Verklaring van sergeant-capitulant L.H. Tilders
Verklaring afgelegd door den sergeant-capitulant L.H. Tilders
1-11 Grensbataljon in de vergadering van de Commissie Militaire
Onderscheidingen op 16 Augustus 1946.
----------------------------------------------
Oorspronkelijk zaten wij op 10 Mei 1940 in de stelling aan het Maaswaalkanaal. Daaruit werden we verdreven en namen stelling op den Graafschenweg. Ik heb toen den Kapitein Boers gevraagd of ik met mijn sectie de brug [Hatertsche brug welke niet gesprongen was] mocht nemen, doch dit werd geweigerd omdat deze door een Compagnie Wielrijders bezet zou worden.
Dien zelfden morgen heeft den Kapitein Boers op een gegeven moment aan den sergeant-majoor De Jager opdracht gegeven een huizengroep te Neerbosch Zuid van de spoorlijn Nijmegen-'s-Hertogenbosch, welke door eenige Duitschers was bezet te ontruimen en de kazematten langs het Maaswaalkanaal te heroveren. Er zijn vrijwilligers opgeroepen uit menschen achter de spoorbaan uit de sectie van Luitenant Willems, ongeveer 20 man. We gingen in 2 groepen vooruit, ik had ongeveer 9 man. De andere groep stond onder bevel van sergeant-majoor De Jager. Van een sergeant Saaedt, die zich bij onze Compagnie gemeld zou hebben weet ik niets van.
Een Duitsche mitrailleur stond opgesteld in de blokpost van de Graafsche brug. Hierop is, naar mij werd verteld pantserafweergeschut- en mitrailleurvuur geopend onder leiding van Kapitein Boers persoonlijk, maar aangezien wij dit huisje zelf gestut hadden met zandzakken en prikkeldraad, kon de bezetting zich handhaven.
We zijn door een snelle sprong over de spoorbaan gekomen. Toen we vooruit gingen hebben we geen tegenstand ontmoet, voordat we aan de Oude Graafschen weg kwamen. Daar schoten eenige Duitsche geweerschutters op ons. Onze lichte mitrailleur antwoordde, waarna we verder konden. De Duitschers trokken terug, ik heb er twee weg zien gaan waarop ik geschoten heb, maar de afstand (pl.m. ongeveer 400 meter) was te groot om hen buiten gevecht te stellen.
We hadden te weinig menschen om door te stooten tot de brug van Hatert en volgens inlichtingen zou deze worden aangevallen door een Compagnie Wielrijders. Ik ben doorgestooten tot kazemat 40 of 41, ongeveer 200 meter voor de brug, en heb posten uitgezet. Op de Oude Graafschenweg kwam plotseling een stuk pantserafweergeschut onder bevel van sergeant Tielen bij ons. Deze heb ik opdracht gegeven te trachten de betonbrug te vernielen. Er zijn op deze brug ongeveer 12 schoten gelost. Voor het vuur geopend werd is eerst op drie gepantserde wagens die op den oprit van de brug stonden gevuurd. De brug kon niet vernield worden omdat de [het] pantserafweergeschut onder zwaar mortiervuur kwam, en terug moest.
In een kazemat hebben we Duitsche handgranaten gevonden, het waren stok-handgranaten. De Kazematten 40, 41 en 42 die wij verlaten vonden waren van onze rechter neven compagnie.
Op een gegeven moment kwam order van den Luitenant Willems om de kazematten weer te ontruimen, aangezien den druk van Zuidelijke richting te groot werd, en stelling te nemen op de Oude Graafschenweg. Daar kregen we de laatste uren levendig vuur. We hebben ons er een heele tijd gehandhaafd, totdat ik het bericht kreeg: "Terugtrekken op viaduct". De sectie van den Luitenant Willems is met alle wapens teruggetrokken.
De sergeant-capitulant Van 't Hof en ik, met ongeveer anderhalve groep hebben door het bedekte terrein onder licht vuur het viaduct bereikt en stelling genomen op de spoorbaan. We hebben daar ongeveer een uur gelegen. Toen heb ik een patrouille uitgezonden naar de stelling, welke geheel verlaten bleek.
We zijn toen teruggetrokken tot Alverna waar de Kapitein Boers een post had uitgezet om ons op te vangen. We hadden weinig munitie, en om het verband met de compagnie niet verloren te doen gaan ging ik op eigen initiatief terug. Later bleek dat ik de terugtocht van de Compagnie had moeten dekken, tot Alverna, doch aangezien het bericht verkeerd werd overgebracht heb ik het vorenvermelde besluit genomen.
In Rhenen was op 13 Mei 1940, toen we 's morgens daar binnenrukten, de toestand vrij verward. Mijn terrein was den Zuidelijken rand van Rhenen en de uiterwaarden. De opdracht was het station te bezetten. Via de uiterwaarden ben ik opgerukt naar het station. Mij werd verteld dat Rhenen zoodanig onder artillerievuur had gelegen, dat het vrij was van Duitschers en dat de spoorbrug door eigen troepen zou zijn bezet. We kwamen echter onder vijandelijk vuur uit de Cuneratoren. We namen stelling West en Zuid van deze toren, van waaruit het vuur werd bestreden. Toen dit vuur tot zwijgen was gebracht zijn we dicht onder de Cuneratoren verder opgerukt langs de uiterwaarden. Uit een punt aan de Noordelijken oever van den Rijn op 200 meter van de spoorbrug kregen we weer vuur. De sergeant van der Velde kreeg opdracht dit vuur tot zwijgen te brengen, hetgeen gelukte. We zijn verder opgerukt; Rhenen brandde hevig. Vervolgens is de sectie bij den Noordelijken toegangsdijk tot de spoorbrug over den Neder-Rijn even in stelling gegaan. Ik heb het voorterrein verkend, en heb daarop West en Zuid van het station de sectie in stelling gebracht om de Duitschers uit het station en emplacement te verdrijven. Eén groep is over de spoordijk heen gegaan en een straat Oost van de spoorbaan binnengedrongen. Deze straat liep Noord-Zuid. Verschillende militairen die het verband met hun onderdeel hadden verloren werden door ons opgenomen. Ik ging terug om den Luitenant Willems te verzoeken het bevel over de sectie over te nemen omdat deze voor mij nu te groot werd. Hij zat achter den dijk, en was in gesprek met Kapitein Boers. Ik heb toen een scherp onderhoud gehoord tusschen Kapitein Boers en Luitenant Willems, omdat deze laatste zijn plichten verzaakte. Hij kreeg van Kapitein Boers opdracht naar zijn sectie te gaan. De Kapitein Boers zei tegen mij: "Tilders ga door en denk aan de Militaire Willemsorde". De Luitenant Willems heb ik bij de sectie echter niet gezien, daarom heb ik zelf maar weer het bevel op mij genomen. Ik heb de groepen onderdrukkingsvuur op het station en het emplacement doen afgeven. Terwijl ik het vuur leidde vanaf een stootblok op het emplacement kwam een soldaat (het blijkt A.A. Jansen te zijn) bij mij met een lichte mitrailleur die het op mij uitgebrachte vuur onderdrukte.
Aan de Zuidelijke groep heb ik daarna het commando "stormen" gegeven. Deze drong op tot aan het station en kreeg overmatig vuur uit Noordoostelijke richting, waarop gedekt werd. Ik ben gegaan naar de Westelijke groep en trof daar een stuk 6 Veld zonder bediening. Ik weet niet meer hoe laat het toen was, waarschijnlijk 5 à 6 uur. Daarna kwam het bericht om de stelling te verlaten. Ik kreeg bevel om de Compagnie in den rug te dekken. Ik ging met de sectie terug naar den Zuidelijken rand van Rhenen en trof ten Westen van Rhenen de Compagnie onder Kapitein Boers aan. Deze is vermoedelijk door Rhenen heen gegaan. Hij deelde mij mede dat de Grebbestelling opgegeven werd en dat wij een achterwaarts gelegen stelling moesten innemen. Daarna marscheerde de Compagnie in gesloten formatie af.
De Politietroepen zijn voordat onze handelingen aan het Maaswaalkanaal waren afgeloopen, naar Rotterdam gegaan. De sergeant-majoor De Jager heeft persoonlijk afscheid van mij genomen. Ik heb om ongeveer 7 uur de stelling aan het Maaswaalkanaal verlaten.
De Kapitein Boers is iemand voor wie ik oneindig veel respect heb. Hij stak af boven andere kapiteins op de Grebbeberg en had een enorme tucht in zijn compagnie.
De soldaten Bakker, Boer, Keurhorst en Lenssen waren flinke kerels.
Van den Vaandrig De Wit weet ik niets anders te vertellen dan dat hij ten voorbeeld is gesteld.
Sergeant Giesbers was een flink militair.
De daden van Delissen, Jansen G., Diepenmaat, Kösters, Baring en Mulder zijn mij niet bekend.
Na de capitulatie heeft de Kapitein Boers (naar ik later hoorde) zich van het leven willen beroven, hetgeen hem belet is door sergeant-majoor van Reen. Deze was zijn evenbeeld.
's-Gravenhage, 16 Augustus 1946.
(get.) L.H. Tilders.
|
