Sergeant ROFFEL: Hiervan heb ik gehoord dat hij onder vuur gewonden terughaalde, op zijn motor. Dit vind ik buitengewoon flink. Persoonlijk heb ik het echter niet gezien.
Volgens het verslag dat U mij voorleest Generaal kan ik mij niet voorstellen dat Sergeant Langefeld bij Sergeant Liemburg was, daar deze bij mij was. Dit te goeder trouw daar ik het niet zeker kan zeggen.
Sergeant Liemburg zou in de normale omgangstaal een praatjesmaker genoemd worden.
's-GRAVENHAGE, 3 Februari 1947.
(get.) J. Piet.
Opgem. door: J.v.d.B.
|
