Verklaring van wachtmeester G.W. Visser

Verklaring van de Wachtmeester G.W. VISSER, ingedeeld bij Staf 4 R.H. (Pag.), afgelegd in de vergadering der Commissie Militaire Onderscheidingen d.d. 1 Mei 1947.

- - - - - - - - - -

Ik had rijbewijs A.
Ik was commandant van het stuk Pag. Ons stuk lag eerst in reserve bij Rhenen, kort bij een landhuisje richting Elst.
Op de 2e Pinksterdag moesten wij optrekken naar het viaduct. Het was al licht (pl.m. 7 uur).
Er stond ook een stuk in stelling bij Oosterbeek, maar dat is stukgeschoten.

Wij kwamen terecht 8 à 10 meter voor het viaduct. Daar was een loopgraaf langs de spoorlijn. Het kanon stond voor de erker bij het huis. Er stonden een paar zandzakken omheen. Een schild zat er niet aan het stuk. Wij hebben het meest geschoten op huizen aan de overkant en deden dit op bevel van een Kapitein van de Marechaussee. Hij gaf ook het doel aan. Wij hadden niet veel schootsveld. Wij hebben niet meer dan zesmaal geschoten. Verder heb ik met karabijnen geschoten. Als de Kapitein het met de mitrailleur niet afkon, moesten wij vuren.

Ik heb ook geschoten op het raam van de bovenverdieping van een hoekhuis. Achteraf is gebleken, dat hierdoor krijgsgevangenen werden verlost (door de uitwerking van onze brisantgranaten). Zij kwamen naar ons toehollen. Zij riepen: "Wij zijn Hollanders". Wij hielden op met vuren. Zij waren totaal ongewapend en liepen in hun hemd. Zij waren helemaal ontdaan. Er waren ook gewonden bij.
Wij zijn de 2e Pinksterdag gebleven tot 18.00 uur. Wij waren bijna omsingeld. Er was nog één stukje loopgraaf naar de kelder van het huis vrij. Wij kregen vuur van links en stoven de gang van het huis in. Wij zochten dekking in de kelder en ontkwamen op deze wijze. Wij konden het stuk niet omdraaien naar links door de muur van het huis rechts. Toen wij zo goed als omsingeld waren, zei ik dat tegen de Luitenant. Wij zijn uit ons zelf teruggegaan. De Luitenant is toen nog achtergebleven. Ik heb de Luitenant teruggezien in IJsselstein. Ik zei: "Hoe bent U daar in 's Hemelsnaam uitgekomen?". "Daar zullen wij maar niet over praten", antwoordde de Luitenant.
Ordonnans WINKELS ben ik niet tegengekomen, toen ik wegging. Ik ben teruggegaan met WENDELS. ANDRINGA was al weg.

WINKELS heeft berichten overgebracht tussen de Luitenant HOLLERT en de commandant. Dat was gevaarlijk, want wij lagen onder artillerievuur. Hij deed dit met de motor. Hij is zeker driemaal weggeweest onder vuur. Het was een flinke vent.

Er is bij die stelling ook een korporaal gewond geraakt. Er stond een zware mitrailleur aan de overkant. Daar heeft hij mee gevuurd. De Luitenant en ik hebben hem gehaald, toen hij gewond werd. Dit gebeurde onder vuur. Een zekere MEIJER heeft hem toen weggebracht in een luxe wagen, die daar is blijven staan in een particuliere garage. De gewonde soldaat was in elk geval een huzaar, maar hij zal wel tot het paardenvolk hebben behoord, want ik kende hem niet.

Toen het viaduct sprong, zaten wij in de schuilnis (pl.m. 15.00 uur), want toen was er een luchtaanval. Het laten springen van het viaduct moet van de linkerzijde van de weg gebeurd zijn.

Wij hadden munitie genoeg bij ons voor pantserwagens. Voor ons zijn geen brisant-granaten gehaald. Wij hadden 90 brisantgranaten en 120 brisant-pantsergranaten. De trekker was beschadigd. Hij stond met lekke banden. De Kapitein van de Marechaussee ging om 16.30 uur weg en wilde hem medenemen, maar het ging niet. Er zouden versterkingen komen, maar dat gebeurde niet en daarom ging de Kapitein er op uit. Dat ving ik op.

Ik heb zelf één schot gelost op de bovenverdieping. De bediening heeft ook nog gevuurd. Even voordat wij weggingen, was de karabijn-munitie op.

's-Gravenhage, 1 Mei 1947.

G.W. Visser.

Opgenomen: FMV.
Typ.: K.

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument
(PDF, 632.14 KB)