Verklaring van reserve-tweede luitenant H.J. Scheepstra
Verklaring, afgelegd door de Kapitein, destijds 2e Luitenant H.J. SCHEEPSTRA
van 2-I-46 R.I. in de Vergadering van de Commissie Militaire Onderscheidingen
dd. 13 October 1947.
's-Avonds tegen 9 uur hebben wij de stelling bij de begraafplaats "Vreewijk" te Rhenen betrokken.
Ik kwam toen niet in aanraking met de cavalerie. Links van mij zat een onderdeel van 19 R.I. In de loop van de nacht heb ik enige moeilijkheden gehad met de munitie. De volgende morgen ben ik met 2 vrijwilligers uit de stelling gegaan naar het viaduct ter verkenning. Ik heb toen waarschijnlijk de stukken pag. zien staan. Ik heb militairen gewaarschuwd dat ik het plan had naar de overzijde van het viaduct te gaan. Ik heb met een Officier het vuren van de zware mitrailleurs besproken, welk wapen op dat moment ten onrechte vuurde. Een Korporaal van de Marechaussee heb ik opdracht gegeven de versperring open te maken en met mij mee te gaan. Ik wilde deze Korporaal over het viaduct hebben. Hij is echter niet meegegaan. Er zijn voor zover ik weet ook geen andere militairen met mij over het viaduct gegaan. Ik ben rechtop over het viaduct gelopen.
Op het verlengde van de weg, die Oostelijk langs de spoorlijn loopt, zag ik Hollanders, die met een lichte mitrailleur vuurden in de richting van eigen troepen. Ik heb deze niet gesproken, doch had stellig de indruk dat het Hollanders waren.
U leest mij mijn verslag voor, waaraan ik nog het volgende toevoeg.
Kapitein KNIPPENBERG heb ik gevraagd of ik weg mocht om te verkennen en munitie te halen. Het commando heb ik overgegeven aan Sergeant-Majoor-Instructeur WEISSENFELD.
Ik heb een patrouille gehad van 8 R.I., waarbij was de Korporaal J.H.W. KUSTER van 3-I-8 R.I., die mij mededeelde dat aan de overkant veel munitie lag.
Toen ik de stukken pag. zag staan is er direct mijn aandacht op gevallen, dat deze aan de andere kant moesten zijn. Ik heb de Ritmeester beloofd deze stukken op te halen als niemand anders het deed, doch de belofte was "niet op handslag".
Ik heb de goederenauto, ernaast lopende, bestuurd. De volgende auto heb ik gestart en in de versnelling gezet, echter tweemaal in achteruit. De derde maal heb ik het geprobeerd en in de tweede versnelling gekoppeld.
Tussen de huizen en in portieken stonden nogal veel mensen, die tevoorschijn kwamen toen ik met de auto aankwam. Ik heb gevraagd wie pag.-man was, waarop een sergeant zich aanbood.
-------------------
Ik ben uit de stelling bij de begraafplaats teruggegaan ten gevolge van een bombardement van Stuka's. De mensen waren toen niet meer te houden. Op de achterweg naar Rhenen heb ik de Sectie opgevangen en geformeerd. Ik ben als een van de laatsten de loopgraaf uitgegaan. De vliegtuigen kwamen juist in het verlengde van de loopgraaf. De eerste serie van 3 projectielen lag achter de loopgraaf tussen mijn stelling en die van 19 R.I. De tweede serie van 3 lag precies in de loopgraaf, evenals de derde serie. De vierde serie lag aan de Zuidzijde van de knikkende weg ongeveer 25 meter vóór de stelling en de vijfde serie aan de Noordzijde van deze knik ongeveer 7 meter voor de stelling. Deze serie zag ik komen. Ook de vierde en vijfde serie waren series van 3 projectielen.
Na de vijfde serie ben ik langs de weg, die naar Rhenen loopt, teruggegaan. Daarna ben ik de eerste zijweg links in Oostelijke richting gegaan om verband met de Compagniescommandant te zoeken. Deze was er echter niet. Vervolgens ben ik teruggegaan in de richting Rhenen, langs de Cuneratoren en Zuidelijk om Rhenen heen. Uiteindelijk trof ik de Compagniescommandant in Ingen, nadat ik mij daar reeds bij Commandant Brigade A. had teruggemeld.
Tien minuten voor de stelling verlaten werd, kwamen er verschillende half ontklede krijgsgevangenen uit de bosrand. Dit werkte demoraliserend op mijn mensen.
's-Gravenhage, 13 October 1947.
(get.) H.J. SCHEEPSTRA.
Opgen. M.
Typ. LK.
|
