Verklaring van reserve-officier paardenarts 2e klasse A.J. Peeters
Verklaring van A.J. PEETERS, Reserve-paardenarts 2e klasse bij
4 R.H., afgelegd in de vergadering der Commissie Militaire
Onderscheidingen d.d. 1 Mei 1947.
----
Op de eerste oorlogsdag werd ik om ongeveer twee uur à 2.30 uur gewekt door mijn paarden-oppasser. Ik heb alles in orde gemaakt, auto's gevorderd (voor vervoer van paarden) uit de omliggende plaatsen van Ede. Daarna heb ik mij gemeld bij de commandopost van de Overste DE MAREES VAN SWINDEREN (Oost van Ede).
De Kapitein-paardenarts VAN ENT zorgde voor de paarden. Hij heeft mij voor de paardenverzorging naar voren gezonden. De Overste had een ordonnans nodig en ik zei: "Geef mij die berichten dan maar mee, ik ga toch naar voren". Ik heb berichten overgebracht naar Wolfheze naar de Ritmeester FEIST. Daar waren ook de Luitenants DIJKSHOORN, BARTELS, VAN HEUVELEN?. Het waren mondelinge berichten over opstellingen van de Duitsers (waar ze zaten) en of zij in contact waren met de vijand.
Op de hei is toen op mij geschoten (tussen Wolfheze en Ede), waarschijnlijk mitrailleurvuur. Ik was alleen met de motor en ging dwars door de hei. Ik kwam ook in contact met de Ritmeester MAZEL. De Kapitein NIJHOF was daar ook in de buurt van Oosterbeek. Daar ben ik geweest. Op die avond zijn wij teruggegaan. De asperges hadden zij per ongeluk dichtgemaakt. 's Nachts zijn wij binnengekomen in Veenendaal-De Klomp.
11 Mei. 's Morgens zijn er parachutisten geland en kreeg ik het commando over ongeveer 60 man in de bossen in de buurt van Leersum. Een soldaat had daar mensen gezien in overall. Ik heb order gegeven om een overdekte loopgraaf in het bos af te zoeken. De soldaten stonden daar wat vreemd tegenover. Ik nam mijn pistool en ging voorop. Wij vonden niemand in die donkere gangen. Later zijn de Duitsers toch uit de loopgraaf gekomen. Wij durfden geen licht te maken in die loopgraaf. De paarden bleven achter in het bos in Leersum en de mensen moesten op rijwielen naar de Grebbeberg. Ik heb toen de Overste verzocht om mee te mogen gaan met de Ritmeester FEIST. Ik was op de commandopost en hoorde, dat troepen van ons waren ingesloten bij Kruiponder. Het was ongeveer 10 uur, toen de Overste een vrijwilliger vroeg. Ik heb mij toen opgeworpen als ordonnans. Hij heeft mij attent gemaakt op de gevaren. Ik was goed bekend op de Grebbeberg. Ik heb daar 26 jaar gewoond. Ik kreeg van de Overste de opdracht om met een andere vrijwilliger daar naar toe te gaan, hem de opdracht mede te delen en in elk geval de boodschap over te brengen.
Toen wij bij Achterberg aankwamen, lagen daar de mijnenvelden op de weg. De motor hield ik in de ene hand en met de andere hand voelde ik of er mijnen lagen (bij het wachthuisje bij [kilometer]paal 25). Daar hebben wij ongeveer twee uur over gedaan. Wij zijn gegaan langs de Achterbergsestraatweg, langs de molen aan de Cuneraweg (daar lag ook artillerie- en mitrailleurvuur op). Wij kregen contact met de Duitsers en werden beschoten (Westelijk van de spoorbaan; na 23.00 uur). Wij kwamen terecht Zuidwestelijk van Kruiponder (Leuvendaalse weg [Levendaalseweg]). Later kreeg ik contact met de troep, waaraan ik het bericht moest overbrengen. Aan de Luitenant DIJKSHOORN heb ik het bericht overgebracht. De Ritmeester VAN DER VOORT VAN ZIJP was daar ook. Wij zijn daarna teruggegaan. Wij zijn door de Meent gegaan in Noordelijke richting, vermoedelijk Weteringsteeg. Ik heb mij weer gemeld bij mijn commandant. De Overste was toen in Plantage Willem III.
Toen zijn wij verder gegaan en hebben de commandopost meer naar voren geschoven (Westelijk van Rhenen). Daar lagen wij onder artillerievuur. Toen zijn wij gekomen Oostelijk van Rhenen, bij het kerkhof (algemene begraafplaats).
Daar was de commandopost van de Overste DE MAREES VAN SWINDEREN. Majoor DE KRUYFF was daar ook bij. Ik heb toen order gekregen om mij met verschillende commandanten in verbinding te stellen. Ik ben met het Eskadron mee naar voren gegaan en ben terecht gekomen in de buurt van de spoorlijn en over het viaduct, waar ik gezocht heb naar onderdelen van ons (Zondag). Er stond een stuk pag. voor het viaduct onder de Luitenant HOLLERT. Ik kon die troep over het viaduct niet zo gauw vinden (het was overdag). Ik heb mijn motor Westelijk van de huizen laten liggen. Ik ben in de loopgraaf terecht gekomen. Ik ben ook nog Zuidelijk van het viaduct geweest. Op het viaduct kreeg ik zo'n vuur, dat ik maar terugging. Ik heb toen bij de huzaren gelegen van de Ritmeester FEIST. Ik heb die mensen een beetje moed ingesproken. Ik had geen Rode-Kruisband om. Ik was slechts bewapend met pistool. Wij moesten toen terug. Later kwam ik weer bij de Overste VAN SWINDEREN. Zij hadden weer stelling genomen bij Plantage Willem III.
Toen kreeg ik order van de Overste om al het anti-tankgeschut te verzamelen. Wij zijn toen verder teruggetrokken naar Leersum, waar wij de nacht hebben doorgebracht.
Ik ben altijd bij de Ritmeester FEIST geweest en ben ook met hem teruggekomen. Ik was nog niet lang bij dat Regiment.
Ik heb nog meegemaakt, dat het viaduct de lucht inging. Toen moest ik mijn motor nog terugvinden. Ik ben teruggegaan met een groep van het Eskadron FEIST. Ik ben om Rhenen heengereden. Ik heb de Overste weer gevonden in zijn commandopost. Ik weet niet de reden, waarom het Eskadron terugging.
De ordonnans, die de eerste keer met mij medeging, woonde in Deventer. Het was – naar ik meen – een wachtmeester. Zijn naam weet ik niet meer. De Ritmeester kent hem wel.
's-Gravenhage, 1 Mei 1947.
(get.) A.J. Peeters.
Opgenomen: FMV.
Typ.: K.
|
