Verklaring van reserve-majoor H. Schotman
Reserve-majoor SCHOTMAN, H., verklaart bij zijn verschijning voor de
Commissie Militaire Onderscheidingen, op 12 Juni 1947:
Ik was Commandant van III-29 R.I.
10 Mei 1940 bevond ik mij met mijn bataljon in Horssen Noord van de Maas. De beide andere bataljons lagen aan de andere kant van de Maas, in stelling.
Wij zijn de hele nacht in stelling geweest.
11 Mei om 04.30 uur kwam er bericht dat alle treinen naar Leeuwen moesten. Om 05.30 uur kreeg ik bericht van de Brigadecommandant dat het bataljon terug moest trekken op Wijk bij Duurstede. Dit heb ik doorgegeven aan het bataljon en de voorposten.
Ik heb gewacht tot de compagniën afgemarcheerd waren, waarna ik met de Staf ben vertrokken. Ik kwam om 3 uur 's middags aan waar ik direct overleg heb gepleegd met Majoor Hillen die daar ook was, om zo snel mogelijk de bataljons te verdelen. Het bataljon is gemarcheerd van Horssen over Tiel naar Wijk bij Duurstede, pl.m. 40 kilometer. Toen zij om pl.m. 4 uur aankwamen konden zij meteen naar hun kwartier. Die nacht hebben zij daar geslapen.
12 Mei is er betrekkelijk weinig gebeurd tot om pl.m. half 4 's middags ik bericht kreeg om af te marcheren naar Amerongen waar ik verdere orders zou krijgen. Er zouden wagens komen. Daar zij niet kwamen zijn wij te voet afgemarcheerd. Na pl.m. 20 minuten kwamen de auto's op de Noordelijke Rijndijk waar wij mee verder zijn gegaan. Na nog voor een vliegtuigaanval gedekt te hebben kwamen wij ongeveer om half 5 's middags in Amerongen.
Na mij bij de Regimentscommandant Overste LAND gemeld te hebben, heb ik het bataljon in Amerongen op verschillende plaatsen opgesteld.
Het 1e bevel was om bij Rhenen stelling in te nemen wat weer werd ingetrokken. Een 2e bevel werd ook ingetrokken. Laat in de avond kwam het 3e bevel om van 12 op 13 Mei over de weg Elst naar Veenendaal te gaan en bij paal 10 naar het Remmersebos te gaan.
Wij zijn om 12 uur in auto's vertrokken. Er kwam veel verkeer van de kant van de Grebbe. Toen wij aankwamen bij paal 10 bleek de helft van het bataljon er niet te zijn, daar dit doorgereden was in de richting Rhenen.
Ik ben het bos ingegaan en de plaats opgezocht waar ik mijn bataljon op moest stellen. De andere helft is gemengd geraakt met I-29 R.I. Deze is later weer bij ons gekomen.
Toen ik bezig was de troep op te stellen kwam een ordonnans met het bericht dat ik mij bij Overste LAND moest melden op de straatweg Elst-Veenendaal. Daar ben ik met de fiets naartoe gegaan. Daar het nog donker was zijn wij in de auto van de Regimentscommandant gegaan en heeft Overste Land mij met behulp van een zaklantaarn bevelen gegeven. Onmiddellijk ben ik om het bos heen teruggereden naar mijn bataljon. Toen ik van Overste LAND wegging was het inmiddels al licht geworden. Hier heb ik de Compagniescommandanten bijeen geroepen en de bevelen uitgegeven. Wij moesten naar de uitgangsstelling marcheren. 2 Compagnieën voor, 1 compagnie achter het midden.
Wij zijn gemarcheerd over de Cuneraweg en deze gevolgd tot aan de poort bij [kilometer]paal 26 bij Achterberg, verder de Spoorbaan onderdoor waar het bataljon zich heeft opgesteld. Rechts de 1e compagnie; links de 2e compagnie ter hoogte van de Weteringsteeg, de 3e compagnie, achter het midden als ondersteuningscompagnie. Het was heel moeilijk terrein om het bataljon op de juiste plaats te krijgen. Ik moest verband opnemen met het rechter voorbataljon wat niet was te vinden. Toen mijn bataljon was opgesteld heb ik niet gewacht tot ik aansluiting had met dit bataljon daar ik voelde dat ik laat was. Wij zijn daarom doorgemarcheerd. Op de weg Friese Steeg kreeg ik hiermede contact en met de Bataljonscommandant Majoor HILLEN [I-29 R.I.].
Wij zijn verder gegaan en Zuid van de weg lopende naar de richting Kruiponder onder zwaar vuur gekomen. Ik bevond mij op die weg bij een huisje waar het regende van de granaten. Ik was zelf naar voren gegaan omdat in de rechter voorcompagnie bestaande uit 4 secties onder Kapitein GELDOF geen beweging zat. De sectiecommandant van de linker sectie heb ik genoopt naar voren te gaan. Toen werd het vuur zo zwaar, artillerievuur, vliegtuig- en mortiervuur dat men niet verder meer kon. De linker compagnie had het vrij gemakkelijk, beter terrein en had aanvankelijk weinig hinder van het vuur, waardoor zij naar voren zijn gegaan.
Toen wij weer naar voren gingen had ik feitelijk geen contact meer met de linker voorcompagnie. Ik heb een patrouille uitgestuurd om weer contact op te nemen, deze kon echter wegens het artillerievuur niet verder. De linker voorcompagnie had ook een patrouille uitgestuurd doch deze kon mij ook niet bereiken. Aan Overste LAND op de Zuidelijke Meentweg heb ik artilleriesteun gevraagd voor de vijandelijke artillerie. Overste LAND kon geen artilleriesteun geven. Ik moest verder voorwaarts. Toen ik weer naar voren ging naar het Zuiden bleek dat de rechter compagnie terugtrok. Dit ging over een grote breedte zodat zij al een stuk terug waren en het mij niet mogelijk was deze compagnie tegen te houden. Een gedeelte heb ik bij mij kunnen houden. Intussen was het vuur zo zwaar geworden, dat ik zelf ook niet meer kon blijven en wij iets zijn teruggetrokken, waar een loopgraaf was van eigen troepen. Tegelijkertijd kwamen hierin ook de bedieningsmanschappen van een sectie zware mitrailleurs. De mitrailleurs waren achtergelaten. Wij waren ongeveer met 20 man. De Vaandrig BUENK en Sergeant v.d. EMSTER hebben onder zwaar vuur de 2 mitrailleurs opgehaald. Het kan zijn dat het hun eigen mitrailleurs waren. Ik kan niet meer precies zeggen of ik hun opdracht gaf deze te halen, of dat zij hebben gezegd: "Wij hebben geen mitrailleurs meer, wij zullen ze gaan halen". In de loopgraaf was ook Kapitein BROCKEN, Commandant van de mitrailleurcompagnie.
Intussen wezen de mensen mij er op dat duitsers zich in de bomen bevonden en in een schuur van waaruit wij onder vuur werden genomen. Nadat de mitrailleurs boven op de borstwering waren opgesteld hebben wij teruggevuurd, waarna het duitsche vuur zweeg.
Ik heb tegen Kapitein BROCKEN gezegd dat ik naar achteren ging om de ondersteuningscompagnie en de rechter voorcompagnie te verzamelen. Ik ben achteruit gekropen in Noordelijke richting tot ik stuitte op prikkeldraadversperring waardoor ik onder vijandelijk artillerievuur naar een opening moest zoeken. Toen kwam ik bij barakken terecht waar ik restanten van mijn bataljon aantrof. Eenige daarbij aanwezige officieren gaf ik opdracht alle terugtrekkenden op te vangen en daar te verzamelen. Er kwam een Stuka-aanval waardoor wij dekking moesten zoeken. Na de aanval waren de mensen met de officieren verdwenen. Ik heb geprobeerd om ze na te gaan maar daar mijn fiets was gestolen moest ik te voet en kon ze niet inhalen. Op de Zuidelijke Meentweg gekomen stond Overste LAND op de weg. Hier was een algehele terugtocht. Ik meen dat het toen pl.m. 2 uur in de middag was. Overste LAND wilde standhouden aan de Zuidelijke Meentweg. Er waren ook verschillende officieren bij en trachtten wij de troepen vast te houden, wat niet gelukte. Als er een Stuka-aanval kwam en de mensen dekking zochten, waren zij daarna weer verdwenen. Er was niet mee te praten. Ik ben toen naar Remmerstein gegaan daar ik verwachtte dat zij daar hun achtergelaten bagage en fietsen zouden komen ophalen. Daar aangekomen trof ik alleen de menagemeester met wat keukenpersoneel. Bagage en fietsen waren al weggehaald. Van de menagemeester kreeg ik toen zijn fiets waarmee ik gegaan ben naar de weg Veenendaal-Elst. Daar aangekomen was er van eigen troepen niets meer te zien.
Hierna ben ik teruggegaan naar Overste LAND. Onderweg kwam ik niemand meer tegen. Ik heb me gemeld en gezegd dat ik er niet in was geslaagd een gedeelte van het bataljon te verzamelen. Ik werd ingedeeld bij de troep die aan de Zuidelijke Meentweg was opgesteld. Dit waren in hoofdzaak bedieningsmanschappen van mortieren, zware mitrailleurs, en enige stukken Pag. die met hun materiaal waren achtergebleven. Van het weggooien van geweren heb ik niets gezien. Ook de sectie zware mitrailleurs die ik had achtergelaten met Kapitein BROCKEN waren daarbij.
Wij gingen sprongsgewijze terug. Telkens als de druk te zwaar werd ging een gedeelte terug totdat Overste LAND zei dat hij naar de Brigadecommandant moest, Kolonel NIJLAND. Dit was om 19.30 uur. Wij waren bij een zwembad op de weg Elst-Veenendaal. Toen is de Overste terug gegaan met enige officieren, onder andere Majoor PANNEKOEK. Hij liet mij met de troep achter met verschillende troepenonderdelen en met enige officieren. De opdracht was om een stelling in te nemen voor het zwembad. Het moreel was eruit bij de militairen en ook bij de officieren. Links en rechts van de Cuneraweg stelling genomen en deze weg afgesloten. Het werd donker en het begon rustig te worden. Links van ons zat een onderdeel van het 10e [Regiment Infanterie]. Dit was ook rustig geworden en heeft ook niet meer gevuurd. Tussen 19.30 en 23.00 uur heb ik ook nog enige ordonnansen uitgestuurd naar de straatweg Rhenen-Amerongen of daar nog troepen waren. Zij kwamen terug met het bericht dat er zwaar vuur was geweest, dat de weg was geblokkeerd en de huizen ingestort waren.
Ik stond voor het feit of ik nu wachten moest op de beloofde versterking terwijl ik wist dat deze niet zou komen, zoodat wij omsingeld konden worden, of dat ik beter deed om terug te trekken en al het materiaal te redden. Ik heb er lang over nagedacht en kwam tot de conclusie dat het het beste was terug te gaan. Wij zijn om 23.30 uur teruggetrokken, de straatweg Veenendaal-Elst overgestoken dwars door het bos naar Leersum met stukken Pag. voorop en achterop en kwamen 's morgens pl.m. 4.00 uur in Doorn aan. Hier heb ik geprobeerd telefonisch contact te krijgen met het hoofdkwartier. Een telefoniste van de centrale deelde mij mede dat dit niet meer mogelijk was. De mensen waren ontzettend vermoeid, en hebben wij een uur gerust. In Doorn hoorde ik dat alles was teruggetrokken. Wij zijn toen teruggegaan naar Utrecht waar wij om pl.m. 11.00 uur aankwamen. In een Kazerne op de Croezelaan in Utrecht vroeg ik waar de verschillende onderdelen zouden kunnen zijn. Dit kon men mij niet zeggen en werd ik ergens anders naar toe gestuurd. Onderweg zag ik een officier van mijn bataljon. Hij vertelde dat zij in de Kromhoutkazerne lagen. Hier zijn wij naar toegegaan en ik heb daar het commando weer op mij genomen. Intussen informeerde ik waar wij naar toe moesten en kreeg order om naar Vreeswijk te gaan.
Ik heb het bataljon laten marcheren naar Vreeswijk. Er mankeerden nog pl.m. 150 à 200 man aan het bataljon. De rest was er weer. Onderweg kwam er een order om in Jutphaas te overnachten. Hier kregen wij bericht van de capitulatie.
Betreffende soldaat NIEUWLAND: Zijn optreden is zeer moedig geweest bij het neerkomen van een duits vliegtuig bij de Hooge Woerd op 10 Mei. Er waren 4 parachutisten uitgesprongen waar hij vrijwillig onmiddellijk naar toe ging, hen gevangen nam en naar de Marechaussee bracht.
's-Gravenhage, 12 Juni 1947
(get.) H. Schotman
Opgem.: J.v.d.B.
|
