Verklaring van reserve-majoor J. Pannekoek

Verklaring afgelegd door den Reserve-Majoor J. Pannekoek,
Commandant I-20 R.I. in de vergadering van de Commissie
Militaire Onderscheidingen van 21 Mei 1947.
----

Ik heb order gegeven, dat het Bataljon op 12 Mei te 17.00 uur gereed moest zijn voor afmarsch. De voorbereidingen, die getroffen moesten worden, maakten een vroeger uur niet mogelijk.

Ik wist niet, dat ik terstond moest aanvallen, evenmin, dat een Bataljon van een ander Regiment aan de tegenaanval zou deelnemen.

We moesten afmarcheeren naar de "Oude Trekpot" aan den Cuneraweg alwaar ik mij moest melden bij Kolonel BARBAS in het café op het kruispunt bij Prattenburg. Ik heb mij met een door mij aangehouden auto vooruit begeven, ben even voor 17.00 uur vertrokken en kwam te ongeveer 17.15 uur in het café aan. Ik trof aldaar de Overste VAN DEN BRIEL, (Commandant 10 R.I.) een Overste van de Artillerie, Overste DE RIDDER en eenige andere officieren. Ze waren in afwachting van de komst van Kolonel BARBAS, Commandant IIe Divisie, onder wiens bevel, naar ik hoorde, de tegenaanval zou plaats vinden. Kort daarop kwam de Kolonel BARBAS met zijn Adjudant-Ritmeester TIELENS binnen. De Kolonel gaf een uiteenzetting waarbij ik hoorde, dat de tegenaanval zou gebeuren onder "mentorschap" van Overste de RIDDER. Aangezien het café met het oog op mogelijke artilleriebeschieting, minder geschikt leek, werd de bespreking voortgezet in de commandopost van C.-10 R.I. te Veenendaal. Ik ben meegegaan, doch was bij de bespreking niet aanwezig. Even daarna ben ik nog wel in de commandopost geweest, waar ik door Overste de RIDDER werd ontboden. De Overste deelde mij mede, dat de tegenaanval eerst den volgenden morgen zou gebeuren en dat er eerst een terreinverkenning zou plaats vinden, waaraan ik moest deelnemen. Ik ben hiertoe tegen 19.00 uur met de auto van overste DE RIDDER meegegaan. Ik dacht daarbij "We komen langs het punt (café kruispunt bij Prattenburg), waar mijn Bataljon inmiddels wel zal zijn aangekomen". Er was echter niemand te zien. Toen we uit de auto stapten, werd ons toegeroepen: "Dekken". Vlak daarop vloog een projectiel door de lucht, waarop ik mij in den tuin van het café dekte. Voordien was er een officieel bericht van de IIe Divisie geweest, dat er op de geheele Veluwe nog geen Duitscher was te bekennen, welk bericht aan de soldaten moest worden bekend gemaakt.
Toen ik weer terug kwam, zag ik menschen van mijn Bataljon. De Kapitein v.d. SCHOOT meldde mij een paar dooden en gewonden. Overste DE RIDDER zag ik niet. Ik ben toen per fiets den Cuneraweg opgegaan om Kapitein Koudijs aanwijzingen te geven voor het onderbrengen van den troep. Terwijl ik over den weg fietste kwam de overste DE RIDDER mij achterop, met wien ik verder meeging. De overste moest een bespreking voeren met naar ik meen de Majoor van Dijk, Commandant van een Bataljon van 11 R.I., die zijn commandopost had in een verhuisauto op een kruispunt aan de Oude Veenendaalsche weg. Bij deze bespreking was ik niet aanwezig. Op dat moment ontvingen we weer artillerievuur. Militairen kwamen uit de stelling terug naar de commandopost van Majoor VAN DIJK. Het was inmiddels donker geworden, waardoor een verdere verkenning onmogelijk was. We zijn daarom teruggegaan en ik ben uitgestapt aan de inmiddels door mijn Adjudant ingerichte commandopost kort bij Dikkenberg. De overste DE RIDDER reed verder.
Tegen 24.00 uur werd ik door een auto gehaald en moest ik mij melden in de villa bij de commandopost van overste VAN DEN BRIEL te Veenendaal. Of ik aldaar door Overste DE RIDDER dan wel door overste VAN DEN BRIEL ontboden ben weet ik niet meer. Ik ben er met mijn Adjudant heen gegaan. In de villa trof ik de Kapitein REITSMA, die in afwachting was voor orders voor den aanval.
Het duurde lang voor er orders gegeven werden; het werd al laat. Kapitein REITSMA deelde mij op een gegeven moment mede, dat hij niet langer kon wachten. Hij vertrok, ik bleef echter. Eindelijk kwam een motorordonnans binnen, die zeide, dat men in het Café bij Prattenburg op mij wachtte. Ik moest mij daar terstond naar toe begeven. Ik had echter geen auto en ben daarom doorgedrongen in den commandopost van Overste VAN DEN BRIEL, die mij een auto ter beschikking stelde. In het Café aangekomen, was er niemand meer, weshalve ik doorging naar mijn commandopost bij Dikkenberg. Ik had dus nog geen enkel aanvalsbevel ontvangen. Alleen had ik aan de hand van mededeelingen van Kapitein REITSMA enkele aanteekeningen gemaakt. Ik hoorde van hem, dat de tegenaanval met vier bataljons zou worden uitgevoerd en dat mijn bataljon rechter-achter-bataljon zou worden. Aangezien het reeds licht was geworden en de tijd dus vorderde, heb ik de Compagniescommandanten verzameld en hen medegedeeld wat ik wist en hoe ik het bataljon wilde groepeeren. Onderwijl kwam Overste LAND binnen. Deze bleek het commando voor den tegenaanval te hebben. Hij stelde mij twee secties Pag. ter beschikking en deelde mij mede, dat het uur van den aanval nog nader bekend zou worden gemaakt, aangezien het linker-achterbataljon nog moest komen. Mij werd verzocht een compagnie aan te wijzen (ik wees hiervoor aan de compagnie VAN DER MEER) die de taak van dit bataljon, bestaande uit het beveiligen van de linkerflank en het uitvoeren van een aanval op Kruiponder, zou overnemen. In de uitgangsstelling aan de Zuidelijke Meentweg, waarheen ik afmarcheerde, kwam Overste LAND bij mij, die mij mededeelde, dat het linker-achterbataljon inmiddels was gearriveerd. De compagnie VAN DER MEER kwam dus weer ter beschikking en werd linker-voor-compagnie. Het uur van den aanval werd bepaald op 8.00 uur. De Overste LAND begaf zich naar een commandopost aan de Zuidelijke Meentweg, welke daar aanwezig was.
Tegen 8.00 uur is het bataljon voorwaarts gegaan. Het terrein was moeilijk, bovendien hadden wij veel hinder van prikkeldraadversperringen. Ik ben met mijn Adjudant vooruit gegaan om te zien hoever de voorwaartsche beweging vorderde en heb mij begeven naar het viaduct West van Achterberg bij (kilometer)paal 26. Vervolgens ben ik den landweg ingegaan welke loopt van het viaduct in Noord-Oostelijke richting. Ik was de voorcompagnieën toen al vooruit. De linker-voor-compagnie heb ik aangespoord om niet achter te raken bij de rechter-voor-compagnie. Daarna ben ik teruggegaan naar paal 26 om Achterberg in te gaan. Bij Achterberg werd mij door daar aanwezige soldaten toegeroepen, dat er een verrader op de spoordijk stond, die met een zakdoek seinen gaf. De Luitenant BRINKMAN was aanwezig toen mij dit werd medegedeeld. Het bleek een officier te zijn, die ik bij mij liet komen. Ik heb hem ondervraagd, waarop hij mededeelde, dat hij zijn neus gesnoten had. Ik gaf hem te kennen, dat indien hij dit weer op zoodanig zichtbare wijze zou doen, ik den Luitenant BRINKMAN opdroeg hem neer te schieten.
Ik ben in Achterberg een huis binnengegaan om overzicht over het terrein te krijgen. Een Kapitein van zware mitrailleurs die daar aanwezig was, gaf mij zijn opstelling aan. Van de voorbataljons heb ik toen weinig ontdekt. Toen ik uit het huis kwam, zag ik allerlei soldaten totaal van streek zonder kader uit het voorterrein komen. Ik heb deze ferm toegesproken en teruggezonden onder mededeeling, dat ik ter versterking was aangekomen.
Mijn eerste Compagnie was toen gevorderd tot over de eerste landweg, die van het viaduct naar het centrum van Achterberg loopt. Deze compagnie was tengevolge van het terugtrekken der hierboven bedoelde militairen en door het feit, dat in een boschrand op den Grebbeberg met witte doeken werd gezwaaid, eenigszins weifelend geworden.
Ik heb aan een sectie zware mitrailleurs opdracht gegeven ter verhooging van het moreel op deze boschrand een salvo af te geven, hetgeen geschied is. Kapitein KOUDIJS heb ik opgedragen de voorwaartsche beweging te vervolgen, hetgeen gebeurde. De Kapitein KOUDIJS had een goeden invloed op zijn mannen door zijn rustig, kalm en beheerscht optreden. Ook de 3e compagnie heb ik aangespoord voorwaarts te gaan, hetgeen deze deed. De compagnie is echter niet verder gekomen dan tot even over de Friesche Steeg.
Ik wilde vervolgens naar mijn commandopost, die ik verlegd had van de Zuidelijke Meentweg naar een punt aan de landweg, welke loopt vanaf het viaduct in Noord-Oostelijke richting. Ik heb nog getracht om door het terrein contact te krijgen met Kapitein VAN DER MEER (linker-voor-compagnie). Ik kwam terecht in een commandopost waar ik Majoor WEBER en eenige officieren aantrof. De stemming was daar gedrukt. Veel inlichtingen kreeg ik daar niet. Ik ben teruggegaan en kwam weer bij het viaduct. Nog steeds trokken militairen terug. Ik wilde deze verzamelen doch toen ik bij het viaduct, bij paal 26 was, kwam er een Stuka-aanval. Ik liet mij van mijn fiets vallen en heb mij gedekt. Ook dit bombardement had een zeer fatale invloed op de militairen. Ik kon ze aan den weg, die van het viaduct in Noord-Oostelijke richting loopt, niet meer opvangen. Ik ben daarom teruggegaan om ze op te vangen aan de Zuidelijke Meentweg. Mijn mitrailleurcompagnie, die ik al opdracht gegeven had in stelling te komen aan eerstgenoemde weg heb ik toen door mijn oppasser WARMENHOVEN, die zich hiervoor vrijwillig beschikbaar stelde, omdat mijn ordonnans wat bang was, opdracht gegeven in stelling te komen aan de Zuidelijke Meentweg. WARMENHOVEN ging daartoe per rijwiel vanaf de Zuidelijke Meentweg naar de mitrailleur-compagnie. Verdere bevelen kon ik niet doorgeven, omdat ik geen ordonnansen had.
Terwijl ik bezig was de terugtrekkenden de nieuwe stelling te doen innemen kwam uit de Zuidelijke Meentweg de Overste LAND gevolgd door een groot aantal soldaten. De Overste maakte op mij den indruk eenigszins ontdaan te zijn. Hij wankelde op zijn beenen, sloeg mij op de schouder en zeide: "Goed zoo". Blijkbaar vond hij het mooi dat ik trachtte de militairen een opnamestelling te doen innemen. Dat de Overste LAND pogingen zou hebben gedaan tot zelfmoord is mij niet bekend. Ik verklaar uitdrukkelijk, dat ik hier slechts weergeef de feiten zooals zij zich hebben voorgedaan en dat ik in geen enkele beoordeling, laat staan veroordeling, ten aanzien van de houding van Overste LAND zou willen treden.
Al mijn moeite om de opnamestelling te doen innemen, was daardoor echter tevergeefs, want de militairen, die ik opgesteld had, werden door de menschen, die achter Overste LAND aankwamen, meegesleurd. Ik meen, dat, indien de Overste mij geholpen had bij het ter plaatse doen innemen van de opnamestelling, dit gelukt zou zijn. Ook de Overste LAND ging met de soldaten door. Later, toen de militairen allen wegwaren, ben ik ook teruggegaan tot aan een boerderij even voor Dikkenberg. Aan een landweg aldaar trof ik weer den Overste LAND, die bezig was de militairen te ordenen. Dit was buitengewoon moeilijk want de troep was uiterst zenuwachtig. Eindelijk lagen zij allen op den grond. De Overste LAND kwam naar mij toe, zwaaide met een papier en zei: "Aanvallen, ik heb zoojuist bevel gekregen opnieuw aan te vallen". Ik achtte het met deze zenuwachtige troep, waarvan velen geen wapens meer hadden, onmogelijk iets uit te richten. Ik ben daarom naar den commandopost van Overste VAN DEN BRIEL gegaan om de Commandant IIe Legerkorps op te bellen en in te lichten omtrent den toestand. Ik heb dit gedaan omdat ik evenals de andere officieren in den Overste LAND, gezien zijn abnormalen toestand, geen voldoende vertrouwen meer had. In den commandopost van overste VAN DEN BRIEL was toevallig een officier van IIe Legerkorps aanwezig, die, nadat ik de situatie had uiteengezet, met mij mee terugging.
Nadat hij met den Overste gesproken had, deelde deze laatste mij mede, dat hij naar omstandigheden mocht handelen en daarom van den aanval afzag. Hij droeg mij het commando over en ging zelf weg.

Met Kapitein KOUDIJS en eenige andere officieren heb ik een gedeelte van den nacht van 13 op 14 Mei doorgebracht in Bergzicht. Daar zijn wij tegen den morgen overvallen door Duitsch vuur. Wij zijn met de menschen teruggeweken tot aan een zandafgraving en daar afgeweken naar den weg naar Elst. Langs dezen weg lagen veel fietsen. Door het terrein zijn wij daarop weggereden. Het is mij persoonlijk gelukt om de Duitschers te ontkomen. Ik ben tegen 11.00 à 12.00 uur nog in Woudenberg geweest waar op dat moment juist een Duitsche colonne binnentrok. Ik heb tegen mijn mannen gezegd, dat ze moesten trachten achter de Waterlinie te komen. Ik ben naar Bilthoven gegaan om mij te melden bij Generaal v.d. BENT. Op het Legerkorps-Stafkwartier was echter niemand meer aanwezig. Ik ben daarop naar den burgemeester gegaan, die mij zeide, dat de Duitschers reeds in Zeist waren. Van Bilthoven ben ik per vrachtauto met een aantal soldaten naar Amsterdam gegaan. De chauffeurs wilden den weg naar Utrecht niet meer rijden, omdat deze onder vuur lag. In Amsterdam heb ik mij gemeld bij den Garnizoenscommandant.

Kapitein KOUDIJS heeft zich onder vuur van artillerie en geweeren langs den weg, die van Achterberg naar het viaduct loopt, langs de militairen begeven en hen moed ingesproken. Dit heb ik persoonlijk geconstateerd. Hij is teruggegaan waarschijnlijk omdat hij voelde met zijn compagnie in de lucht te hangen. Ik vond het juist dat hij teruggegaan is en zou hem daartoe opdracht hebben gegeven indien ik ordonnansen had gehad.

Oppasser WARMENHOVEN was overal toe bereid. Hij trok zich van vijandelijk vuur niets aan.

Het aantal gewonden van het bataljon zal 10 à 15 man bedragen. Het aantal dooden 7 à 8 [14].

's-Gravenhage, 21 Mei 1947.
(get.) J. Pannekoek.

Opgenomen: M.
Typ.: K.

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument
(PDF, 3.50 MB)